Die eeuwige religie De EU

God in Brussel

Kerk en staat zijn nergens volledig gescheiden. Ook niet in Brussel. Sterker, daar voeren religies een regelmatige dialoog met de leiders van de Europese Unie. Hoe groot is de invloed van de religieuze lobby?

NIET ALLEEN GOD is aanwezig, die donderdagmiddag in Brussel, op een steenworp afstand van de Europese instituties. Ook de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de unie, is sterk vertegenwoordigd in het chique kantoorgebouw van COMECE, de permanente vertegenwoordiging van Europese katholieke bisschoppen. Een handjevol ambtenaren, waaronder de directeur van het directoraat-generaal buitenlandse betrekkingen, zit tussen de honderd of zo eurocraten die komen luisteren naar een debat over ‘de rol van religieuze actoren in het versterken van het maatschappelijk middenveld en de democratisering in de Europese buurlanden’. De religieuze lobby in de praktijk.
De katholieken zijn niet alleen. De laatste jaren is het aantal religieuze vertegenwoordigingen in Brussel sterk gegroeid. De Europese Commissie telt er meer dan veertig: de anglicanen, de franciscanen, de jezuïeten, de lutheranen, de evangelisten, de orthodoxen, de joden, de moslims, de hindoes, de boeddhisten, de scientology-aanhangers. Allemaal met vergelijkbare doelstellingen. De meeste zijn met z'n tweeën of drieën. Geen enkele zo groot als de katholieken. COMECE heeft elf adviseurs in dienst. Alleen CEC, de Conferentie van Europese Kerken, een gemeenschap van 125 orthodoxe, protestantse, anglicaanse en oud-katholieke kerken, komt in de buurt, met kantoren in Brussel, Straatsburg en Genève. De twee christelijke belangenbehartigers werken nauw samen. Beide behoren ze tot de grotere lobbygroepen in Brussel.
Dat is voer voor speculatie. Het is eigenlijk de kerk die de touwtjes in handen heeft. Kijk maar naar de voorzitter van de Europese Commissie. Dat is altijd een katholieke man. Net als de president van het Europees Parlement, enkele uitzonderingen daargelaten. Kijk maar naar symbolen als de Europese vlag. Die is blauw, de kleur van de heilige maagd. De twaalf sterren verwijzen naar het aantal apostelen en het biblische getal van volmaaktheid. Het ontwerp van de vlag werd goedgekeurd op 8 december, de dag van de onbevlekte ontvangenis. Kijk naar Ratzingers keuze voor zijn pauselijke naam. Die verwijst naar Benedictus van Nursia, patroonheilige van Europa. Kijk naar het parlement in Straatsburg. Die lijkt op Breughels Toren van Babel. Voer voor Dan Brown.
Alle symboliek terzijde: de aanwezigheid van religieuze lobbygroepen leidt wel tot een onvermijdelijke vraag. Hebben de kerken daadwerkelijk de touwtjes in handen? Of blijft dat een complottheorie, slechts leuk voor een spannende thriller? 'Natuurlijk hebben ze veel invloed’, meent Sophie in ’t Veld, europarlementariër voor D66 en voorzitter van het interparlementaire forum voor secularisme in de politiek. 'Niet alleen via een machtige lobby met toegang tot de politieke top, maar ook door de invloed van de kerk op haar leden. Die kan bijvoorbeeld dreigen met excommunicatie. Daar zijn veel gelovige politici gevoelig voor.’

HET IS INDERDAAD een verleidelijke gedachte. De kerken hebben een belangrijke rol gespeeld in het proces van Europese integratie. Vijf van de zeven founding fathers waren overtuigd rooms-katholiek. Zij maakten nooit een geheim van hun ideaal van een verenigd Europa gebaseerd op christelijke waarden. De paus heeft dat ideaal altijd gedeeld. Het waren protestantse ambtenaren van de Europese Commissie die zelf het initiatief namen zich te verenigen in wat nu CEC is geworden. Vandaag is het niet heel anders. De kerk is goed vertegenwoordigd in de hoge rangen van de Europese politiek. De drie hoogste bazen - de voorzitters van de commissie, het parlement en de raad - zijn katholiek. Opvallend veel regeringsleiders zijn christelijk. De grootste partij in het parlement is de christen-democratische.
