De linkse reli-revival

God is rood

Frankrijks bestsellerfilosoof Alain Badiou verheft de apostel Paulus tot voorbeeld. Voormalig politiek gevangene Antonio Negri beschouwt Franciscus van Assisi als modelcommunist. Het God-debat levert behalve Nieuwe Atheïsten ook onverwachte gelovigen op.

DE LINKSE KERK bestaat. Ik ben er geweest, een jaar of zes terug op kerstavond in het Gelderse stadje Lochem. Buiten was de wereld koud en donker. Balkenende was pas met zijn tweede kabinet bezig, Rita Verdonk schaafde als minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan haar imago van rechtdoorzee. Asocialer kon niet - dachten we toen.
In de kerk klonk die avond een ander geluid. Eerst werd vanaf de kansel de vloer aangeveegd met oorlogspresident George W. Bush. Daarna waren Verdonk en Balkenende aan de beurt. De dominee las voor uit Jesaja. Sprak van slechte koningen - de machtigen, de rijken, de blaaskaken - tegen wie je je als christen mag, nee móet verzetten.
Vanuit de banken achter me steeg ongemakkelijk gekuch op, maar de preek ging verder. Het kerstverhaal werd erbij gehaald. Herverteld als een soort Les Misérables. Niks zonde of lijden ‘omdat God het zo gewild heeft’, maar een Jezus die gebroken mensen hun trots deed terugvinden. Een leger van armen, kreupelen en verstotenen dat de almachtige Romeinse overheersers nerveus wist te maken.
De woorden van de dominee misten hun uitwerking niet. Niet bij de ten dele conservatieve kerkgangers: ten minste één bezoeker werd onwel en moest die avond het huis van God per brancard verlaten. En evenmin bij mij, als linkse jongen uit het katholieke Limburg vanzelfsprekend atheïst.
Laat ik de begrijpelijke tegenwerpingen voor zijn. Ja, zulke religieuze symboliek is doorzichtig. Vervang Jezus door Jan Marijnissen of Novib, en wat overblijft is een veel te bombastisch, pathetisch pamflet. Om over het irrationele gehalte daarvan nog maar te zwijgen. Politiek moet draaien om argumenten, niet om geloofsbelijdenissen, toch? Misschien. Maar juist in deze vorm gegoten raakte het een gevoelige snaar. En dat doet het nog steeds. Word ik christelijk?

