Ik ben een dromer en wanneer ik mijn dromen vertel doe ik meestal net of die verhalen echt gebeurd zijn. Dat is natuurlijk meestal niet waar, maar soms gebeuren mijn verhalen in een verre toekomst. Dan zijn het voorspellingen. Dan is de droom een vooruitziende blik.

Sommige mensen vertellen mijn verhalen na en doen dat verkeerd. Het is alsof ze er hun eigen verhaal van willen maken, terwijl het mijn verhaal is.

Als het een enge droom was zeg ik dat het niet echt is gebeurd omdat het een droom was. Ik wil niemand bang maken, maar andere mensen willen dat wel, die maken van mijn nachtmerries een griezelige waarheid die ons door de goden in de oren is getoeterd. Ik geloof niet dat de goden ons die malle dromen influisteren, ik denk dat wij dat zelf doen. We maken een verhaal van onze levensangst. Als ik slaap denk ik meestal als een vrolijke aap, maar soms als een griezelige slang en dan word ik bang.

Ik ga mijn verhaal vertellen omdat ik daarna een enge droom kwijt wil. Die droom spookt almaar door mijn hoofd en daar word ik bang van omdat ik door die droom God ben kwijtgeraakt. Misschien gaat dat over wanneer ik mijn droom onder woorden breng, maar dat gebeurt pas aan het einde van dit verhaal. Ik ga eerst vertellen wat ik allemaal echt heb beleefd, dus heb geduld.

Ik heet Sarai. Ik kom uit het buitenland en ik moest daarom mijn naam veranderen, want hier hebben ze het moeilijk met de i achter de a. Ik heet hier Sara, want je moet je aanpassen. Mijn man is tegelijkertijd mijn halfbroer, wij hadden dezelfde vader, maar dat geeft niks, want een halfbroer is heus wel een man, daar gaat niks vanaf. We hadden bovendien twee verschillende moeders dus dat maakt alles goed. Mijn man heette Abram, maar hier kun je zo niet heten want dan horen ze de hele tijd dat je een buitenlander bent. Je moet laten horen dat je je thuis voelt, want anders kijken ze op je neer. Hier heet hij Abraham. Die ‘ah’ moest ertussen. Soms moet er iets tussen, soms moet er iets weg, want ze kijken op je neer als je de verkeerde naam hebt.

Maar het kan nog erger. Je moet je soms pijnlijk aanpassen.

In dit land moest mijn man plotseling de voorhuid van zijn lul afsnijden. Er waren drie mannen die hem dat kwamen vertellen, maar nu beweert iedereen dat dat van God moest, want als Abram dat niet deed, zou hij volgens God in Kanaän een vreemdeling blijven. In Kanaän mag je blijkbaar niet heel blijven. Er moet iets vanaf. Je moet iets kapotmaken, anders hoor je er niet bij en het moet pijn doen.

Ik ben erbij geweest toen mijn man dat hoorde en ik voelde een woede in mij opstijgen die flikkerde als een brand in mijn onderbuik. Ik was er fel tegen, want je weet nooit of zoiets engs goed afloopt. Toen ik met Abram alleen was, zei ik: ‘Als je dat gaat doen ben je een stomme gek.’ Ik probeerde het rustig te zeggen, maar ik voelde mijn adem op hol slaan en dus klonk ik als een mekkerende geit.

Abram zei: ‘Ik doe het, want God zei dat het moet. Het is een teken dat je erbij hoort, ook al kom je uit het buitenland en heb je moeite met de taal. Als je als man je voorhuid durft af te snijden, hoor je erbij, ondanks je buitenlandse accent. Je moet er kortom iets voor over hebben.’

‘Maar laat je dan aan iedereen je piemel zien?’ vroeg ik. Ik kreeg op die mooie vraag geen antwoord.

Abram dacht dat de drie mannen die hem kwamen wijsmaken dat zijn voorhuid eraf moest met z’n drieën God waren en ik durfde hem niet te zeggen dat je van mannen geen God moest maken. Ik ben soms, heel soms, een bangerik, ook al heb ik gelijk.

Iedereen zegt dat hij het liet doen, maar dat is niet waar. Hij deed het zelf! Met een dolk! Hij bloedde als een geslacht rund en moest zijn geslachtsdeel stevig inpakken om niet leeg te bloeden. Al onze herders en al onze slaven moesten besneden worden, of ze wilden of niet. Het werd een gevloek en getier waardoor God zat te sidderen op zijn troon. Hij zal die actie net zo onnodig en griezelig hebben gevonden als ik, want God en ik zijn verstandig. En luister, er is nog iets: onze God heeft een bloedhekel aan pijn, onze God is liefde. Hij heeft de pijn alleen als waarschuwing geschapen.

