God heeft gelukkig nooit geleefd

In ‘God wil niet dood’ (De Groene, 21 augustus) neemt Aart Brouwer het op voor de gelovigen. Ongelooflijk, en de argumenten zijn onhoudbaar.
Behalve het op de man spelen ten opzichte van Floris van den Berg, die een uiterst scherp en redelijk pleidooi hield voor het atheïsme, lijken Brouwers belangrijkste argumenten te zijn:

  1. Geloven is niet schadelijk voor een democratische samenleving,
  2. Godsdienst is een noodzakelijke voorwaarde om menselijke gemeenschappen te vormen;
  3. Zonder godsdienst geen moraal.

Met betrekking tot het eerste argument:
Hoe schadelijk geloven kan zijn weet ik uit mijn persoonlijke katholieke ervaring. Het systematisch opdringen van absurde ideeën leidt tot een verknipte denkwereld. Een kind neemt nu eenmaal alles aan wat ouders en andere opvoeders zeggen. Zo dacht ik dat het zinvol was om priester te worden en daarvoor vrouwen uit mijn intieme levenssfeer te verbannen. Pas nadat mij door studie en eigen nadenken duidelijk was geworden dat er geen transcendent verzinsel als God kan bestaan, ben ik gaan ervaren wat mij jarenlang ontnomen is in mijn jeugd.
Het celibaat is een onzinnig en onmenselijk verschijnsel. Er is veel leed onder celibatairen; Amerikaanse en andere celibatairen hebben veel persoonlijke ellende veroorzaakt.
Het hele geloof is gebaseerd op eindeloos doorvertelde mythes. Op den duur gingen miljoenen mensen denken dat dit de werkelijkheid was.
Brouwer vindt dat goed oppassende gelovige burgers niemand kwaad doen. Hij vergeet ondertussen dat ongelovigen door hen beschouwd worden als mensen zonder geweten of moraal. Maar de moraal van gelovigen is gebaseerd op geboden van een verzonnen wezen, die boodschappen ingestraald zou hebben door Oude en Nieuwe Testament of Koran. Niet de menselijke samenleving maar een buitenaards wezen bepaalt hun moraal. Abraham is eerder bereid zijn kind te doden op bevel van een psychotisch stemmetje dan zijn eigen geweten te volgen en resoluut te weigeren zo’n bevel uit te voeren. Joden en islamieten mishandelen kinderen door hen ongevraagd te besnijden. Het Israël-Palestina-conflict wemelt van de religieuze elementen. De pretentie van joden een uitverkoren volk te zijn is een centraal element in het Midden-Oosten-conflict. Absurde uitlatingen van islamieten als: onze god is de sterkste oftewel alla-oe-akbar. Voeg daarbij de christelijke mythe dat in Palestina ooit iemand over water liep en later uit zijn graf opstond, dan is het duidelijk dat godsdiensten en hun wederzijdse veroordelingen een hoofdrol spelen in dit conflict.
Dan de veronderstelling dat geloof in een opperwezen noodzakelijk is voor de vorming van een gemeenschap.

M.b.t. het tweede argument.
Gemeenschapsvorming is gewoon menselijk. Er zijn filosofen die beweren dat de mens eerder een sociaal wezen is dan een individu. Om te leven, samen te leven en voort te leven is vorming van gemeenschappen noodzakelijk. Dat is elementair eigen belang.
Dat kan op honderden manieren gebeuren: gemeenschappelijke belangen, hetzelfde beroep, buurtgenoten, bewoners van een land of desnoods eiland. Ook allerlei verenigingen en clubs (hobby’s en sport) dragen ertoe bij dat mensen ergens bij horen. De slechtste vormen van gemeenschap zijn godsdiensten en kerken, die systematisch andersdenkenden uitsluiten en veroordelen.
Een Urker christen voegde mij ooit toe dat ik als afvallig christen en atheïst na mijn dood voor eeuwig zal branden.

M.b.t. het derde argument.
Zonder geloof geen moraal. Alles zou een ongelovige zich kunnen permitteren. Het is eerder omgekeerd. Een gelovige kan zich alles permitteren. Dat begon al bij Abraham; dit zet zich door in de hele geschiedenis van het joodse volk met al zijn gruweldaden; in het christendom met alle keiharde veroordelingen van hen die niet geloven; een navrant voorbeeld is het vermoorden van een abortusarts door een gelovige christen. De islamieten hebben de geweldspiraal overgenomen van joden en christenen. De motivatie tot goed handelen ligt voor gelovigen niet in de menselijke samenleving, maar in het gebod van God. Beloning in het hiernamaals en angst voor straf lijkt zwaarder te wegen dan een prettige menselijke samenleving.

Het is niet alleen misbruik van godsdienst dat schadelijk is, maar ook het geloof zelf in een niet bestaand opperwezen is oorzaak van ontzettend veel ellende.
God wil niet dood, zegt Brouwer. Dat hoeft ook niet; hij heeft nooit geleefd. Religie mag verdwijnen; het boek van Floris van den Berg geeft daar een opbouwende en inspirerende aanzet toe.