Kerken zijn bovendien altijd een belangrijke gesprekspartner geweest voor de leiders van de Europese Unie. Sinds het begin van de jaren tachtig zitten die met enige regelmaat om de tafel. Het was oud-Commissie-voorzitter Jacques Delors (1985-1994) die daar begin jaren negentig structuur aan gaf. Hij was overtuigd van het belang van geestelijke betrokkenheid bij het Europese project. De Europese Economische Gemeenschap stond op het punt een politieke unie te worden. De val van de Muur had de deur geopend naar het oosten. Zonder een 'spirituele en ethische dimensie’ toe te voegen, zonder een gemeenschap van waarden, zonder een Europese identiteit, zou het project gedoemd zijn te mislukken. Of, in zijn eigen woorden tijdens een bijeenkomst van protestantse kerken in 1992: 'Als het ons de komende tien jaar niet lukt om Europa een ziel te geven, een spiritualiteit, een betekenis, dan is het gedaan met de Europese eenwording.’
Delors creëerde een soort interne denktank die een 'regelmatige dialoog’ moest organiseren met 'kerken en religieuze verenigingen teneinde van gedachten te wisselen over de betekenis van het Europese project’. Concreet nam die dialoog de vorm aan van een tweejaarlijks seminar over een specifiek thema met hoge ambtenaren van de Europese Commissie en de protestantse en katholieke vertegenwoordigingen, CEC (of zijn voorloper) en COMECE. Thema’s die behandeld werden varieerden van de integratie van Oost-Europese landen tot de ecologische effecten van het landbouwbeleid.
Die denktank bestaat nog steeds, evenals de dialoog. Sterker, het verdrag van Lissabon, dat op 1 december vorig jaar in werking trad, geeft het een juridische basis en maakt een definitief onderscheid tussen wereldse en religieuze organisaties. Het belooft maar liefst twee 'open, transparante en regelmatige dialogen’ te gaan voeren. Eén met 'representatieve organisaties en het maatschappelijk middenveld’. En een tweede met 'kerken en levensbeschouwelijke organisaties, onder erkenning van hun identiteit en hun specifieke bijdrage’. Dat onderscheid is belangrijk. Het rechtvaardigt de speciale behandeling van kerken. Zo zijn ze bijvoorbeeld uitgezonderd van het toekomstige, algemene lobbyregister. Toch lopen hun adviseurs, een enkeling in priestergewaad, door de gebouwen van het parlement met een bruine badge op de borst, zoals ook de lobbyisten. De regelmatige dialoog kan moeilijk anders worden gezien. Kerken worden als enige maatschappelijke sector uit het middenveld gelicht. Met gevolg dat zij een meer inhoudelijk, gestructureerd en persoonlijk contact hebben met de unie dan andere maatschappelijke organisaties.
'De vorige keer ging het over klimaatverandering’, herinnert dominee Rüdiger Noll zich, directeur van het Brussel-kantoor en plaatsvervangend secretaris-generaal van CEC, als hij vertelt over de tweejaarlijkse seminar. Hij zit in zijn kantoor tegenover het Berlaymont, het hoofdkwartier van de Europese Commissie. 'We proberen altijd een thema te vinden dat belangrijk is voor ons allen. De volgende zal gaan over armoedebestrijding, die daarna over de rol van religie in de nieuw te vormen Europese diplomatieke dienst.’ Hij praat niet alleen met de commissie. Sinds een jaar of tien gaan CEC en COMECE elke zes maanden op bezoek bij het roulerende voorzitterschap van de Europese raad. 'Dat is een traditie die zo is gegroeid’, vertelt hij. 'Meestal worden we ontvangen door de premier of de minister van Buitenlandse Zaken van de betreffende lidstaat. We bekijken de agenda van het voorzitterschap, leggen die naast de onze en kijken waar we kunnen samenwerken.’
De dialoog met kerken is meer dan alleen die tweejaarlijkse seminar, vertelt Jorge Cesar das Neves, sinds 2,5 jaar adviseur bij het Bureau van Europese beleidsadviseurs (BEPA), de opvolger van de denktank van Delors. Dat opvallend onbekende bureau (weinig ambtenaren, noch Wikipedia hebben er van gehoord) adviseert de president van de Europese Commissie over economische, sociale en politieke kwesties en organiseert de dialoog met religies. 'We organiseren ieder jaar in mei een ontmoeting tussen de leiders van de unie en die van de drie monotheïstische religies’, vertelt Das Neves. 'Bovendien houden we een debriefing na iedere top van regeringsleiders voor álle religieuze en niet-confessionele organisaties.’