Wij komen uit Ur, daar zijn wij geboren, maar onze vader, die Terach heette, nam ons mee naar Charan, een stad die veel dichter bij Kanaän ligt. We woonden lang in Charan, een belangrijke stad met veel land eromheen in Mesopotamië, aan de linkeroever van de Balich, een zijrivier van de Eufraat, en we werden daar behoorlijk oud. We vertrokken pas naar Kanaän toen we ongeveer 75 jaar oud waren en we hadden nog steeds geen kind. Ik wist zeker dat er nooit een kind uit mijn buik zou komen, dus moest Abram het van mij met een andere vrouw doen. Dat deed hij dan ook met veel plezier en daar werd ik een beetje kattig van. Dat woord ‘kattig’ wordt in dit land vaak verkeerd vertaald. Dan wordt het ‘jaloers’ genoemd en ik was helemaal niet jaloers. Ik was blij met het kind uit de buik van een slavin, want dat kind werd ons kind. De slavin heette Hagar en dat wijf begon behoorlijk vervelend te doen. Abram was toen 85 en die Egyptische slavin ongeveer twintig! Zij wilde Abram hebben. Hij moest haar man worden! Wat een kreng was dat!

Ik vond het knap dat hij op zijn 85ste een kind wist te verwekken, maar trouwen met een meisje van twintig leek me onzin en onzin heeft niets met jaloezie te maken. Ze zijn dus niet getrouwd, want dat wilde ik niet en soms doet Abram wat ik zeg. Abram had wel wat meer vrouwen, maar de misselijkmakende Hagar kwam er gelukkig niet bij.

Maar nu: ik hoop dat je me kunt geloven. Er kwamen op een dag alweer drie mannen langs die beweerden dat zij alles wisten omdat ze met z’n drieën samen God waren. God was volgens die kerels dus een soort drie-eenheid. Ik vond die bewering net zo bespottelijk als de vorige keer, maar Abram trapte er opnieuw in. Hij geloofde dat hij met God sprak en hij propte die drie mannen dan ook vol met lekker eten. Ik moest brood bakken en hij liet een kalf braden, want God had een onmenselijke honger en was gek op vlees en bloed.

Daar wil ik het eigenlijk niet over hebben. Kan mij het schelen. Als de goden lekkerbekjes zijn, laat ze dan maar vreten.

Ik vertel dit verhaal hierom: ik hoorde de mannen praten en één van hen zei dit: ‘Over een jaar krijgt Sara een zoon.’ Dat was nou niet bepaald een goddelijke opmerking. Ik voelde me bespot, maar ik begon toch te giechelen.

Bram moest er nog harder om lachen dan ik. Hij vroeg op vrolijke toon: ‘Kan Sara op haar negentigste nog een kind krijgen? Dat lijkt me niet zo makkelijk. Ik heb bovendien al Ismaël, die ik bij Hagar heb verwekt.’

Dat leek mij een verstandig antwoord, maar de man die samen met de twee andere mannen God was herhaalde wat hij had gezegd. ‘Over een jaar krijgt Sara een zoon.’

Ik kon er niks aan doen, ik schoot opnieuw in de lach. Ik giechelde als een kakelende kip en daarvoor kreeg ik op mijn donder, zowel van God als van Abram. Je mag namelijk niet lachen wanneer God iets bespottelijks zegt. Dat hoort niet. Denk erom, Sarai, je mag niet lachen, je moet eerbiedig geloven in absurde kletskoek.

Wel, Abram heeft zijn best gedaan en ik ook. Wij probeerden flink te wippen, maar er kwam natuurlijk niks van, dat spreekt vanzelf. Hij kreeg hem niet omhoog en ik zat op slot, daar was niks aan te doen en toch geloofde Abram dat ik een zoon zou krijgen. Met dat soort geloof heb ik moeite, ik kon mijn oneerbiedige gegiechel moeilijk geluidloos houden, maar ik begreep dat ik ondanks alles moest zorgen dat er een zoon kwam. Hoe dan ook.

