Ad Verbrugge, Tijd van onbehagen

God behoede

Twee onlangs verschenen boeken getuigen van wantrouwen in de autonomie van het individu. Dirk Verhofstadt stelt er een pleidooi voor het individualisme tegenover.

Ad Verbrugge

Tijd van onbehagen

Sun

Jan Willem Duyvendak en Menno Hurenkamp (red.)

Kiezen voor de kudde

Van Gennep

Cultuurpessimisme is van alle tijden. Naast levenslustige dichters, schrijvers, beeldend kunstenaars en filosofen die in hun werk steeds opnieuw grenzen verleggen en met hun verbeelding uitdrukking geven van hun verwondering en bewondering, heb je de doemdenkers. Zij die de hartstocht, de levensdrift en het menselijk streven naar genot verwerpen en die menen dat de grenzen van het menselijk denken en kunnen al lang bereikt zijn of zelfs overschreden. Daarom prediken ze voor bezinning, contemplatie en devotie. Ze verkiezen de traditie, het geloof en derhalve de zelfverloochening boven het individualisme, de moderniteit, het vooruitgangsgeloof en de vrijheid. Ze hebben een fundamenteel wantrouwen tegenover de mens en het leven. Zoals Giacomo Leopardi, die in zijn Pensieri het lijden als inherent aan het bestaan zag. Of Eduard von Hartmann, die in zijn Zur Geschichte und Begründung des Pessimismus stelde dat geluk tijdens het leven niet mogelijk is. En natuurlijk bij Oswald Spengler, die in Der Untergang des Abendlandes het verval van godsdienst en traditie voorspelde en daarmee het einde van de beschaving. Dat laatste boek is een belangrijke inspiratiebron voor filosoof Ad Verbrugge, die in zijn Tijd van onbehagen een zwartgallig beeld geeft van de hedendaagse problemen.

Verbrugge hakt in zeven opeenvolgende essays ongenadig in op de funeste gevolgen van het individualisme, het consumentisme, het liberale kapitalis me, het universalisme en de Verlichting waarvan de huidige westerse samenleving doordesemd is. Dat leidt de auteur af uit het stijgend aantal geweldsdelicten, de toenemende onverschilligheid, de groeiende onverantwoordelijkheid en de tendens naar solipsisme. De oorzaak is volgens Verbrugge de «verabsolutering van de individuele vrijheid» die tendeert naar calculerend consumentisme en een asociale samenleving. Door het wegvallen van de klassieke gezagsdragers als de leraar en de vader hebben jongeren geen houvast meer.

Verbrugge heeft gelijk dat het individualisme toeneemt, maar dat het de oorzaak zou zijn van wat hiervoor omschreven staat, klopt niet. De mogelijkheid om meer dan voorheen invulling te kunnen geven aan zijn eigen levenslot – wat het gevolg is van meer individualisme – is geen negatieve tendens, maar juist een bijzonder positieve. Het heeft ervoor gezorgd dat miljoenen mensen, vooral vrouwen, zich konden onttrekken aan de geestelijke en fysieke onderdrukking waar ze om wille van tradities, geloof en misplaatst gezag het slachtoffer van waren.

Juist in samenlevingen die het individualisme verwierpen, gebeurden de grootste misdaden. Denk aan het communisme, het fascisme en het religieus fanatisme. Het klopt niet dat het individualisme leidt tot meer geweld. Juist toen mensen bij het begin van de twintigste eeuw het individualisme massaal loslieten en zich lieten meeslepen door nationalisme en extremisme barstte het geweld in volle hevigheid los. In Lente riten beschrijft Modris Eksteins hoe miljoenen, vooral jongeren, met een aan waanzin grenzend enthousiasme aan de Grote Oorlog begonnen. Het was het begin van massale moordpartijen die begaan werden in naam van de Partij, de Führer, de Grote Roerganger, van God. Juist als het individu ondergeschikt wordt gemaakt aan de gemeenschap, wanneer de persoonlijke vrijheid plaats moet maken voor een nationalistisch, religieus of collectivistisch fanatisme verwordt de mens tot een beest. Het individualisme moet niet getemperd maar aangemoedigd worden, vooral in die gemeenschappen waar mensen wegens religieuze, sociale en culturele tradities onderdrukt worden.

