Albert Einstein (1879-1955) wilde geen cultfiguur zijn

«God dobbelt niet»

Jürgen Neffe

Einstein: Eine Biographie

Rowohlt, 490 blz., e 22,90

Hubert Goenner

Einstein in Berlijn

C.H. Beck, 367 blz., e 19,90

Albert Einstein

Mein Weltbild

Ullstein, 231 blz., e 8,95

Wie dezer dagen Berlijn bezoekt, merkt spoedig dat 2005 een Einsteinjaar is. Op de gevel van het Rode Raadhuis in het centrum is een citaat van de beroemde natuurkundige aangebracht, waarin hij over zijn verbondenheid met Berlijn spreekt. In de deels herbouwde Nieuwe Synagoge aan de Oranienburger Strasse bevindt zich (tot 6 mei) een speciale tentoonstelling die de treffende titel draagt Relativ jüdisch: Albert Einstein Jude, Zionist, Nonkonformist. En in boekwinkels liggen diverse werken over de opmerkelijke geleerde, waaronder boeken over Einsteins jaren in Berlijn en een nieuwe biografie, geschreven door de Duitse publicist Jürgen Neffe, die nu al weken op de bestsellerlijst van het weekblad Der Spiegel staat.

Precies honderd jaar geleden publiceerde de theoretische fysicus zijn speciale relativiteitstheorie in het gerenommeerde tijdschrift Annalen der Physik en werd de bekende formule E=mc2 geboren. En vijftig jaar geleden, op 18 april 1955, stierf Einstein in het ziekenhuis van Princeton. Er is alle reden hem te gedenken, want deze koene, geniale wetenschapper heeft met zijn theo rieën de basis gelegd voor allerlei uitvindingen. Neffe laat in zijn toegankelijk geschreven biografie zien dat er nog altijd onderzoekers bezig zijn met het toetsen van Einsteins hypothesen.

1905 was Einsteins «wonderjaar». Hij was toen 26 jaar oud en woonde in Bern, waar hij als technisch ambtenaar derde klas werkzaam was op het octrooibureau. Maar in zijn vrije tijd dacht hij ijverig na over natuurkundige problemen, besprak die met zijn goede vriend Michele Besso en schreef artikelen die het beeld van de micro- en macrokosmos zouden veranderen.

Zijn eerste artikel ging over de vraag: wat is licht? En zijn revolutionaire antwoord luidde dat licht niet alleen uit golven bestaat, maar ook uit elementaire deeltjes energie. In zijn «lichtquantumhypothese» borduurde Einstein voort op een ontdekking van de Duitse natuurkundige Max Planck, die in 1900 voor het eerst sprak over quanten, maar daar zelf niet verder mee kon.

Einstein werd zo mede de grondlegger van de quantumtheorie, die in de jaren twintig verder werd ontwikkeld door de Deen Niels Bohr, de Duitsers Max Born en Werner Heisenberg, de Oostenrijker Erwin Schrödinger en de Brit Paul Dirac. Ze deden dat op een manier die Einstein niet aanstond. Zij werkten in hun quantenmechanica namelijk met waarschijnlijkheden, en dat beviel hem niet. «God dobbelt niet», is een van zijn bekendste uitspraken, waarmee hij wilde zeggen dat in de natuur alles verloopt volgens het principe van de causaliteit. Einstein in 1926: «De quantenmechanica dwingt zeer veel achting af. Maar een innerlijke stem zegt me, dat dit toch niet het ware is. De theorie brengt veel, maar het geheim van de Oude brengt ze ons toch nauwelijks naderbij. In ieder geval ben ik ervan overtuigd dat die niet dobbelt.» (De Oude, zo noemde hij soms God.) Vele jaren later, in 1951, schreef hij zijn vriend Besso: «Vijftig jaar van bewust nadenken hebben mij het antwoord op de vraag: wat zijn lichtquanten? niet dichterbij ge bracht. Thans gelooft weliswaar elke idioot dat hij het weet, maar hij vergist zich.» Einstein bleef tot aan zijn dood zoekende.