Ik kreeg een zoon, maar ik ga niet vertellen hoe ik aan die zoon kwam. Ik kijk wel uit. Jullie hoeven heus niet alles te weten, het gebeurde gewoon. Ik kreeg een zoon. Geloof nou maar in God, want dan geloof je bijna alles. Ik trommelde na negen maanden flink op mijn bejaarde buik en jawel hoor, daar was hij, het spartelende zoontje.

Op een dag zei ik tegen Abram: ‘Het is een wonder, ik ben zwanger’, en hij geloofde mij meteen, want hij is gelukkig veel geloviger dan ik. Hij geloofde in wonderen en, dat geef ik toe, het wás een wonder.

Abram dacht dat de drie mannen die hem kwamen wijsmaken dat zijn voorhuid eraf moest met z’n drieën God waren

Ik weet niet hoe het bij jullie gaat, maar bij ons slapen zwangere vrouwen niet meer met hun man, ze slapen alleen. Ze houden zich zelfs goed verborgen en dat deed ik ook. Ik verstopte mij negen maanden lang en had toen opeens een lief, spartelend kindje dat met zijn pikzwarte haar sprekend op vader Abram leek toen die nog niet grijs was. Het kindje heette Isaak, want dat moest van God en wij zijn ontzaglijk gehoorzaam.

Iedereen geloofde dat ik dat jongetje zelf had gebaard. Ik begon het zelf ook te geloven. Echt waar. Ook na de geboorte van Isaak klopte ik regelmatig trots op mijn oude buik, vooral als er mensen naar mij keken. Iedereen geloofde het, behalve één vrouw. Zij lachte mij uit. Samen met haar zoon. Ik kende die mensen, maar ik vond ze niet lief. Van hun gegiechel kreeg ik pijn in mijn oren. Het waren Hagar en Ismaël.

Het gebeurde toen Isaak drie jaar oud was en ‘van de borst werd genomen’. Zo heette dat in Kanaän. Die borst was van mij, dat spreekt vanzelf, ook al was ik stokoud. Geloof me alsjeblieft. Daar kwam melk uit, heus waar, daar mag je niet om lachen, denk erom.

Vanwege deze belangrijke gebeurtenis gaf Abram een groot feest waar iedereen er flink op los zoop, vrat en danste om te laten zien hoe blij ze waren met onze zoon. Maar toen kwamen Hagar en Ismaël naar ons toe, wezen giechelend naar mij en probeerden iedereen aan het lachen te krijgen. Het was geen vrolijke lach, ze lachten me uit. Hagar wees naar mijn grijze haar en daarna naar haar eigen grote borsten. Ik begreep wat ze daarmee wilde zeggen. Het deed pijn en die pijn wekte mijn woede.

Hagar en Ismaël waren jaloers en probeerden de mensen wijs te maken dat Isaak mijn zoon niet was en dus ook geen zoon van Abram. Hagar wilde dat Ismaël Abrams enige zoon zou blijven. Wat een schande! Wat bestaan er toch misselijke roddelaars die denken dat zij de enigen zijn die de waarheid kennen. Ik had Isaak zelf voor elkaar gekregen en op mijn manier gevoed. Eerlijk waar. Geloof me.

Toen het feest afgelopen was konden Abram en ik met elkaar praten zonder dat iemand ons hoorde. Ik zei: ‘Jaag die akelige Hagar en die misselijke Ismaël de woestijn in want ze lachten me uit. Ze deden net of Ismaël jouw enige zoon was. Weg met die roddelaars!’

Toen Abram zei dat hij daar geen zin in had, riep ik: ‘Dat moet van God, dus als je dat niet doet, ben je goddeloos.’

Hij deed het. Hij joeg ze de woestijn in en ik was van ze af.

Wij waren allebei gek op Isaak. Hij was onze zoon, we hadden hem allebei lief en toch gebeurde er iets vreselijks met hem en dat was de schuld van een van zijn ouders. Om die gebeurtenis te beschrijven ben ik aan dit verhaal begonnen. Het is een verhaal dat meer op een nachtmerrie lijkt dan op een waargebeurde gebeurtenis. En toch is het echt gebeurd. Het valt mij niet mee om het te beschrijven, want de herinnering lijkt mijn hart aan stukken te snijden, zo gruwelijk is het. Het is niet de droom die ik heb beloofd als laatste verhaal op te schrijven, die vertel ik pas na de verschrikking die nu aan de beurt is.

