God is geen flippo

Onder het motto ‘Nix of inspiratie’ debatteerden dinsdag 16 mei wetenschappers en kunstenaars in de Utrechtse Janskerk over de ‘come-back van het geloven’. Onzin, God is niet terug, preekte Rob van Erkelens bij die gelegenheid. Hierbij een bewerkte versie van zijn betoog. De kerkgalm moet de lezer er zelf bij denken.
IN HET VOORWOORD van het programmaboekje schrijft de aanstichter van dit debat, de oecumenische studentenvereniging EUG: ‘God mag zich weer in een stijgende populariteit verheugen. Kunstenaars van (na) de “Generatie Nix” lijken anno 1995 bezig met een “reli- revival”. Een gat in de markt, want toneelstukken, concerten en exposities met God in de hoofdrol worden goed bezocht.’

Laten we dit nog eens goed lezen. En vooral kritisch.
De zelfverzekerde stelling dat God weer populair aan het worden is, wordt onderbouwd met het argument dat kunstenaars, met name van de jongste generatie, bezig lijken met een reli-revival. Lijken, let wel. In de regel daarna wordt die hernieuwde belangstelling voor God gereduceerd tot een commerciele move, een marketingstrategie. God trekt publiek. God genereert publiciteit. God verkoopt. God is, kortom, hot.
Is die vermeende wederopstanding dan een handig verkooptrucje, een slimme produktpromotie, niet gefundeerd op de ontwikkeling van de kunst zelf of de drang van de individuele kunstenaar maar op het mechanisme van vraag en aanbod? Krijgt het publiek een beetje God en een beetje religie omdat het publiek een beetje God en een beetje religie wil?
Hoe weinig deze openingsalinea zegt, bewijst de inwisselbaarheid van ‘God’ en 'reli’. Vervang 'God’ door, bijvoorbeeld, 'geweld’: 'Geweld mag zich weer in een stijgende populariteit verheugen. Kunstenaars van (na) de “Generatie Nix” zijn bezig met een “geweld-revival”. Een gat in de markt, want toneelstukken, concerten en exposities met geweld in de hoofdrol worden goed bezocht.’
Dit lijkt me geen onware bewering. Probeer het nu zelf eens met 'seks’ of 'racisme’. Klopt eveneens. Zelf vind ik deze erg geslaagd: 'Prei mag zich weer in een stijgende populariteit verheugen. Kunstenaars van (na) de “Generatie Nix” zijn bezig met een “groente-revival”. Een gat in de markt, want toneelstukken, concerten en exposities met prei in de hoofdrol worden goed bezocht.’
De manier waarop hier een trend in het leven wordt geroepen is een mooi voorbeeld van de oppervlakkigheid van onze postmoderne cultuur. Als je maar hard genoeg roept dat iets een trend is, gaan de mensen je vanzelf geloven. Een trucje. Zo is deze tijd - een tijd van trucjes, marktmechanismen en public relations.
Maar religie is toch geen rage? God is toch geen flippo? Na mijn (katholieke) doop heb ik nooit meer een kerk van binnen gezien. Als ik Gods naam hoor, moet ik altijd denken aan hetzelfde. Goedertierenheid? Nee. Scheppen? Nee. Oorlog? Wreedheid? Ook niet. Als ik de naam 'God’ hoor, denk ik steevast aan Mijnheer Dominee Van den Bank, mijn leraar godsdienst op de middelbare school.
WIJ VERHUISDEN ZO'N beetje elk jaar, en verstopten ons telkens verder in de Nederlandse bossen. Na de zoveelste verplaatsing kwamen we op de Veluwe terecht. Daar waren toffe bossen om in te wonen. Men gelooft in die streek nog ouderwets in God, en geeft onderwijs in Zijn Naam. Ik bezocht dus het Christelijk Streeklyceum.
Dat vond ik prima. Ik heb nooit ergens in hoeven geloven. Het Streeklyceum was een goede school en inderdaad heb ik daar kunnen leren wat ik wilde leren. Maar al snel werd me de verstikkende sfeer duidelijk waarin de kinderen daar moesten opgroeien. Ik heb in die jaren de meest verwrongen gezichten gezien, jongens en meisjes die bleek en trillend van gereformeerdheid door de gangen huiverden. Dochters van zwarte-kousendominees ontpopten zich onvermijdelijk als nymfomane loeders.