Dat individualisme tot onverschilligheid en onverantwoordelijkheid zou leiden klopt al evenmin. Het tegendeel is waar. Juist de collectiviteit geeft aan de mens de kans om zijn eigen moraal opzij te zetten en zijn meest barbaarse instincten binnen de anonimiteit van de groep aan bod te laten komen. Barbaarsheid in naam van het collectief hebben we gezien in de voorbije eeuw. Zoals bij de oorlogsmisdadigers Eichmann en Papon die in naam van het «hoger gezag» de meest afschuwelijke wandaden begingen. Of van volkscommissarissen die in de Sovjet-Unie en China de meest absurde opdrachten gaven aan hun medeburgers omdat ze opgelegd werden door de Partij. Hiermee wordt duidelijk hoe belangrijk het individualisme is. Het verheft de mens uit de groep en plaatst hem tegenover hemzelf. Daar kan hij zich niet verbergen achter de anonimiteit van het collectieve of de «absolute waarheid» van een godsdienst. Individualisme betekent dat de mens zowel tegenover zichzelf als tegenover anderen zijn geweten moet laten spelen en zich niet kan onttrekken aan zijn persoonlijke verantwoordelijkheid. Individualisme is derhalve geen gemakkelijke houding. Het verplicht tot het innemen van een duidelijke positie tegenover medemensen. Het verplicht elkeen om kleur te bekennen. Het verplicht ons om mens te zijn.

Dat individualisme zou aanzetten tot calculerend en zelfzuchtig gedrag is nog zo een verzinsel. Calculerend en zelfzuchtig gedrag vloeien niet voort uit individualisme maar wel uit egoïsme en uit onrechtvaardigheden in het politiek, sociaal en economisch systeem dat mensen toelaat en zelfs aanmoedigt hun verantwoordelijkheid te ontlopen. Het is een van de redenen van de sluimerende legitimiteitscrisis van het sociale-zekerheidsstelsel. De manier waarop individuen beslissen zich waarachtig solidair op te stellen wordt niet langer bepaald door instituties als de kerk, een ideologie of de staat, maar op basis van persoonlijk verantwoordelijkheidsbesef. Dit verklaart mee het succes van acties ten behoeve van medemensen zoals Artsen Zonder Grenzen, Amnesty International, Greenpeace, Oxfam en dergelijke. Honderdduizenden mensen geven financiële steun om het lijden van anderen te verlichten. Hun vertrouwen in humanitaire organisaties is groot. Maar als ze aanvoelen dat de hulpverlenende organisatie of overheid inefficiënt handelt zullen zij zich ervan afkeren.

Dat individualisme zou leiden tot een asociale samenleving klopt evenmin. Meer nog, het vormt de essentiële voorwaarde tot echte solidariteit. Individualisme is niet «waardevrij». Individualisering en engagement voor wat de mensheid als geheel aangaat, zijn complementair. In The Theory of Moral Sentiments schreef Adam Smith reeds dat het kapitalisme niet uitsluitend door het eigenbelang gestuurd kan worden, maar afhankelijk is van zeden- en gedrags codes en van een algemeen aanvaard waarden- en normenstelsel. Ook Immanuel Kant stelde dat elk individu inziet dat zijn eigen welzijn het respecteren van het welzijn van anderen vereist. Mensen sluiten zich spontaan aaneen omdat ze zich zo meer mens voelen. De «autonome» mens erkent zijn medemens niet alleen uit compassie, uit sympathie of «om een goed gevoel te beleven», hij kent ook een «plicht» jegens anderen. De plicht om er als mens «te zijn voor anderen» is onvoorwaardelijk en vervalt niet omdat iemand geen rechten kan doen gelden op andermans hulp. Op die manier zit in het begrip «vrijheid» een opdracht verborgen: du kannst, denn du sollst. Je kunt ethisch handelen, want het is je plicht. Het is een universele zedelijke wet die je als mens verplicht te doen wat je hoort te doen. Hiermee koppelt Kant de autonomie van het individu aan een plicht tegenover anderen. Autonomie houdt ook in de autonomie van anderen te erkennen en anderen te helpen autonoom te zijn indien ze daar om welke reden dan ook niet toe in staat zijn. De autonomie van het individu vormt aldus de basis voor de waardigheid van de mens. Het drukt uit dat je alleen mens bent in relatie tot andere mensen. Hier ligt de morele grondslag voor de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens én de ethische rechtvaardiging van de universele claim ervan.