EEN ANTWOORD op die vraag heb ik nog altijd niet. Maar ik weet mij ondertussen in prominent gezelschap. Uitgerekend op het moment dat de kerken leeglopen en hun prestige op een dieptepunt is aanbeland, wendt de ene na de andere linkse denker zich voor inspiratie tot het christendom. Nog opvallender: hoe radicaler de overtuigingen, hoe inniger deze omarming. Zo spreekt de altijd provocerende Sloveense psychoanalyticus Slavoj Zizek waarderend over Paulus als de eerste leninist. De vroege, vervolgde christenen vergelijkt hij met bolsjewieken avant la lettre. Zijn intellectuele kompaan Alain Badiou, wiens filosofische werk in Frankrijk bestsellerstatus heeft, schreef zelfs een boek over Paulus als grondlegger van het universalisme. Niet dat hij christen is: 'De Boodschap die hij verkondigt en de aan hem gewijde cultus laten mij koud’, schrijft Badiou in het voorwoord bij Paulus: De fundering van het universalisme (uitgeverij Ten Have). Toch is Paulus als 'denker-dichter van het evenement’ voor hem het voorbeeld van de 'nieuwe militante figuur’. Een apostel als opvolger van de leninistische beroepsrevolutionair, wie had dat gedacht?
Eerder al bombardeerde politiek filosoof Antonio Negri, die als vermeend brein achter de Italiaanse Rode Brigades jarenlang gevangen zat, Franciscus van Assisi tot modelcommunist. Zijn landgenoot Giorgio Agamben, bekend om zijn kritiek op Guantánamo Bay als voorbeeld van de 'uitzonderingstoestand’ waarin gevangen vijanden worden gereduceerd tot 'naakt leven’, stort zich op de politieke theologie. Geheel nieuw terrein is dat voor hem overigens niet. In de jaren zestig schitterde Agamben al eens op het witte doek in de rol van de apostel Filippus in de film Het evangelie volgens Mattheus van Pasolini (wiens eigen moeder Maria vertolkte).
De linkse reli-revival gaat dieper dan provocerende uitspraken over Jezus en diens volgelingen als revolutionairen. Gods onvermoede terugkeer laat ook zijn sporen na in de achterliggende filosofie, al zijn de auteurs zelf vaak de eersten om dat te ontkennen. Neem opnieuw Alain Badiou, wiens opvattingen deze zomer centraal stonden op een driedaags congres over de 'Idee van het communisme’ in Berlijn. Enkele honderden twintigers en dertigers luisterden vanaf de tribunes van de Berlijnse Volksbühne naar urenlange uiteenzettingen over Badiou’s idee van revolutionaire gebeurtenissen als 'evenementen’.
Of het nu de wereldwijde rebellie van '68 is, de Franse Revolutie of de herrijzenis van Jezus Christus, evenementen zijn volgens Badiou gebeurtenissen die een gat slaan in de oude, verstarde situatie. Nieuwe vormen en gedachten stromen naar binnen. Het evenement doorbreekt zo de bestaande orde en het gevestigde weten. Maar zodra het evenement benoemd kan worden - van de heel persoonlijke constatering 'ik ben verliefd’, tot de alomvattende boodschap 'Jezus is opgestaan uit de dood’ - is het al voorbij. Wat rest is het evenement trouw te blijven: zijn waarheid te verdedigen en de nieuwe situatie te onderzoeken. Voor Badiou zelf is bijvoorbeeld mei '68 het evenement dat zijn leven heeft getekend, en aan de revolutionaire waarheid waarvan hij eeuwig trouw blijft.
Hoewel Badiou geprezen is om de wijze waarop hij begrippen als 'waarheid’ heeft teruggebracht in het filosofische debat is lang niet iedereen gecharmeerd van zijn theorieën. Het was uitgerekend de reeds genoemde Negri die in Berlijn frontaal de aanval opende op de 'Althusser-school’, waar Badiou deel van uitmaakt. Deze Franse ex-maoïsten zouden de politieke filosofie bewust ontdoen van zowel historisch besef als concrete sociale strijd. 'Voor Badiou vormt iedere massabeweging een kleinburgerlijke gebeurtenis’, aldus een boze Negri. Waarop hij het programma van Badiou terugbracht tot één leus: 'Alleen een evenement kan ons bevrijden.’ Zo wordt het communisme tot 'geloofsobject’.
Verlossing kan in dat kader alleen van buiten komen, van het evenement als goddelijke interventie, en niet van het vuile politieke handwerk, de alledaagse strijd tegen de bestaande orde. Het spreekt voor zich dat de verklaarde atheïst Badiou zich in die lezing van zijn werk allerminst kon vinden. 'Er is niets theologisch aan mijn opvatting van het evenement’, stelde hij verontwaardigd in zijn weerwoord. Dat sprak hij uit in gebroken Engels, 'want dan druk ik mij doorgaans wat gematigder uit’.

