God komt van buiten

De theologen vormden vaak niet de minst radicale tak van de studentenbeweging. Of ze in God geloofden was nooit helemaal duidelijk, ze geloofden in elk geval in de opstand. En nu? ‘Daar is de theologie ook goed in: zonder antwoorden zitten, met leegte omgaan.’

ZOMAAR EEN berichtje in een plaatselijk blaadje in Noord-Holland, dat je vindt als je verzeild bent geraakt op een busstation. Er is een nieuwe dominee beroepen in het dorp, hij zegt: ‘Als kind al vond ik de bijbelverhalen prachtig, daarom wilde ik dominee worden.’ En je weet, nog voor je de naam van de betreffende predikant hebt gezien: daar hebben we er weer een. Een dominee die het heeft over verhalen voordat het woord God ook maar valt. Zo'n dominee heeft aan de theologische faculteit van Amsterdam gestudeerd, hoogstwaarschijnlijk tussen 1968 en 1978.
Het was een netwerk. De lijnen liepen van de Nederlands Christen Studenten Vereniging (NCSV), tevens een scholierenbeweging, die aan het einde van de jaren zestig snel radicaliseerde, naar de theologische faculteit in Amsterdam, van de beweging Christenen voor het Socialisme, naar het Oost-Europa Project, beide ook verbonden aan de NCSV, en naar de in Oost en West verdeelde gemeente van het Hendrik Kraemerhuis in Berlijn.
Dick Boer was student en docent aan de theologische faculteit voor hij predikant werd in de DDR. Na de Wende keerde hij terug aan de Amsterdamse faculteit. Rinse Reeling Brouwer was als scholier lid van de NCSV, studeerde in Amsterdam en is nu predikant in Amsterdam Slotervaart. Beiden waren actief in Christenen voor het Socialisme, in de CPN en in tal van aanpalende organisaties.
'Je maakt uitgesproken niet representatieve interviews’, waarschuwt Dick Boer vooraf. En bovendien: 'Herinnering is een bedrieglijk instrument.’ Rinse Reeling Brouwer voegt eraan toe: 'Ik ben tijdens mijn studie ook altijd ter kerke gegaan op zondag. Er was bijna niemand die dat toen deed.’
Het zij zo. Boer en Brouwer hebben niettemin het verhaal te vertellen van een ongebroken theologische stellingname. En de vraag of God nu eigenlijk wel bestaat kan nog altijd rekenen op alles behalve een eenduidig ja of nee.
Reeling Brouwer: 'Het werd heel vreemd gevonden dat ik theologie ging studeren. Ik was actief in de scholierenbeweging, op alle middelbare scholen was opstand en die mensen ontmoetten elkaar op NCSV-conferenties. Als je al jaren theologie had gedaan en dan pas maatschappelijk bewust werd, dan was het wel logisch dat je dat dan maar afmaakte en probeerde om die kerk om te turnen. Maar dat zo'n veelbelovende scholier theologie ging studeren…’
Waarom deed die veelbelovende scholier dat dan?
Reeling Brouwer: 'Ik was gefascineerd door de bijbelverhalen en daar wilde ik meer van weten. Het bijbelverhaal had voor mij alles te maken met de geest van opstand waar we allemaal van vervuld waren. Ik dacht zelfs dat ik het fundament van mijn eigen opstandigheid kon vinden in de theologie. Ik barstte in alle opzichten uit mijn vel: er moest een andere school komen, een andere universiteit, ik was tegen het gezin en tegen de Vietnam- oorlog. We hadden het gevoel op een breukvlak te leven en daarin was het andere van die bijbelverhalen, dat door het gewone heen brekende, een constituerend element. Je kon vanuit de NCSV helemaal geen theologie gaan studeren zonder dat je Marx over de godsdienst had gelezen, want anders was je niet weerbaar genoeg. Marx’ verspreide opmerkingen waren in de DDR keurig in een bandje verzameld. Ik koos vanuit een bijna atheistische strijdbare antitheologische omgeving voor theologie.’