Betekent dit alles dat er vandaag, in die geseculariseerde wereld met zijn groeiend aantal individualisten, geen problemen meer zijn? Neen, natuurlijk niet. Die problemen komen vaak voort uit egoïsme en solipsisme, maar dat heeft niets te maken met individualisme. Maar heel wat wantoestanden komen voort uit tradities, gewoontes en religies die de mens verhinderen autonoom te denken. Verbrugge haalt terecht het probleem aan van de jonge allochtonen in Nederland – en dan denk ik niet alleen aan geweldplegingen in de openbare ruimte, maar vooral aan de onderdrukking van de vrouw, de opgelegde kleding, de gedwongen huwelijken, de religieuze besnijdenissen, de verstotingen, de eremoorden. De oplossing daarvan zit niet in het vasthouden van de wortels of een «wederzijds proces van culturele vergroeiing», zoals de auteur voorstelt, maar juist in de acceptatie van enkele universele grondwaarden zoals de gelijkheid van man en vrouw en de scheiding van kerk en staat. De oplossing ligt in de acceptatie van een «universele seculiere moraal» zoals Paul Cliteur dat heeft verwoord en zoals het nu wordt opgeëist door moslimvrouwen zelf die snakken naar vrijheid zoals Ayaan Hirsi Ali, Naima El Bezaz, Nahed Selim, Irshad Manji, Fadela Amara, Chahdort Djavann en vele anderen. «De moslims hebben nood aan individualisme», zo zegt Hafid Bouazza. Daar ligt de oplossing.

Verbrugge betwist de aanspraak op universele geldigheid van de mensenrechten. Die vormen in zijn ogen een «dogmatisch leerstelsel van een nieuwe geseculariseerde religie». Zou het niet gewoon een product van de rede kunnen zijn? Dat denkt de auteur niet, want het geweldsmonopolie ligt nog steeds in handen van soevereine naties. Voor hem is het kantiaanse wereldburgerschap een illusie zolang zo weinig staten bereid zijn hun soevereiniteit op te geven. Hier heeft hij een punt. Maar helemaal ondenkbaar is het niet in de wetenschap dat heel wat landen het Internationaal Strafhof, het Kyoto-akkoord en de rol van de VN aanvaarden. Wat is trouwens het alternatief? Mensenrechten die gelden voor de enen en niet voor de anderen? Is dan nog sprake van echte vrijheid? Is men niet pas echt vrij als iedereen vrij is? Is vrijheid voor enkelen wel vrijheid? Is het dan niet veeleer een privilege? Door te wijzen op het gevaar weerlegt Verbrugge dat in een democratie de meerderheid zijn wil kan opleggen, hoe vreselijk die ook kan zijn. Het is een terechte opmerking, maar juist liberalen zijn beducht voor de «dictatuur van de meerderheid» en zullen bepaalde principes hanteren als onaantastbaar of alleen wijzigbaar door een bijzondere meerderheid. Dat de auteur dat verschil niet begrijpt, blijkt ook uit zijn voetnoot over de vermeende verwantschap tussen Kant en het communisme die «beide rationaliseringen van de maatschappelijke verhoudingen op basis van de gelijkheid van personen» zouden zijn. Die verwantschap is er niet omdat Kant elke mens als een doel op zich zag, terwijl het communisme de mens juist als een middel zag. «Mest op de velden van de toekomst», zo zag Trotski de mens.