Ik zat in de klas bij kinderen uit dorpen en gehuchten uit de omgeving, kleine doorgecatechiseerde gemeenschappen waar incest aan de orde van de dag was, videotheken meer porno verhuurden dan knokfilms en waar mensen hun tv- toestellen verstopten achter eikehouten deurtjes in eikehouten kasten. Op zondag trok men in een grote stoet naar een van de tientallen kerken in de omgeving die het preken van hel en verdoemenis hoge prioriteit gaven. In ordelijke rijen liepen ze op straat, de godvruchtige families. De dochters hadden hoedjes op en droegen lange rokken en handschoentjes. De jongetjes hadden een pak aan. Met een stropdas, ook al waren het blagen van zes. Al die kinderen keken of ze pijn hadden. Vader en moeder sisten dat ze moesten doorlopen.
Ik moest denken aan het bos rond ons huis en de herten die er liepen. Altijd was ik vrij geweest, nooit had ik me ergens aan hoeven onderwerpen en ik hoefde me niet aan regels te houden die door een of andere vage 'hogere’ instantie waren gesteld. Ik had alles, mocht alles en deed alles. Daarom kreeg ik de schrik van mijn leven toen ik mijn klasgenoten zag. Ik schrok van hoe ze keken. Van hoe oud ze leken. Er was iets in hun gezichten dat ik nooit eerder had gezien: angst voor iets ongrijpbaars. Gereformeerde angst. En op een of andere manier werd ik geinfecteerd. Met die angst.
Ik was zo'n beetje de enige die niet met den Bijbel was grootgebracht. Elke keer als de naam van God viel, stierf ik duizend doden. Op een of andere onverklaarbare manier had ik namelijk het idee opgevat dat ik niet op school zou mogen blijven als men zou ontdekken dat ik niet christelijk was, dat ik nooit naar de kerk ging en eigenlijk erg veel plezier in mijn leven had. In tegenstelling tot de meesten van mijn klasgenoten zag ik er gezond uit, lachte veel en leidde een onbekommerd bestaan. Naar school gaan vond ik leuk, en ik hield van leren. Tot de derde klas heb ik echter in doodsangst geleefd, de volstrekt ongegronde angst dat mijn atheisme zou worden bestraft met van school weggestuurd worden. Zo besmet was ik geraakt.
In de derde klas veranderde er echter iets. Meneer Van den Bank ging weg en we kregen godsdienst van een of andere maatschappelijk bevlogen leraar. Geen dominee, geen strenge man, maar een doetje. Van de ene dag op de andere werd ik van mijn vrees verlost. Sterker nog: luidkeels stelde ik wie het maar horen wilde op de hoogte van het feit dat ik nergens in geloofde, dat God niet bestond en dat als ze ergens in wilden geloven er nog minstens honderd andere religies waren dan alleen die christelijke van hen.
Ik voerde lange gesprekken met mijn klasgenoten, omdat ik nieuwsgierig was naar hun motivatie om wel een hogere macht te accepteren in hun leven en zich daar zelfs aan te onderwerpen. Maar hoe ik ook luisterde, nooit heb ik kunnen begrijpen wat hen dreef, waar ze het vandaan haalden, die totale, vrijwillige onderwerping aan een metafysische kracht, die hen zelden vreugde of genot maar altijd ellende en frustratie schonk. Op de dag dat een vriendin van me stierf aan een hartaanval en een of andere docent meldde dat 'God het zo gewild had’, haakte ik af en vervloekte mezelf om alle aandacht die ik had geschonken aan zoiets onmenselijks als het protestantse geloof.
Dat was vroeger. En dit is nu. Meneer Van den Bank is van zeventien jaar geleden. De wereld is sindsdien nogal veranderd. Ik heb veel geleerd van die jaren van reli- terreur. Niet alleen heb ik me noodgedwongen verdiept in theologische kwesties, heb ik leren nadenken en meningen vormen, maar ook heb ik kunnen vaststellen dat het geen enkele zin heeft om jonge mensen en masse te verplichten in God te geloven. Daar worden ze voornamelijk paranoide van. Het heeft geen enkele zin kinderen te straffen wanneer ze zich niet schikken naar de wetten van een hogere macht die ze niet eens begrijpen. Het heeft geen enkele zin een collectieve levensbeschouwing na te streven of erin te meppen. Dat werkt niet. Daar worden mensen heel erg raar van.