De relativiteitstheorie van 1905 ging nog uitsluitend over eenparige bewegingen. Daarbij baseerde Einstein zich op het al eerder ontdekte principe dat de snelheid van het licht in een vacuüm constant is. Deze lichtsnelheid is absoluut, maar eindig. Ruimte en tijd zijn niet absoluut, maar relatief. Klokken die zich met grote snelheid door de ruimte bewegen, lopen langzamer. Ruimte en tijd zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden en vormen een vierde dimensie. En als sluitstuk kwam Einstein met zijn formule E=mc2, wat niets anders betekent dan dat materie een enorme hoeveelheid energie bevat.

De vraag was alleen hoe die energie op te wekken. Dat lukte pas twintig jaar later door de splitsing van uranium kernen. Atoomenergie werd mogelijk, maar ook de atoombom. Maar daarmee had Einstein in wezen niets te maken. Neffe schrijft: «Het zou totaal verkeerd zijn een directe lijn te trekken van de relativiteitstheorie naar de atoombom, van 1905 naar 1945. In Hiroshima werd de formule E=mc2 niet toegepast, maar slechts op gruwelijke wijze bevestigd. De weg naar de mega-explosie loopt veel meer via de atoomfysica, waarvan de vooruitgang door Einstein slechts in de marge werd gevolgd. Deze ontwikkeling zou ook zonder zijn formule hebben plaatsgevonden.» Niettemin had de pacifist Einstein na Hiroshima schuldgevoelens, want hij had president Roosevelt in 1939 en in 1940 gewezen op het gevaar dat nazi-Duitsland een atoombom zou kunnen bouwen. Na 1941 werd door Amerikaanse fysici een atoombom ontwikkeld, zonder Einstein. Die ging zich na 1945 nog meer inzetten voor ontwapening en vrede in de wereld.

Einsteins Berlijnse jaren begonnen in 1914, kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Zijn academische carrière was toen ongeveer vijf jaar oud en liep via de steden Bern, Zürich, Praag en weer Zürich. Maar de Duitse natuurkundigen en chemici Planck, Haber en Nernst wilden hem graag in Berlijn hebben. Hun aanbod: lidmaatschap van de Pruisische Academie voor Wetenschappen, een eigen instituut voor theoretische natuurkunde bij het Kaiser-Wilhelm-Gesellschaft en een hoogleraarschap zonder de verplichting colleges te geven. Einstein kon zich dus volledig wijden aan onderzoek. Hij heeft dit verleidelijke aanbod uit Berlijn geaccepteerd, vermoedelijk mede vanwege het feit dat zijn huwelijk met Mileva Maric was gestrand en in Berlijn een nieuwe geliefde wachtte: zijn nicht Elsa Löwenthal, met wie hij in 1919 trouwde.

In zijn bagage voor Berlijn be vonden zich al eerste ontwerpen van de algemene relativiteits theorie, die eind 1915 werd voltooid. Deze is in wezen een theorie over de zwaartekracht, waarbij kracht eigenlijk een verkeerd woord is. Neffe heeft voor zijn biografie onder meer Peter Aufmuth bezocht, die onderzoek doet naar Einsteins theorie over de gravitatiegolven die ontstaan bij een beving in de kosmos. Volgens Aufmuth is de kern van de relativiteitstheorie: «Gravitatie is geen kracht, maar een eigenschap van de ruimte.» Daarbij bepalen de hemellichamen de ruimte en de vorm van de gravitatievelden en de vorm van het gravitatieveld bepaalt hoe de materie zich zal bewegen. Zwaartekracht, aldus Einstein, beïnvloedt de tijd en verandert de geometrie, want de ruimte is gekromd. En hij voorspelde dat licht wordt afgebogen, zodra dat in de buurt komt van het krachtige gravitatieveld van de zon.

Maar hoe dit te bewijzen? De bevestiging kwam in 1919, toen twee Britse expedities erop uit trokken om metingen te verrichten tijdens de zonsverduistering van 29 mei 1919. Op 6 november van dat jaar werd in Londen plechtig verkondigd dat deze metingen de kromming van het licht in de buurt van de zon hadden bevestigd. De dag daarna werd Einstein, tot dan toe alleen bekend in academische kring, wereldberoemd.