Het wantrouwen tegenover de autonomie van het individu merk je ook bij anderen. Jan Willem Duyvendak, Menno Hurenkamp en negentien andere auteurs vragen zich in het boek Kiezen voor de kudde af of het individualisme überhaupt wel bestaat. Het gedrag van mensen heeft volgens hen alle schijn van modern kuddegedrag. Hoewel bevrijd van dwang maken we toch massaal dezelfde keuzes. Volgens de auteurs is van individualisering in de vorm van decollectivisering en heterogenisering weinig te merken. Natuurlijk bestaan er nog steeds sociale controle en wettelijke beperkingen die een persoonlijke invulling van het levenslot in de weg staan, maar niemand kan ontkennen dat we evolueren naar een steeds grotere persoonlijke autonomie. In zijn boek 1968: Het jaar waarin alles anders werd wijst Mark Kurlansky erop hoe dit de voorbije decennia zelfs razendsnel ging. De periode van de ontkerkelijking, de ontzuiling, het antiautoritarisme, de verdraagzaamheid, de burgerrechten, het anti racisme, het feminisme en later de homobeweging. De bevrijding van de ketenen van de opgelegde moraal, de definitieve afrekening met de censuur en de index, de bevrijding van de vrouw uit het keurslijf van de kerkelijke dogma’s. Op slag werd een einde gemaakt aan de uniformiteit, de maakbaarheid van de samenleving en het geloof in de onfeilbaarheid van Partij, Leider of Geloof. Het beste bewijs van de toegenomen mogelijkheid om zijn eigen levenslot in te vullen ligt op het ethische vlak. Zoals de aanvaarding van voorbehoedmiddelen, abortus, euthanasie en het homohuwelijk. Het individualisme niet toegenomen? Kom nou.

De felste kritiek komt van de Belgische socioloog Mark Elchardus. Volgens hem komt het individualisme neer op manipulatie van het denken. In plaats van individualisering zouden we een toenemende standaardisering meemaken waarbij mensen zich bewust of onbewust onderwerpen aan nieuwe vormen van manipulatie. Niet de mens zelf, maar scholen, massamedia en reclame bepalen de wil van het individu. Zijn stelling rust op drijfzand en staat haaks op de dagelijkse praktijk. Nog nooit beschikten mensen over zo veel keuze inzake literatuur, muziek, films, plastische kunsten, reizen en communicatie als vandaag. De opmerking van Elchardus dat het streven naar vrijheid slechts zinvol is «als het zich richt tegen concentraties van macht» klopt wel, maar dit stemt juist overeen met het liberale gedachtegoed dat – via het individualisme – de rechten van het individu boven die van de gemeenschap stelt. Juist om wille van het individu en zijn keuzevrijheid verzetten liberalen zich tegen monopolies, kartels, prijsafspraken, vestigingswetten en andere ingrepen die de markt verstoren.

Elchardus wil dat de burgers invloed krijgen op reclame, media en scholen. Wat bedoelt hij daarmee? Moeten we reclame verbieden? Moet de keuze vrijheid aan banden worden gelegd? Moeten de media door een instantie worden gecontroleerd? Moet de vrije markt worden opgedoekt? De oplossingen die Elchardus aanreikt voorspellen niet veel goeds. Zo wil hij «de krachten beheersen die de samenleving vorm geven». «Beheersen» is hier duidelijk een pleonasme voor «ingrijpen» en «censuur». En ook Verbrugge stelt dat de zelfontplooiing stuurloos is geworden en dat er opnieuw vraag naar «goede behoeften» moet komen. Maar wie bepaalt wat die goede behoeften zijn? Een instituut? Een leider? Verbrugge zelf? Zijn antwoord blijft onduidelijk, maar in elk geval heeft hij geen vertrouwen in de autonomie van de mens. Meer nog, hij beschouwt de huidige liberale consumptiemaatschappij als «even totalitair als het fascisme en het communisme».

