De hulpverlening in de binnenlanden van Afrika

God in Congo

Ontwikkelingswerkers stuiven nu in goed gekoelde jeeps door de stoffige binnen landen van Afrika. Ontwikkelingswerk is een carrière, met een goed salaris en doorgroei mogelijk heden. Nog geen mensenleven geleden zag de hulpverlening er heel anders uit.

Het is 1946 als de 25-jarige Otto de Nobel voet aan wal zet in Belgisch Congo. Tijdens de boottocht die twee weken duurde heeft hij de traditionele evenaarsdoop ondergaan: op het dek werd hij ten overstaan van alle passagiers, waaronder enkele Belgische gewestbeheerders en een groep Britse dames, ingezeept. Gekleed in hemd en korte broek werd hij onder luid gejoel weer afgespoeld.

De boot legt aan in Matadi en vandaar reist De Nobel per trein en raderboot naar Elizabethville, provincie Katanga. De hitte is drukkend, de lucht bewolkt. Hij doet ruim twee weken over de reis. «Kun je fietsen?» is de eerste vraag van de Belgische bisschop. Ja, is zijn antwoord. «Dan stuur ik je naar Mufunga, want daar moet je het werk per fiets doen.» Mufunga is een dorpje in de brousse, vierhonderd kilometer verwijderd van de stad. De Belgische pater daar is net overleden aan een overdosis kinine. En zo komt deze jonge benedictijner monnik terecht in het donkergroene hart van Afrika, waar hij zeventien jaar van zijn leven zal doorbrengen.

Belgisch Congo werd door koning Leopold aanvankelijk bestuurd alsof het zijn persoonlijk bezit was. Maar onder internationale en binnenlandse Belgische druk was de koning gedwongen de ijzeren greep op zijn Afrikaanse territorium los te laten, en in 1908 werd Belgisch Congo een gewone kolonie. Ook al was dit een verbetering vergeleken met het brute bewind van koning Leopold, de nadruk van het Belgisch bestuur lag nog voornamelijk op exploitatie van rijke grondstoffen. Wel werd een begin gemaakt met het organiseren van gezondheidszorg en onderwijs voor de plaatselijke bevolking. Hierin speelde de missie een aanzienlijke rol. In 1960 werd Belgisch Congo onafhankelijk.

Otto de Nobel, Haarlemmer en de derde zoon van ouders «die geloofden in het hogere», bezoekt op zijn zestiende met vrienden een lof in de rooms-katholieke kerk. Zijn belangstelling is gewekt. «Die diensten waren heel goed verzorgd: sober, plechtig. Er werd alleen gregoriaans gezongen, ook door het volk», herinnert De Nobel (87) – grote hoornen bril, mager gezicht, vrijmoedige blik – zich. Na gesprekken met de kapelaan besluit hij dat hij gedoopt wil worden. Zijn ouders sputteren tegen: «Ze waren bang dat ik er later spijt van zou krijgen, en hen dan verwijten zou maken.» Maar hij zet door en wordt gedoopt.

Een paar jaar later maakt hij een fietstocht door België. In de buurt van Brugge komt hij langs een benedictijner abdij. Hij klopt aan, spreekt met de paters en woont missen bij. Aangenaam getroffen door de opgewekte sfeer, de indrukwekkende kerk met zeven kapellen en de plechtige vieringen van de eucharistie realiseert De Nobel zich dat hij hier thuishoort. Hij is dan negentien jaar.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarin de Duitsers de abdij in beslag hebben genomen, legt hij zijn Grote Gelofte af. Een paar jaar later wordt hij in Brugge tot priester gewijd. Buiten loeit het luchtalarm. Na de bevrijding door de geallieerden wordt hij bij de abt geroepen. Die deelt hem mee dat hij naar Congo wordt gestuurd: «In die tijd werd niet om je mening gevraagd, je ging gewoon.»

«Trek de wereld in tot zijn uiterste grenzen, en geef door aan anderen wat ik gezegd en gedaan heb», zou Jezus hebben gezegd. En dat is wat de katholieken gedaan hebben. De Angelsaksische monnik Willibrord, stichter van de Nederlandse kerk, reisde in 690 met twaalf gezellen naar de Lage Landen om daar in navolging van Jezus de blijde boodschap te verkondigen. Na de ontdekking van de Nieuwe wereld in 1492 trokken afgevaardigden van de katholieke kerk met wereldveroveraars mee om het evangelie te verkondigen. En toen in de negentiende eeuw de westerse, christelijke mogendheden de rest van de wereld verdeelden, stonden de missionarissen klaar om in hun kielzog het christendom te brengen.

In de periode tussen de twee wereld oorlogen beleefden de Nederlandse katholieken hun «groote missie uur»: er waren toen meer dan zesduizend Nederlandse missionarissen in de wereld te vinden. Dit aantal groeide tot bijna negenduizend in de jaren zestig. Eén op de tien missionarissen in de wereld had de Nederlandse nationaliteit. Ze zaten overal: van Alaska tot de Salomonseilanden, van Vuurland tot Tanzania.

Als Otto de Nobel met de auto in Mufunga arriveert, is de nacht al gevallen. Hij ziet enkel een paar olielampjes. In het licht van de nieuwe dag ziet hij waar hij terecht is gekomen: een enorme bergwand aan één kant, palmbomen, hutten met daken van stro. Nieuwsgierige dorpelingen verzamelen zich om hem heen: «Ik sprak alleen nog maar min of meer de taal van de stad: Swahili, en niet de lokale taal Kisanga. Die ben ik gaan bestuderen, ik wilde zo snel mogelijk met de mensen kunnen praten.»