Geloof me, ik weet dat Abram een goede man is, maar helaas ben ik erachter gekomen dat een goede man kwaad kan doen. Verschrikkelijk kwaad. Onvergeeflijk kwaad. Het is daardoor moeilijk geworden van hem te blijven houden, bijna onmogelijk. Ik verlang naar de dood. Ik heb geen zin meer in zijn gezelschap. Ik wil hem kwijt.

Isaak was veertien jaar toen het gebeurde. Op een dag verdween hij samen met zijn vader. Ze waren weg en niemand wist waar ze waren gebleven. Ik vond het onbegrijpelijk dat Abram mij niet had gezegd wat hij ging doen. Ik wist dus nergens van en mijn radeloosheid veroorzaakte slapeloze nachten. Er waren twee ezels verdwenen en twee slaven waren zoek, dus ik begreep dat ze op weg waren, maar ik wist niet waarheen. Ik vroeg iedereen of ze Abram hadden zien vertrekken, maar niemand had iets gezien. Hij was verdwenen, samen met zijn zoon en twee slaven. Verdwenen in het niets. Er was geen spoor te bekennen. Ik droeg vier van onze slaven op om hun heer en meester te gaan zoeken. Ze moesten in vier verschillende windrichtingen op pad gaan en net zo lang blijven zoeken tot ze Abram hadden gevonden. Ik heb ze nooit meer teruggezien. Ze bleven levenslang op zoek of ze vonden de vrijheid, dat kan ook. Ik gun het ze.

Abram en Isaak bleven lang weg, maar godzijdank kwamen ze terug. Ik zag aan hun gezichten dat er iets was gebeurd, maar ze zeiden niets. Ze zwegen als het graf en daar werd ik woedend van. Ik draaide hen de rug toe en trok mij terug in mijn eigen tent. Het was of ik ze nooit meer wilde zien, zo voelde het. Maar na een paar dagen moest ik natuurlijk weer tevoorschijn komen, want ik wilde het weten. Ik had vooral aan het gezicht van Isaak gezien dat er iets verschrikkelijks was gebeurd. Hij was doodsbleek en het leek erop dat hij voorlopig geen kleur zou krijgen. Ik begreep dat hij het moeilijk had en dat ik hem geen vragen kon stellen.

Ik ging daarom naar Abram en zei: ‘Waar ben je geweest, rotzak?’

Hij bekeek mij. Het was alsof hij mij voor het eerst zag en mij niet herkende als zijn vrouw.

Zijn hoofd begon te schudden van nee en het leek er dus op dat hij me geen antwoord wilde geven.

‘Zeg het me’, snauwde ik, ‘of anders ga ik er stiekem vandoor, samen met Isaak en dan zie je ons nooit meer terug. Waar ben je geweest?’

‘Op de berg, eh, Moria’, stamelde hij.

‘O ja? Wat heb je daar gedaan?’ Mijn stem snerpte oorverdovend in mijn eigen oren.

‘Eh, eh, eh, niks. Eh, nee, wacht. Ik heb daar een ram geslacht.’ Hij keek me aan met van die smekende ogen, in de hoop dat ik hem kon geloven.

‘Een ram? Die had je toch niet bij je? Hoe kwam je aan dat beest?’ vroeg ik. Ik hoorde dat ik hem met die vraag voor een leugenaar uitmaakte.

‘God gaf me die ram’, stamelde Abram. ‘Hij was met zijn horens verstrikt geraakt in de struiken.’

Er viel een stilte die duizelingwekkend in mijn oren begon te suizen.

Hij zuchtte diep en zei: ‘We waren op de berg Moria en mijn vader zei dat God hem had opgedragen mij te slachten’

‘Vertel me meer’, grauwde ik. ‘Vertel me waarom je met Isaak naar die berg ging.’

Ik wachtte ongeduldig op een antwoord, maar Abram zweeg. Het was of zijn mond voor altijd op slot zat en dat er nooit meer iets uit zou komen.

Ik wachtte lang, maar toen was het afgelopen voor mij. ‘Ik ga naar mijn tent’, zei ik. ‘Ik wil niks meer met je te maken hebben.’

Het duurde een paar weken, maar toen verscheen Isaak midden in de nacht voor mijn tent.

‘Moeder?’ vroeg hij. ‘Mag ik binnenkomen? Ik moet je iets vertellen, want anders blijf ik ziek.’

Ik liet hem binnen, kuste hem en zei: ‘Natuurlijk mag je binnenkomen, lieverd. Je mag mij vertellen wat je maar wil.’

Hij zuchtte diep en zei: ‘We waren op de berg Moria en mijn vader zei dat God hem had opgedragen mij te slachten.’