Consumentisme is voor de onheilsprofeten de nieuwe vorm van dwang. De dagelijkse praktijk toont echter aan dat mensen als burgers en consumenten hun macht prima weten te gebruiken. Via de markt straffen ze inefficiënte en onaangepaste bedrijven af. De consument is baas, niet theoretisch maar letterlijk. Het feit dat steeds meer bedrijven ethische codes aanvaarden uit vrees voor een slecht imago bewijst dit. Multinationals als Shell, Nike en Ikea plooien snel voor een dreigende boycot van hun producten ingevolge dubieuze praktijken. Het feit dat bedrijven via advertenties fouten in hun producten bekendmaken en aansturen op teruggave of revisie toont aan hoezeer ze beducht zijn voor de macht van de consument. Niet de bedrijven zelf, maar de burgers als consumenten en – niet te vergeten – ook steeds meer als individuele aandeelhouders, hebben de sleutel in handen voor het succes van een bedrijf. Ook de bewering dat onze eetcultuur in handen is van fastfoodketens, de zogenaamde mcdonaldisering, klopt niet. De gebruikers ervan vormen slechts een klein percentage. Nog nooit is er in westerse steden zo’n grote gastronomische diversiteit geweest. En met welk recht worden fastfoodrestaurants en hun gebruikers veroordeeld? Moeten ze dan verboden worden?

Nog belangrijker is het feit dat consumenten juist impulsen geven aan creatieve krachten om af te wijken van het conventionele, de trend en de mode. Consumenten zijn geen volgzame schapen maar kieskeurige wolven die alleen datgene nastreven wat ze echt willen. Mensen kopen wat ze leuk, trendy, opvallend of persoonlijk vinden. Ze zullen modeverschijnselen beoordelen, maken en kraken. Ze zijn de ultieme decision makers over de vraag of een product een plaats in de markt krijgt en kan overleven. Tezelfdertijd zijn ze het potentieel voor elk creatief individu en bedrijf om met een nieuw idee, een beter product of een efficiëntere dienst de gunst van het publiek en dus de markt te veroveren. «Alle gepraat over de leegte van het consumentisme is even leeg als datgene waar het zich tegen verzet», aldus de Franse filosoof Pascal Bruckner. Hij wijst erop dat tal van zaken die we kopen, van een bril tot een computer, de mens juist verlossen uit de beperkingen van tijd en ruimte. Consumentisme is geen negatieve omgangsvorm, maar een eigenschap om ons als individu uit te drukken en een stimulans voor een aangenamer en veiliger leven. Consumentisme als mogelijk gevolg van individualisme leidt niet tot standaardisering, integendeel. Het is juist de belangrijkste motor tot trendbreuken, vernieuwing en originaliteit.

In zijn zesde essay wordt duidelijk waar Verbrugge naartoe wil. Enkel een heropleving van de christelijke religie kan ons behoeden voor de «heilloze individualisering», maar ook voor de oprukkende islam. De Verlichting maakte van de rede een nieuw dogma waardoor we niet meer in staat zijn weerwerk te bieden tegenover onchris telijke ideeën, zo schrijft hij. Verbrugge gaat hier totaal uit de bocht. Zijn stelling dat de rede, net als de religie, gebruikt wordt als een «absoluut ethisch principe» klopt niet. Hij vergeet Karl Popper, die de impact van de rede terugbracht tot zijn werkelijke proportie: die van een hypothese. Maar de waarde van de vrije persoon en de gelijkwaardigheid van elk mens, die Verbrugge in twijfel trekt, is een bijzonder stevige hypothese, alleen al omdat elk mens zintuigen en emoties heeft, kan lachen en huilen, vreugde kan kennen en pijn kan lijden. Wie de vrijheid van de persoon en de gelijkwaardigheid van het individu miskent, moet beseffen dat dan elke moord verantwoord kan worden.