Er waren niet veel mensen die zijn ingewikkelde theorie begrepen, maar dit verhinderde niet dat er een eerste hype ontstond. Deze geleerde met zijn wilde haardos, onschuldige ogen en onafscheidelijke viool, die filosofeerde over ruimte, tijd en licht en alles leek te relativeren, sprak kennelijk zeer tot de verbeelding. De Londense Times berichtte als eerste over een «revolutie in de wetenschap» en een «nieuwe theorie over het universum». Amerikaanse, Duitse en andere kranten volgden. Er verschenen boeken en er werd zelfs een film gemaakt. Einstein werd eind 1919, zo schrijft Neffe, «een tweede keer geboren: als legende en mythe, als idool en icoon van een heel tijdperk». Hij noemt hem «de eerste wereldwijde popster van de wetenschap».

Vooral tijdens zijn reizen naar Amerika werd duidelijk hoezeer Einstein tot een cultfiguur was geworden. Dat beviel hem geenszins. «Personencultus is in mijn ogen steeds iets onrechtmatigs», zei hij na een bezoek aan Amerika. «Weliswaar verdeelt de natuur haar gaven rijkelijk verschillend onder haar kinderen. Godzijdank zijn er veel geslaagde mensen en ik ben er vast van overtuigd dat de meeste een stil en onopvallend bestaan leiden. Het is daarom niet rechtvaardig en het getuigt ook van slechte smaak als enkelen mateloos worden bewonderd door hen bovenmenselijke geesteskrachten en karakter toe te dichten. Dit is nu precies mijn lot geworden. Er bestaat een groteske tegenstelling tussen datgene wat de mensen zeggen over mijn capaciteiten en prestaties en wat ik werkelijk ben en kan.»

Einstein troostte zich met de gedachte dat «juist in deze als materialistisch geldende tijd mensen tot helden worden gemaakt wier doelen uitsluitend liggen op intellectueel en moreel gebied. Dit bewijst dat veel mensen kennis en rechtvaardigheid stellen boven bezit en macht».

Uit deze woorden kan men opmaken dat Einstein niet alleen een wetenschappelijke, maar ook een morele instantie wilde zijn. Hij was een radicale pacifist (een houding die hij tijdelijk opgaf toen het erom ging nazi-Duitsland te verslaan) en een sociaal-democraat. Bij Neffe kan men lezen dat hij geen fijnbesnaard man was als het ging om zijn twee vrouwen en kinderen. Maar hij had een groot hart voor de mensheid.

Einstein was zich deze ambivalentie bewust. Hij heeft over zichzelf geschreven: «Mijn hartstochtelijke zin voor sociale gerechtigheid en sociale verplichtingen stond steeds merkwaardig haaks op mijn uitgesproken gebrek aan behoefte met andere mensen en gemeenschappen in contact te treden. Ik ben echt een eenzelvig man, die nooit met heel zijn hart hing aan staat, Heimat, vriendenkring en zelfs de eigen familie. Tegenover deze bindingen heb ik steeds een gevoel van vreemdheid ervaren. Daarentegen nam mijn behoefte aan eenzaamheid met de jaren toe.»

Dat betekent niet dat Einstein geen vrienden had. Van hen woonden er twee in Nederland: de ene was de grote natuurkundige Hendrik Lorentz, een vaderlijke vriend over wie Einstein ooit zei dat hij meer voor hem had betekend dan wie ook; zijn andere grote vriend was Paul Ehrenfest, eveneens natuurkundige.

Einstein heeft zijn joodse identiteit relatief laat ontdekt. Eind 1929 schreef hij: «Pas toen ik vijftien jaar geleden naar Duitsland kwam, ontdekte ik dat ik jood ben en deze ontdekking deed ik meer door het gedrag van niet-joden dan van joden.»

Einstein kreeg vooral na de Eerste Wereldoorlog te maken met antisemitisme in Duitsland. Zijn relativiteitstheorie werd in 1920 door sommigen niet alleen bestreden met wetenschappelijke argumenten. Er werd ook minachtend gesproken over «joodse fysica». De antisemiet Paul Weyland sprak over «wetenschappelijk dadaïsme» en richtte de Arbeitsgemeinschaft deutscher Naturforscher zur Erhaltung reiner Wissenschaft op. Nadat Einstein in 1922 de Nobelprijs had gewonnen, ebde de anti-Einsteincampagne weg.