‘Wat?’ gilde ik.

‘Sssst, moeder’, siste hij. ‘Laat niemand horen dat ik met je praat.’

Ik klapte buiten adem mijn mond dicht en klopte hem op zijn schouder om hem te laten voelen dat ik stil zou blijven.

‘Ik begreep mijn vader. Hij moest God gehoorzamen, dus ging ik rustig liggen op het altaar dat hij had gebouwd. Hij hoefde mij niet vast te binden, want ik dacht dat ik niet bang was voor de dood. Maar toen, moeder… Toen pakte hij het mes om mij mee te slachten en ik begon te gillen. Ik was niet bang voor de dood, ik was bang voor pijn. Ik bleef gillen en staarde naar het mes dat boven mijn keel bleef hangen. En plotseling was het mes weg, ik zocht het, maar ik kon het niet vinden. Mijn mond klapte dicht. Er kwam geen geluid meer uit. Vader zei: “God zegt dat het niet hoeft. Ik moet een bok slachten.” Toen slachtte hij een bok die in de struiken verstrikt had gezeten.

Ik leef dus moeder, maar ik voel me een lijk.’

Ik omhelsde hem en drukte hem tegen mijn borst. Ik wist niets te zeggen. Dit afschuwelijke verhaal had mij overdonderd.

De volgende dag zocht ik Abram op.

‘Ik weet nu alles, want iemand heeft mij alles verteld. Jij wilde je zoon vermoorden’, schreeuwde ik.

Abram staarde mij aan. Het was of ik hem een klap in zijn gezicht had gegeven. ‘Dat moest van God’, fluisterde hij.

Ik zag dat hij net zo kapot was als Isaak, maar ik voelde geen medelijden.

‘Die stem die jij hoorde was van jouzelf. God is geen moordenaar, God is liefde.’

Abram zweeg. Er druppelde zweet van zijn voorhoofd in zijn ogen. Ik zag dat hij zichzelf had verwoest en ik begreep dat, want wie kan zichzelf nog verdragen als je je eigen zoon met een mes hebt bedreigd? Ik keerde me van hem af en ik keerde nooit meer terug.

Die nacht kwam de droom die ik moet vertellen om hem kwijt te raken. Ik droomde dat God over duizend jaar zelf een zoon wilde hebben. Ik zag dat God zichzelf omtoverde tot een mooie jongen en dat hij afdaalde naar de aarde, waar hij op zoek ging naar een meisje. Hij vond haar. Ik hoorde haar naam, maar ik verstond die naam niet goed. Misschien heette ze Moria, net als de berg waarop Isaak door zijn vader werd bedreigd.

God verleidde Moria en hij deed het met haar. Negen maanden later kreeg zij een kindje en dat kindje was Gods zoon. Het was een lieve jongen en toen hij groot was deed hij wonderen om te laten zien dat hij op een mens leek maar eigenlijk een god was.

Tot nu toe was mijn droom een prachtige droom. Gods zoon genas zieke mensen, hij liep over het water, hij kon met één klein broodje honderden mensen te eten geven en hij kon een dode weer levend maken. Hij was een god die liet zien dat hij van de mensen hield.

Maar toen werd mijn droom een verschrikking, want God wilde zijn zoon laten doodmartelen. Ik weet niet wat dat met een houten kruis te maken had, maar dat kruis zag ik steeds voor me. God was in mijn droom dus net zo’n engerd als Abram, die zijn zoon wilde vermoorden. Maar er was een groot verschil tussen hem en God. Abram trok uiteindelijk zijn mes terug en zijn zoon bleef in leven. De god uit mijn nachtmerrie trok niks terug. Zijn zoon smeekte God om hem in leven te laten, maar zijn vader schudde van nee, hij moest gruwelijk worden doodgemarteld, want daarmee wilde God laten zien hoeveel hij van de mensen hield. Daar begreep ik niks van en ik huilde, want in mijn droom was ik de God waarvan ik hield voor altijd kwijt.

Een nieuwe bijbel

Op 13 oktober verschijnt bij de uitgeverijen Querido en Athenaeum een nieuwe vertaling van de bijbel, gemaakt door het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ter gelegenheid van deze uitgave schreef Guus Kuijer, die eerder de verhalen uit de bijbel voor een groot publiek ontsloot met zijn Bijbel voor ongelovigen, voor ons een verhaal over Sara, de vrouw van Abraham, en haar liefde voor hun zoon Isaak.