Dat in de middeleeuwen iedereen in God geloofde en zich kritiekloos aan de dogma’s van de kerk hield, is niet zo vreemd. Middeleeuwers waren onmondige, beperkte mensen die weinig wisten en niet verder zagen dan hun neus lang was. Het accepteren en onderhouden van een geloof, inclusief de almacht van de kerk, zal ze dan ook geen enkele moeite hebben gekost. Zonder God waren de mensen niets.
Hoe anders dat in deze tijd is, hoe weinig de religie van nu te maken heeft met die van vroeger en hoezeer God zelf heel Iemand anders is dan in het verleden, bleek tijdens een voorleesmiddag op een Vrije School, waar op min of meer antroposofische basis wordt lesgegeven. Ik las voor en praatte met leerlingen, vooral over zingeving, geloof en levensbeschouwing. Toen ik vroeg wat religie ze zei, en hoe zij omgingen met geloof en godsdienst, gaven ze een antwoord dat ik exemplarisch vind voor deze tijd. Wij hebben, zeiden ze, zo'n goed en breed overzicht ontwikkeld van wat er overal op de wereld wordt gedaan en gedacht, dat we volkomen andere mensen zijn dan onze ouders. De wereld is klein geworden. We weten ontzettend veel, we zien overal ook meteen het tegendeel van, we hoeven ons al lang niet meer beperkt te voelen tot het land waar we wonen of de cultuur waarin we zijn opgegroeid. Ook wat religie betreft zijn we wereldburgers, leven we in een global village. Hier bestaan zoveel culturen en godsdiensten naast elkaar dat je niet kunt spreken van 'de godsdienst’ van Nederland. Van jongs af aan zijn we in contact gekomen met zeer uiteenlopende levensbeschouwingen die voor onze ouders nog exotisch waren. Het boeddhisme, of de islam, of Baghwan is voor ons net zo gewoon als het christendom. Het zijn allemaal religies, allemaal met zinnige en onzinnige elementen. Wij weten oneindig veel meer van al die verschillende culturen in de wereld - en in onze eigen straat - dan vorige generaties.
De leerlingen vertelden vervolgens dat ze hun levensbeschouwing of geloof bij elkaar sampleden. Ze namen een paar elementen uit het ene geloof, combineerden die met wat thema’s uit het andere, voegden er wat snufjes katholicisme en een toefje New Age aan toe, drapeerden dat alles op een bedje van antroposofie en construeerden zodoende een strikt individueel stelsel van normen, waarden en overtuigingen. Dat beschouwden zij als de enig mogelijke manier van geloven in deze tijd. Bij het bouwen van hun persoonlijke, eclectische spiritualiteit zou het onzinnig zijn zich te beperken tot wat de cultuur van hun 'vaderland’ (ook al zo'n achterhaald begrip) al eeuwenlang te bieden had.
Niet alleen is het verschil tussen die individualistische spiritualiteit van nu en het collectief geloven van vroeger significant, we moeten ook vaststellen dat we niet meer terug kunnen. De 'vooruitgang’ heeft ons bestaan elke metafysische context ontnomen en ons ego tot zulke immense proporties opgeblazen dat we eenvoudig te groot zijn geworden voor God. Sterker nog, God mag zijn handen dichtknijpen dat Hij nog steeds relatief veel fans heeft. Zonder de mensen is God niets.
Wij zijn geen mensen meer voor massale overtuigingen of collectieve dogma’s. Geloven zoals Meneer Van den Bank propageerde, past niet meer bij deze tijd. Het cliche dat televisie, video en het Internet de wereld in onze huiskamer brengen, is geheel waar. We worden steeds individueler, steeds internationaler, steeds eclectischer. En steeds meer gefragmenteerd. Als we een geloof hebben, is dat een gefragmenteerd geloof.
MAAR TERUG NAAR DIE 'reli-revival’ in de kunst. In de tweede alinea weet de programmafolder van deze dag opgetogen te melden: 'Ook religieuze thema’s binnen de kunst kunnen weer. Van “Gebed in Schoonheid” tot Gregoriaanse House: alles wijst op een culturele reli-revolutie.’
De revival is hier al een revolutie geworden, toe maar. (Ik zie meteen bewapende gelovigen voor me, die met hun Theater van het Credo een 'Geloof of ik schiet’-voorstelling brengen.) Wat die 'Gregoriaanse House’ aangaat: bij mijn weten zijn er een stuk of twee gezellige dansplaatjes gemaakt waar wat monnikenstemmen doorheen waren gemixt. Om op basis daarvan te verkondigen dat 'alles wijst op een culturele reli-revolutie’ vind ik vrij opportunistisch. Ik heb me laten vertellen dat op de KunstRai niet een werk te vinden is waarin God een hoofd- of bijrol speelt.
