God en geld

Nog even over God en de materie die Hem laat zien: geld.
De redenering is als volgt: God kan alles oplossen, dus met geld moeten we ook alles kunnen oplossen.
Waar of niet?
Waar.
Is het onderwijs slecht: stop er meer geld in.
Is de gezondheidszorg schrikbarend: stort poen.

Hebben we te veel armoede: geef de armen talenten die anderen hebben opgebracht.
Hebben ze het in andere landen slecht: wij doen een duitje in hun zak.
En wat doen die arme landen zelf als ze geen geld meer hebben?
Dan drukken ze geld bij en slaan zoveel munten dat de vonken er vanaf vliegen.
Meer geld, meer geld, meer geld dat niets waard blijkt.
Geld is pas iets waard als er weinig geld in omloop is.
God is pas iets waard als er weinig God in omloop is.
Je kunt alles oplossen met geld; maar alleen als er weinig van dat geld is, want bij te veel geld is dat geld niets meer waard. Wat heeft een mens aan honderdvijftig broden als hij maar drie sneetjes kan eten? De rest van het brood bederft en moet je weggooien. Dag brood.
Het beheren van weinig geld noemen we economie.
Het beheren van weinig God noemen we theologie.
Iets ontstaat uit niets; heb je iets, dan moet je dat zien te verkopen voor geld, met dat geld koop je weer iets. De cirkel is rond, zou je zeggen - we gaan van iets naar iets. Is niet helemaal waar: hij begint eigenlijk bij Niets, maar komt niet bij Niets terug, maar bij Iets.
Waar het Niets is, zitten de kunstenaars, de creatieven, de mensen met ideeën, de scheppers, de godenzonen, zij die het Niets vullen.
Het aardige van Iets is, dat je het kunt uitdrukken in geld.
Elk willekeurig door ons bedacht ding heeft een geldelijke waarde.
Een computer, een horloge, een tas.
Hoe zit het met de dingen die wij niet zelf hebben bedacht? Bijvoorbeeld: schoonheid, lelijkheid, verdriet. Mensen betalen toch voor schoonheid, lelijkheid en verdriet?
Ziehier hoe ik slim iets heb omgedraaid. Schoonheid, lelijkheid en verdriet hebben wij natuurlijk ook zelf bedacht. Er was eerst niets, toen iets - en dat noemden wij: schoonheid, lelijkheid, verdriet.
En dus is het in geld uit te drukken.
Van deze omdraai-truuk bedienen theologen zich.
God bestaat buiten de mens om, zeggen ze.
Natuurlijk niet. Wij hebben God ook zelf bedacht.
En God is ook in geld uit te drukken: hij is gratis, hij kost niets, hij heeft namelijk geen waarde. Hij is goedkoop, en dus erg handig voor de Derde Wereld. Het brengen van nietswaardige producten naar de Derde Wereld noemen wij kerstening. Daar zijn ze met dat product dat niets waard is erg blij. Net als wij hier, trouwens.
Problemen ontstaan pas wanneer die Derde Wereld zegt: ‘Luister eens, jullie hebben een materie waardoor je God kunt zien en voelen. God als ding, dat heet geld. Mogen we in plaats van die paar vellen papier die bijbel heten, nu dat papier hebben dat jullie Geld noemen, dan weten we tenminste wat God is.’
Zijn die zwartjes nu helemaal van de pot gerukt!
Het Evangelie kunnen ze krijgen, meer niet!
Terwijl je met geld dus alles kunt oplossen.
Kijk - over mijn scherm kruipt een vlieg.
Ik heb die vlieg niet verzonnen, hij heeft dus geen waarde. Of toch wel?
Dan heb ik de vlieg verzonnen, of zijn waarde.
Net een gedicht.
Kijk/ over mijn scherm/ kruipt een vlieg.// Ik heb die vlieg niet// verzonnen/ hij heeft dus geen waarde.// Of toch wel?/ Dan heb ik de vlieg/ verzonnen,/ of zijn waarde.
Laatst was ik in Londen. Ik liep door een straatje en opeens kwam ik bij een antiquariaat terecht. Daar vond ik dozen. Ik opende die dozen en zag miljoenen en miljoenen… aan oud Engels Monopoly-geld.
Een doos kostte dertig Engelse ponden.