'WAAROM PRATEN allerlei mensen van wie je het niet zou verwachten, waaronder ik, ineens over God?’ vroeg literatuurwetenschapper Terry Eagleton zich dit jaar af in een lezing in Edingburgh over 'The God Debate’. Werd in de jaren negentig van de twintigste eeuw religie nog voor dood verklaard, een paar jaar later staat niet alleen de islam maar ook het christendom weer in het middelpunt van de belangstelling. Aanstichter van die discussie is de groep intellectuelen rond bioloog Richard Dawkins en journalist Christopher Hitchens. Volgens deze 'Nieuwe Atheïsten’ is het idee van een God wetenschappelijk gezien niet alleen klinkklare onzin, maar ook gevaarlijk. Van vrouwenhaat en racisme tot oorlogen en genocide, het is allemaal de schuld van de religie.
Dat is op z'n zachtst gezegd iets te kort door de bocht, meent Eagleton. 'Ditchkins’, zoals hij de goddeloze twee-eenheid Dawkins en Hitchens samenvat, snapt niets van godsdienst. Deze mannen het predicaat 'atheïst’ verlenen, is daarom volgens hem even onzinnig als Brad Pitt een 'antifilosoof’ noemen. Maar dan nog, waarom die drang om het geloof aan te wijzen als wortel van al het kwaad? Waarom 'zijn allerlei atheïsten ineens net zo geobsedeerd door religie als puriteinen door seks?’ aldus Eagleton.
Het antwoord heet 9/11. 'Het Nieuwe Atheïsme behoort tot de intellectuele vleugel van de oorlog tegen het terrorisme’, stelt Eagleton onomwonden. Om de nieuwe situatie als volgt samen te vatten: 'De wereld is verdeeld tussen zij die veel te veel geloven, en zij die te weinig geloven.’
Het God-debat is volgens Eagleton de intellectuele rechtvaardiging bij de westerse oorlogen in Irak en Afghanistan. Zo bezien is de reflex van de tegenstanders van die oorlogen begrijpelijk. 'Rechtse’ neoconservatieven, of ze nu Dawkins, Hitchens of Paul Cliteur heten, hebben het atheïsme gekaapt. Daarmee heeft het zijn aantrekkingskracht voor 'links’ verloren. Niet voor niets spreken steeds meer progressieve denkers, van oudgediende Jürgen Habermas tot feministe Judith Butler, over 'post-secularisme’. Dat zij dat begrip op uiteenlopende wijze invullen, doet er in dit kader niet toe. Ze zijn het secularisme voorbij.
Dat rechtse denkers het atheïsme voor zich hebben opgeëist, maakt begrijpelijk waarom linkse denkers zich anders dan in de jaren zestig en zeventig minder gretig afzetten tegen God, Allah of welk opperwezen dan ook. Maar het verklaart nog niet waarom mensen als Badiou, Zizek, Negri, Agamben en Eagleton doorslaan in het omgekeerde. Neem laatstgenoemde. In zijn jonge jaren was Eagleton al eens betrokken bij het links-katholieke tijdschrift Slant. Nu herontdekt hij dat verleden. Zo verscheen van Eagleton de afgelopen jaren onder meer Reason, Faith, and Revolution: Reflections on the God Debate, alsmede een boekje over Jezus Christus als politieke radicaal en anti-imperialist.
Vanwaar die plotselinge drift om zich met God, Jezus en de apostelen te afficheren? In naam van Allah blazen gelovigen nog altijd onschuldige burgers op, worden vrouwen gestenigd en homo’s ter dood veroordeeld. Christenfundamentalisten aan de andere kant van de oceaan schuwen het geweld evenmin, van aanslagen op abortusklinieken tot de christen in het Witte Huis die twee oorlogen startte. En ook de katholieke kerk is er in de afgelopen jaren niet minder conservatief op geworden, integendeel. Om over vieze geestelijken met losse handjes maar te zwijgen.
Het christendom niet langer als boksbal gebruiken is kortom één. Maar waarom het meteen omarmen? Daarvoor zijn twee verklaringen denkbaar. Om met de eerste, positievere te beginnen: de linkse reli-revival heeft weinig met God te maken, en alles met het achterliggende mensbeeld, in het bijzonder zoals dat in de minder behoudende protestantse kerken wordt uitgedragen. De linkse verhouding tot dat christelijke mensbeeld is sinds de jaren zeventig radicaal gewijzigd. Dat is niet eens omdat links of het christendom is veranderd. Het is de omliggende maatschappij die zich radicaal heeft getransformeerd.
Het naoorlogse kapitalisme was sterk hiërarchisch en bevoogdend. Betuttelend, zouden we tegenwoordig zeggen. Gewone mensen hadden leiding nodig, was de heersende opvatting, of het nou van politici, werkgevers of vakbonden was. In ruil voor enige gedienstigheid kreeg het volk zekerheid terug. Nog los van haar doorgaans preutse, vrouwonvriendelijke moraal legitimeerde de kerk die maatschappelijke verhoudingen. In haar ogen geldt de mens immers als een kwetsbaar wezen. Die heeft een herder in de hemel nodig. En een baas op aarde.
Het is daarom niet vreemd dat de linkse emancipatiebewegingen zich tegen die gevestigde religie keerden. In hun ogen waren gewone mensen - en niet alleen blanke mannen - tot veel meer in staat. Het christendom stond die idealen van democratisering en zelfontplooiing in de weg.
In de afgelopen dertig jaar is dat allemaal veranderd. Het neoliberalisme heeft de linkse vrijheidsidealen gekaapt. De mens mag tegenwoordig niet alleen vrij zijn, hij moet! In het neoliberale mensbeeld is geen plaats voor kwetsbaarheid, voor ziekte of ouderdom, voor 'we kunnen het niet alleen af’. Het idee dat de mens afhankelijk is, is omgeslagen in de omgekeerde illusie van volledige autonomie. Gij zult geen zwakte tonen, lijkt het gebod van de nieuwe economie. Alleen winnaars tellen mee. Geconfronteerd met zoveel hoogmoed bevindt het traditionele christendom zich ineens in oppositie tot de heersende mentaliteit in het bedrijfsleven en de politiek. En omgekeerd slinkt de afstand tot linkse denkers die uitgaan van de mens als 'relatief autonoom’ - mondig én kwetsbaar, individu én groepswezen.
Hoe groot de kloof tussen kerk en economie is geworden, blijkt uit de opkomst van concurrenten als de Pinksterbeweging, Scientology, en born again christenen, die wél aan de spirituele wensen van het bedrijfsleven voldoen. Zij leggen allen de nadruk op individuele prestaties. Ook moedigen zij een breuk aan met de traditionele banden en het verleden. Een christendom dat daarentegen spreekt over een leger van kreupelen druist regelrecht tegen de neoliberale hybris in. Had een dominee zo gesproken in de jaren zestig, dan was ik gillend weggerend. Maar op die kerstavond zes jaar geleden was het alsof iemand een taboe doorbrak. Als vloeken in de neoliberale kerk.