Wel is het zo dat het, in tegenstelling tot de jaren tachtig, niet meer raar wordt gevonden als kunstenaars unverfrohren voor hun geloof uitkomen. Maar dat religie weer 'kan’, wil niet meteen zeggen dat er in de huidige cultuur een wedergeboorte is van God of het geloof. De 'religie van de toekomst’, met de snelst groeiende schare ontvankelijken, is op dit moment de New Age-beweging, wat een stupide, bedroevende, mega-egoistische en gevaarlijke onzinreligie is. Inhoudelijk is zij niet te betrappen op een enkele intelligente gedachte, maar ze weet buitengewoon sluw in te spelen op meer of minder latente gevoelens van onzekerheid. Een 'reli-revival’ moet niet worden verward met het handig commercieel uitbuiten van onderhuidse angst en twijfel in de samenleving. In de middeleeuwen, toen Hij nog leefde, was God de tong in de mond van de kunstenaar. Tegenwoordig kent de scheppende mens geen grote metafysische motor meer achter zijn handelen. Hij spreekt nog slechts namens zichzelf, en zijn werk staat alleen in dienst van hemzelf. Daarbij is niets anders dan de persoonlijke ervaring uitgangspunt voor de creatieve handeling. Dan wordt, behalve de rede, ook inspiratie weer een serieus onderdeel van het scheppingsproces, dat moment waarop de kunstenaar een 'sublieme ervaring’ heeft.
Het postmodernisme was bij uitstek het tijdperk van de ratio en de beheersing. In postmoderne kunst heeft het denken prioriteit, zijn het concept en het idee fundamenteel - een apollinische aangelegenheid derhalve. In een volgende fase in de kunst - we moeten immers verder - wenden we ons tot de andere kant van de dialectiek, naar de inspiratie, het sublieme, de roes. We zullen Dionysos omarmen, de muze innig tongzoenen en - heel romantisch, heel ouderwets - het scheppende genie weer als uitgangspunt van alle kunst zien, die hyperindividuele kunstenaar die leeft voor en van zijn momenten van inspiratie.
Een dergelijke, bijna mystieke, ervaring ligt ver voorbij de rede en de beheersing. Zij is niet van de orde van het denken maar gaat in eerste instantie het lichaam aan. In een tijd waarin God nog steeds morsdood is, zou je kunnen spreken van een 'atheistische mystiek’. Als de kunstenaar, in mijn geval de schrijver, bereid is risico’s te nemen en de beheersing op het spel te zetten, kan er iets in het schrijven gebeuren dat hem uit zijn ironische, postmoderne verstarring haalt. Door een literaire vorm te geven aan de sublieme ervaring, kunnen de tweedehands woorden opnieuw betekenis krijgen en als voor het eerst worden uitgesproken.
DIT IS NIET MEER de tijd voor doen-alsof. Een eventuele 'reli-revival’ heeft volgens mij niets te maken met een of ander gat in een of andere markt, maar alleen met de individuele oprechtheid en gedrevenheid van de kunstenaar. Enige tijd terug had ik het voorrecht een bijna hadewychiaanse, verbijsterende ontmoeting te hebben met de Zoon van God. Het was tijdens een LSD-trip die slecht begon en alleen maar nog slechter werd. Die Zoon maakte door zijn stralende verschijning een eind aan de martelende hallucinaties waardoor ik tot stikkens toe werd geplaagd.
Het was ergens in een herfstnacht, geloof ik, maar het had ook voorjaar kunnen zijn. Die nacht verscheen De Zoon aan mij, plotseling, op een moment dat ik de afschuwelijkste dingen zat te hallucineren en onophoudelijk huilend in een hoek van de kamer probeerde weg te kruipen. Ergens om mij heen, in die zeker zevendimensionale ruimte vol kleuren, geluiden en tranen, hoorde ik de muziek die aanstond. Een klaaglijke stem zong: 'There is no one left in the world that I can hold on to. There is really no one left, you are the only one.’ Wat bedoeld was als een eenvoudig liefdesliedje, begon in mijn geteisterde hoofd te tollen en te galmen en te echoen en stilaan zelfs zichtbaar te worden. De woorden namen kleuren aan - dat gebeurt met LSD - en het herhaalde 'you are the only one’ zag ik in een diepgrijze verte gestalte krijgen. Van heel ver kwam een ronde vorm op me toe, een lichte vlek in die overmaat aan donkerte. De tranen - angst, pure angst - rolden iets minder snel dan tevoren over mijn wangen, en ik voelde een warme gloed door mijn lichaam gaan.