Was assimilatie het beste antwoord op antisemitisme? Einstein ontkende dit ten stelligste. In de tentoonstelling in de Nieuwe Synagoge in Berlijn hangt de brief die Einstein in 1920 schreef aan de Central-Verein Deutscher Staatsbürger jüdischen Glaubens. Deze vereniging van voornamelijk geassimileerde joden had hem uitgenodigd te ko men spreken over de strijd tegen het antisemitisme in academische kringen. Einstein weigerde en schreef: «Allereerst moet het antisemitisme en de kruiperige gezindheid onder ons joden zelf door voorlichting bestreden worden. Meer waardigheid en zelfstandigheid in onze rijen! Pas wanneer wij het aandurven onszelf als een volk te beschouwen, pas wanneer we onszelf respecteren, kunnen we het respect van anderen verwerven, respectievelijk komt die dan vanzelf.» En hij besloot: Ik ben blij tot het joodse volk te behoren, ook al houd ik dit volk niet voor uitverkoren.»

Einstein was «relatief joods». Zijn relatie tot het joodse volk, zo schreef hij aan het eind van zijn leven, «is mijn sterkste menselijke binding geworden». Maar hij was geen gelovige, althans hij geloofde niet in een persoonlijke God die als een rechtvaardige vader het goede beloont en het kwade straft. Hij was zionist, maar lange tijd keerde hij zich tegen het stichten van een joodse staat in Palestina. Hij dacht aan een joods «tehuis», waarbij rekening werd gehouden met de rechten van de Arabieren. Joden en Arabieren, zei hij in 1930, moeten het eens worden over een samenwerking die voor beide volken van voordeel is. Na de holocaust accepteerde Einstein de stichting van de staat Israël, waarmee hij zich duidelijk verbonden voelde. Maar het aanbod van Ben Goerion in 1952 om president van Israël te worden wees hij van de hand.

Bestond er voor Einstein geen God? Jawel, maar zijn God was de schepper van al die natuurkundige, logische wetten die Einstein wilde opsporen. «God in de kaart kijken», dat is wat hij wilde. «Kosmische religiositeit» noemde hij het geloof dat past bij wetenschap. «De onderzoeker is van de causaliteit van al wat gebeurt, doordrongen», zo heeft hij geschreven. «De toekomst is voor hem niet minder belangrijk dan het verleden. De moraal heeft voor hem niets goddelijks, maar is een zuiver menselijke aangelegenheid. Zijn religiositeit ligt in het zich in verrukking verbazen over de harmonie van de wetten van de natuur, waarin zich een zo superieur verstand openbaart, dat daartegen al het zinvolle van het menselijk denken en ordenen verbleekt.»

De laatste twintig jaar van zijn leven heeft Einstein in Amerika doorgebracht. Toen begin 1933 Hitler aan de macht kwam, begreep hij onmiddellijk dat hij niet in Duitsland kon blijven. Hij zegde zijn lidmaatschap van de Pruisische Academie voor Wetenschappen op. De secretaris van de academie reageerde prompt met een brief, waarin hij schreef dat de academie met «verontwaardiging kennis had genomen van krantenberichten over de deelname van Einstein aan de gruwelpropaganda in Frankrijk en Amerika». De academie, zo besloot hij, «heeft daarom geen enkele reden het uittreden van Einstein te betreuren». In de daarop volgende plenaire zitting van de academie bespraken de leden de brief van de secretaris. Niemand protesteerde tegen de brief. Max Planck, voorzitter van de academie, benadrukte wel het werk van Einstein, «waarvan de betekenis slechts gemeten kan worden aan de prestaties van Johannes Kepler of Isaac Newton», maar zei ook «dat Einstein zelf door zijn politiek gedrag zijn verblijf in de academie onmogelijk heeft gemaakt». De academie boog voor Hitler.

Einstein is nooit meer naar Duitsland teruggekeerd. Hij stierf in de vroege ochtend van 18 april 1955. Zijn laatste woorden zijn niet bekend, want de nachtzuster in het ziekenhuis had ze niet kunnen verstaan: Einstein had Duits gesproken.