'WE MOETEN OPHOUDEN politiek met theologie te verwarren’, betoogde Antonio Negri onlangs. Maar al lijkt de Italiaan genoeg te hebben van de linkse religie-flirt, zelfs in zijn meest recente werk ontkomt ook hij niet aan de bijbelse verwijzingen. Commonwealth heet de opnieuw samen met literatuurwetenschapper Michael Hardt geschreven opvolger van de vooral in het buitenland hevig bediscussieerde boeken Empire en Multitude.
Volgens de 'Marx en Engels van het internettijdperk’ (Le nouvel observateur) staat links er helemaal niet zo slecht voor. Sterker nog, de (postmoderne) revolutie is meer dan ooit binnen handbereik. De oude, hiërarchisch georganiseerde arbeidersklasse behoort tot het verleden. Binnen het nieuwe kapitalisme wordt het grootste deel van de productie verricht door de 'multitude’. En deze heterogene verzameling van vrije subjecten produceert eigenlijk al communistisch. Projecten als Wikipedia en Linux bewijzen volgens Negri en Hardt dat de creatieve multitude beter dan ooit in staat is de productie helemaal zelf te regelen, zonder dat daar een baas voor nodig is. Het is een kwestie van tijd voordat de multitude zich van haar eigen kracht bewust wordt en zich ontdoet van het kapitalisme. 'De kat is uit de zak, en kan er met geen mogelijkheid in worden teruggestopt’, schrijven de twee in hun onverbeterlijke optimisme.
Maar hoe rationeel Negri en Hardt hun heilsverwachtingen ook proberen te onderbouwen, opnieuw komen de Franciscanen voorbij, evenals Mozes, de Apostelen en andere vroege christenen. De moderne klassenstrijd neemt volgens Negri en Hardt de vorm aan van een 'exodus’. En inderdaad, de moderne, knellende productieverhoudingen zijn de woestijn waar we doorheen moeten.

ZELFS ALS DE NADRUKKELIJKE wens is politieke theologie te vermijden, blijkt dat lastig. Dat wijst op een tweede, meer pessimistische verklaring voor de linkse toenadering tot God. Deze is niet voor niets bijzonder sterk onder de denkers die het radicaalst breken met de 'oude politiek’. Voor mensen als Badiou, Zizek en Negri behoren de arbeidersklasse, partijen en vakbonden tot het verleden. Alles moet anders, alles moet nieuw. 'We moeten beginnen bij het begin’, is het motto na de mislukte socialistische experimenten van de vorige eeuw. Dat maakt hun geschriften ook spannend. Zij proberen de mogelijkheden van een links perspectief in een onherkenbaar veranderde wereld tot in alle consequenties te doordenken.
Maar de hang naar het 'nieuwe’ blijft ook mistig. Wat is nou precies dat alternatief? 'De multitude, dat is ook de Tea Party-beweging’, merkte Zizek spottend op over Negri’s theorieën. Op hun beurt hebben hij en Badiou niet veel concreters te bieden. Het revolutionaire evenement waar zij op inzetten lijkt verdacht veel op een goddelijke interventie.
Dat is de allerminst opwekkende stand van zaken aan het begin van het nieuwe millennium. De massa van de mensen lijkt, getuige de verkiezingsuitslagen van de laatste jaren, hoogstens terug te verlangen naar ofwel een wat principiëlere sociaal-democratie à la SP of de Duitse Linke, of een verlicht 'groen’ liberalisme. En hoewel om de haverklap dood verklaard, komt het voornaamste verzet tegen de huidige wereldwijde bezuinigingen op de publieke sector en sociale voorzieningen nog altijd uit de hoek van de vakbonden.
Maar liever dan in te haken op die reële gevoelens van onvrede en zulke spaarzame vonken op te stoken tot een verder reikend alternatief zoeken de radicale politieke filosofen verlossing bij de trukendoos van het oude theater. Weet je aan een deprimerend verhaal niet zo snel een happy end te breien, dan rest er altijd een uitweg: de deus ex machina. Bij gebrek aan reële politieke perspectieven op aarde kan het Nieuwe alleen uit de hemel komen. Links is klein, maar God is rood. Erg geruststellend is die gedachte gek genoeg niet.