Op het moment dat de vorm mij zo dicht was genaderd dat ik hem kon herkennen, was ik opgehouden met huilen en janken en gillen en schreeuwen, en ik haalde diep adem. Ik zag iets, heel helder. Ik zag een gezicht, een mooi en vriendelijk gezicht. Met een doornenkroon op. Nooit had ik verwacht dat alle cliches zo dicht de werkelijkheid benaderden, want dit was pure werkelijkheid, hoe hallucinerend ook: ik zag het gezicht van Jezus Christus, de Mensenzoon. Hij keek me van dichtbij aan en glimlachte vriendelijk naar me. Hij had stralend witte tanden en precies zo'n goed onderhouden baard als op alle plaatjes. Jezus Christus glimlachte naar me. Naar mij, die zich probeerde te verschuilen achter een gordijn van tranen.
Mooi lachen heb jij, dacht ik. Jij zit niet in een hoekje niet-bestaande maar uiterst werkelijke slangen van je af te slaan. Jij zit je niet te verstoppen voor gruwelijke monsters die van alle kanten op je af glibberen. Je zou eens hier moeten zitten, jongen, dan zou je wel anders piepen.
Maar terwijl ik dat dacht, voelde ik de angst uit me wegglijden, de angst die me al uren aan een stuk de keel dichtkneep. Het donker werd licht, het gezicht straalde helderheid uit. De glimlach van Jezus Christus was een zacht en kalm zoemen, en de schitterende blauwheid van zijn ogen gleed mijn lichaam binnen en bracht de opgefokte carrousel van angstbeelden tot stilstand. Ik keek naar dat gezicht, en het gezicht met de doornenkroon keek terug. Zijn ogen straalden licht uit, en rust, en hoop. Hoop, dat was het. Op de achtergrond, ergens in die onbegrijpelijke ruimte om mij heen, fluisterde de stem nog steeds: 'There is no one left in the world that I can hold on to’, en ik wist dat dat waar was. Ik voelde tot in mijn botten dat er hoop was, dat hij met die hoop iets te maken had, en dat hij het waanzinnige tollen van al mijn onzichtbare angsten zou kunnen stoppen. Ik stond op, nam een douche en ging naar bed. Met het gezicht nog voor me, dat vriendelijke, glimlachende gezicht, gleed ik weg in een stille, stille slaap. Natuurlijk heb ik dit aan niemand durven vertellen. Maar het was een sublieme ervaring, een moment van ongekende inspiratie. Mijn persoonlijke reli-revival.
En dat is wat het is. Een echte reli-revival zal er niet komen. God is geen flippo. Er zullen niet meer mensen gaan geloven. Ze zullen zich misschien minder gaan schamen om toe te geven dat ze ergens in geloven. En dat is goed. God interesseert me niet wezenlijk, geloof of religie ook niet. Als kunstenaar en als mens is er echter een ding dat ik als uitgangspunt wens te nemen van mijn leven en werken. Dat is bezieling.
Kunst moet bezield zijn. De kunstenaar een gepassioneerd mens, die risico’s neemt, die zich wil opofferen als dat nodig is, die zichzelf durft te verliezen, die alles wat hij heeft en is in dienst durft te stellen van dat hogere doel: zijn schepping. Zijn uiterst individuele creatie, die van hemzelf en voor hemzelf is. Het werk waarin hij zijn wezen laat spreken, waarin zijn eigen obsessies een vorm krijgen. Het werk dat tot stand komt door - heel ouderwets, heel romantisch - bezieling.
Op het moment dat ik het hardst troost nodig had, midden in een angstwekkende bad trip, kreeg ik die ook. Dat ik daarvoor het in mijn cultuur bestaande clichebeeld van de Trooster gebruikte, zegt niet zo veel. Het had net zo goed Boeddha of Shiva kunnen zijn, of hoe heten ze allemaal. Ik zal nooit in Jezus Christus of iemand anders uit die familie geloven. Het was gewoon handig dat Hij even Zijn gezicht liet zien.