Gaandeweg zijn boek wordt de drijfveer van Verbrugge duidelijker. Hij betreurt dat in de Europese Grondwet geen expliciete verwijzing staat naar het christendom. Hij noemt het een «zelfvervreemding» en prijst George Bush die juist meer verwijst naar God. Europa heeft geen sterk «gemeenschapsgevoel», schrijft hij. Wat? Geen gemeenschapsgevoel? Is hij dan vergeten hoe Willy Brandt in 1970 neerknielde voor het gedenkteken van het getto van Warschau? En dat Mitterrand de hand van Kohl vasthoudt na de val van de Berlijnse Muur? Is de EU niet juist het bewijs van de vrije gemeenschappelijke wil van mensen en staten om vredevol samen te leven ongeacht religieuze en politieke verschillen? De opmerking van Verbrugge dat de aansluiting van Griekenland, Portugal en Spanje enkel economische belangen diende is misplaatst. Het zorgde in de eerste plaats voor de definitieve verankering van de politieke democratie in landen die jarenlang leden onder een dictatuur. Hetzelfde gebeurt nu met de toetreding van de nieuwe lidstaten uit Oost-Europa. De Unie heeft een einde gemaakt aan tweeduizend jaar strijd in Europa. Wie echt bekommerd is om het lot van zijn medemensen begrijpt dat er geen grenzen aan Europa zijn. Voor Jean Monnet bestonden die grenzen niet en omvatte het Europese idee de hele wereldgemeenschap. «De zes Europese landen zijn niet begonnen aan de grote onderneming om de muren neer te halen die hen scheiden, om vervolgens nog hogere muren op te richten jegens de buitenwereld. Wij verbinden geen staten, wij verenigen burgers», zo schreef Monnet in het begin van de jaren vijftig. En dat moet het leidmotief van Europa blijven. De wil om samen te werken, de vrijheid te respecteren, de welvaart te verhogen, nooit meer oorlog te voeren, dat is hét unieke gemeenschapsgevoel van het Europa van na de Tweede Wereldoorlog.

Verbrugge roept op tot een «hernieuwde culturele bezieling» en stelt dat de Verlichting nooit de grondslag voor onze cultuur zal leveren. Hij stuurt aan op een «hernieuwde religieuze bezieling» en die kan in zijn ogen alleen christelijk zijn. Het lijkt op de doelstelling van Opus Dei en sluit aan bij de opvallende opmars van de Moral Majority in de VS. Hun verstrengeling van religieuze radicaliteit en patriottistische loyaliteit zorgt voor een gevaarlijke mix waarin gewetensvrijheid, individuele autonomie en zelfbeschikking onder druk komen te staan. In hun angst voor de islam vallen miljoenen Amerikanen terug op absolute aanspraken van het christendom. Dat is nu net wat wij, Europeanen, niet mogen doen. Dat is nu net de reden waarom we de poorten van de Unie wijd open moeten zetten voor Turkije als potentiële lidstaat voor zover het de liberale grondwaarden toepast. Waarom zouden we mensen die hopen op een beter bestaan de kans ontzeggen om mee te delen in onze welvaart? Om religieuze redenen? Als er meer bezieling nodig is, dan is het juist bezieling voor de ideeën van de Verlichting: mensen kansen geven, ze vrij hun leven laten opbouwen en ze ongeacht hun overtuiging, sekse, afkomst of geloof gelijkwaardig behandelen.

Waar Verbrugge op doelt is «een bezieling in het leven teweegbrengen die mensen juist tot grootse en nobele daden aanzet». Mooi. Maar daarop volgt «…en ervoor zorgt dat zij in hun individuele leven worden gedragen door iets wat groter is dan zijzelf.» Hier ben ik op mijn hoede. In het verleden werden talloze mensen aangezet tot zelfverloochening om mee te werken aan monsterachtige praktijken. Te meer omdat hij als voorbeeld van dergelijke opoffering verwijst naar de religie: «En in de sfeer van religie zijn natuurlijk de levens van heiligen een sprekend voorbeeld van deze bezieling.» Heiligen! Het staat er letterlijk. In zijn verwerping van «de aardgeest die zich als een razende macht ontpopt in de moderne techniek» volgt hij de heilige paus Pius X die in 1910 de antimodernisten-eed oplegde aan alle priesters. En wat te denken van de nakende heiligverklaring van paus Pius XII, die tijdens de Tweede Wereldoorlog, ondanks alle kennis, zweeg over het lot van de joden. Bezieling? Of bedoelt Verbrugge de «bezieling» van de razendsnel heilig verklaarde Josemaría Escrivá in zijn hang naar obscurantisme?

Tijd van onbehagen is desondanks een belangrijk boek. Het tekent de fundamentele wijziging in sommige geesten, de hang naar oude zekerheden, het geloof in de traditie, de revitalisering van de religie, de herwaardering van de ideeën van Friedrich Nietzsche, Martin Heidegger en vooral Oswald Spengler. Ook Ad Verbrugge vermoedt een ondergang van het Avondland. Om dat te voorkomen is hij bereid hard te snijden in de verworvenheden van de Verlichting. God behoede ons.