KERKEN MOETEN DUS wel veel invloed hebben, zou je bijna denken, met zoveel politieke aanwezigheid, zo'n historische rol van betekenis en al die regelmatige dialogen. Toch lijken ze op het eerste gezicht alleen maar nederlagen te lijden. Turkije is officieel kandidaat-lid, iets wat de paus nooit heeft gewild; de grondwet - en later het verdrag van Lissabon - maakt geen melding van joods-christelijke wortels; stamcelonderzoek wordt gesubsidieerd; vrouwen hebben recht op abortus en anticonceptie; en homo’s worden beschermd tegen discriminatie.
'Kerken zijn niet zo invloedrijk als wel eens wordt beweerd’, zegt Pieterjan de Vlieger. Hij doet promotieonderzoek naar de christelijke lobby in de Europese politiek aan de Vlaamse Universiteit van Brussel. 'De grote, ethische dossiers kunnen ze niet domineren. Maar de kleinere kwesties die hun persoonlijk aangaan vaak wel. Zo hebben ze op tal van wetten een uitzondering weten te bemachtigen, zoals op het verbod op discriminatie - vrouwen en homo’s mogen nog steeds geen priester worden.’
Jorge Cesar das Neves doet zijn best te verduidelijken dat de Europese Commissie niet alleen met kerken praat: 'Je vergist je als je denkt dat we meer met religieuze dan met andere organisaties praten.’ Hij begrijpt wel waar de vraag vandaan komt: 'We zijn vroeger veel bekritiseerd als zouden we een doorgeefluik zijn voor kerken. Maar onze dialoog met religies is echt maar een element in ons contact met het brede maatschappelijk middenveld.’ Moeilijker te ontkennen is de voorkeursbehandeling van christelijke in vergelijking met andere religieuze organisaties. Waarom is dat? 'Omdat we in Europa zijn’, verklaart Das Neves nuchter. 'Als we in Pakistan waren zouden we hetzelfde met de islamitische gemeenschap doen. We willen ook niet blijven steken in politieke correctheid.’ Maar, is hij gebrand eraan toe te voegen, in principe heeft iedereen het recht op zo'n seminar: 'Dat ze die niet opeisen ligt aan een gebrek aan organisatie. Vorig jaar hadden wij budget klaarliggen voor een seminar met de humanisten, maar zij hebben toen afgezegd. Noch de humanisten, noch de joden, noch de moslims zijn georganiseerd in de mate waarin de christenen dat zijn’, zegt hij. 'Het is hun eigen schuld.’
Het lijkt dus allemaal mee te vallen. Sorry Dan Brown, de kerken hebben de touwtjes niet in handen. Maar invloed hebben ze zonder meer. Is dat erg? Nee. Sterker, belangengroepen kunnen een waardevolle, democratische rol spelen als doorgeefluik tussen groepen burgers of bedrijven met eenzelfde overtuiging en de verre politiek. Er zijn er meer met invloed. Na Washington is Brussel de grootste lobbyhoofdstad ter wereld. Geschat wordt dat een kleine twintigduizend mensen elke dag betaald worden om aan mouwen te trekken. In zekere zin houdt het systeem zichzelf in balans: tegenover de ene boodschap staat wel weer een andere.
Maar het systeem is partijdig - en daardoor niet in balans. Het bevoordeelt kerken boven wereldse ngo’s en - de facto - de christelijke boven de niet-christelijke. Logische verwachting is daarom dat zij meer invloed zullen hebben dan bijvoorbeeld Greenpeace. Niet omdat ze meer aanhangers hebben, of simpelweg meer geld, maar omdat ze speciaal worden geacht. Dat is historisch zo gegroeid. 'Onder erkenning van hun identiteit en specifieke bijdrage’, zoals het verdrag van Lissabon zegt. Is dát erg? Het is in ieder geval ondemocratisch. En het lijkt op z'n minst gerechtvaardigd die vanzelfsprekendheid eens ter discussie te stellen.