De overste van de missiepost, die uit zeven blanke broeders en een gemeenschap van zeven blanke zusters bestaat, geeft De Nobel een heldere taakomschrijving: het bezoeken van de negentig dorpen in de omgeving om de inheemse christenen te helpen. Hij krijgt een oude Ford tot zijn beschikking, maar daarmee kan hij niet alle dorpen bereiken. Hij moet veel per fiets of te voet reizen. En als een deel van het land rond Pasen onder water stroomt, bezoekt hij de dorpen varend in een uitgeholde boomstam.

In het begin verloopt het contact met de dorpelingen stroef. Maar al gauw wint hij hun vertrouwen en stellen ze zich open naar hem op. De Nobel predikt het evangelie en praat over de vriendschap met God: «Ik vond het fijn om de mensen te helpen met hogere dingen bezig te zijn.» Maar ook aardse zaken zoals het verbouwen van maïs en het kiezen van de juiste voeding komen aan de orde. De Nobel houdt van de eucharistie in de «primitieve gebouwtjes met strooien daken». Mensen reageren meteen op zijn woorden, steken hun vinger op als ze iets niet begrijpen: «Niet zoals in Nederland, waar iedereen maar een beetje stil zit te luisteren.»

Op een dag wordt een dorpeling tot priester gewijd, maar de mensen willen bij De Nobel biechten: «Dat was pijnlijk. Ik zei: ga nou naar jullie dorpsgenoot. Nee, zeiden de mensen, we zijn aan jou gewend.» Die hang naar het vertrouwde, het bekende, komt hij overal tegen: «Kwisibila, gewend zijn aan, dat hoorde je om de haverklap in Congo.» Wanneer de bewoners uit een klein dorpje in de omgeving klagen dat ze maar één soort gewas te eten hebben, vraagt De Nobel hun waarom ze niet gaan vissen in een verderop gelegen meer. «Kwisibila: dit zijn we gewend. Dan was je uitgepraat.»

Het werk is zwaar, vooral het reizen trekt een zware wissel op De Nobels krachten: «Ondanks de kinine kreeg je elk jaar wel een paar keer malaria. Dat klinkt misschien gek: maar dan was ik bijna blij omdat ik dan even rust kon nemen.» Na acht jaar gaat hij op verlof naar Nederland, maar hij is blij wanneer hij weer terug naar Congo mag: het Europese leven is hem te massaal en te luidruchtig. Dit keer neemt hij de trein vanuit Angola naar Congo: «Dat waren prachtige treinen, nog helemaal geleid door Portugezen. Die gingen heel goed om met de Angolezen. Dat merkte je al aan de manier waarop ze elkaar groetten. Tussen Belgen en Congolezen was meer afstand. De Belgen vertegenwoordigden toch echt het blanke gezag. Dat overigens wel veel vertrouwen genoot.»

Tijdens zijn tweede verlof blijkt De Nobel uitgeput. De vele malaria-aanvallen, de geelzucht en het werken in de moordende Afrikaanse hitte hebben veel van hem gevergd. Teruggaan naar Congo is uitgesloten. Maar aan de strakke dagorde in de abdij kan hij ook niet meer wennen. Dan maakt hij de moeilijke keuze om uit de orde te stappen. Hij vraagt dispensatie aan in Rome. Hiervoor moet hij naar een psy chiater én een psycholoog: «Om te kijken of ik ze wel allemaal op een rijtje had.» Dat levert geen problemen op: hij krijgt toestemming van de hoogste instanties van de katholieke kerk om de abdij te verlaten. Niet lang daarna trouwt hij met een vrouw, een ex-kloosterlinge, die hij al een groot deel van zijn leven kent en met wie hij is blijven corresponderen. «Trouwen moest in stilte gebeuren: het huwelijk zou ergernis kunnen opwekken bij gelovige mensen. Want een priester die met een non trouwt, dat kon natuurlijk niet», aldus De Nobel.

Missieposten als die in Mufunga zijn van groot belang geweest voor de huidige hulporganisaties. Missionarissen spraken de taal en kenden de behoeften van de mensen. De nieuwe ontwikkelingswerkers hebben een groot deel van het werk van de missie over genomen. Dat betekent overigens niet dat missionarissen zijn uitgestorven: de Vaticaanse congregatie voor de Evangelisatie van de Volken telde in 2004 nog 85.000 geestelijken die als missionaris werkzaam waren. De meeste van hen behoren echter niet meer tot de jongste en spelen een rol op de achtergrond. Mensen uit het eigen land zijn hen opgevolgd: als bisschop, parochiepriester, schoolhoofd of verpleegkundige. Maar ook als missionaris: de voormalige missiekerken zenden nu zelf geestelijken uit. Zo stuurt de Indiase kerk missionarissen naar Afrika en Azië, vind je Indonesische missionarissen in Haïti en zijn Afrikanen op missie in Nederlandse grote steden.

In de tijd van Otto de Nobel zaten er nog geen ngo’s in Congo: «Dat was ook nog niet nodig: in mijn tijd waren geen grote rampen of oorlogen. Afgezien van die opstand van aanhangers van Lumumba. Maar dat was meer dan honderd kilometer bij ons vandaan.» Dat nam niet weg dat er voor de missie voldoende werk was op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs: mensen hadden te weinig te eten, waren veel ziek en genoten nauwelijks onderwijs. Volgens De Nobel is het grootste verschil tussen de missie en de ontwikkelingswerkers van vandaag, het geestelijke aspect van de missie. Maar, zegt hij: «Geestelijke hulp kan nooit zonder materiële hulp, want wat moet je met een bijbel als je honger hebt?»