Omdat je in God geloofde of omdat je de verhalen mooi vond?
Reeling Brouwer: 'Ik weet nog dat ik een interview met Ernst Bloch las, die had het over het fundamentele besef van de hoop, het besef dat er iets fundamenteel anders mogelijk was. Een ervaring van de radicale breuk en het volstrekt andere, dat vond ik fantastisch.’
Boer: 'Het waren verschillende generaties op de universiteit: enerzijds de mensen die tijdens hun studie politiseerden en anderzijds de mensen die juist kwamen omdat theologie met politiek te maken had. Er waren wel mensen die zeiden: onze verhouding tot de theologie en de kerk is puur strategisch. De kerk is een betrekkelijk belangrijk maatschappelijk instituut en dus dien je je voor theologie te interesseren. Niet omdat ze geloofden, dat deden ze dan ook niet of niet meer. Voor die mensen speelde theologisch engagement geen rol, het was omgekeerd: het onderwijs moest zo ingericht worden dat kerk en theologie verantwoording aflegden aan een kritische maatschappijtheorie. Ik vond dat nogal idealistisch, al werkte ik intensief met ze samen. Ze namen de georganiseerde christenheid wel serieus als organisatie, maar dat kan haast niet als je er toch afstand van houdt. Want in het verlengde lag de opvatting dat je dan ook dominee moest worden, de organische intellectueel van de arbeidersbeweging wordt in dit geval dus dominee, maar je kan toch bezwaarlijk iedere zondag preken en je verbinden met gelovigen terwijl je er zelf geen bal van gelooft.’
Reeling Brouwer: 'Ik kwam vrij snel bij Karl Barth terecht (een Zwitsers theoloog, dogmaticus en grondlegger van de Duitse 'Bekennende Kirche’ - jvk). Die man schreef in 1919 dingen die gewoon over ons gingen. Hij schreef bijvoorbeeld: “Kunnen wij met alle recht het hoofd schudden over de fantastische vrijheidsdrang van de huidige jeugd? Wie nu opvoeder wil zijn moet in de huidige strijd principieel aan hun kant staan. We mogen bij alle ontsteltenis en weerstand waarmee we dit proces volgen niet miskennen dat het hier uiteindelijk gaat om de aanval op het gezin dat werkelijk geen heiligdom maar de vraatzuchtige God van het burgerdom is.” Daar moest ik dus wezen.’
Boer: 'Het was voor mij vanzelfsprekend dat theologie en een linkse maatschappijvisie bij elkaar hoorden en bij Barth kon dat blijkbaar, moest dat zelfs.’
De faculteit bruiste van het leven. Te midden van het projectonderwijs, de werkcolleges en de democratisering van het bestuur moest in een ander verband, dat van Christenen voor het Socialisme, ook nog een hele agenda worden afgewerkt: tegen de armoede op de wereld, tegen de neutronenbom, tegen een burgerlijke kerk en voor nieuwe concepten.
Boer: 'Het was ook niet mis wat er in die tijd door studenten intellectueel gepresteerd werd. De mythe is nu wel dat die democratisering niets opleverde maar op onze faculteit gold dat zeker niet.’
En ondertussen was iedereen het theologisch hardgrondig met elkaar oneens.
Boer: 'Onder de activisten waren er spanningen, maar die frustreerden de beweging niet. Barth werd door velen orthodox gevonden, ze zagen wel dat de linkse barthianen politiek radicaal waren maar ze begrepen het niet, niet vanuit het immanent theologische. Het ging ook door elkaar lopen. Een hoogleraar met theologische opvattingen waar velen het mee eens waren, nam een dubieuze positie in tegenover de democratisering. Zijn inhoudelijke vernieuwingsvoorstellen kwamen er dan ook niet meer doorheen. Voor de bevrijdingstheologie was veel sympathie, niet alleen voor de goedbedoelende mensen maar ook voor het concept van “het primaat van de praxis”. Dat was het alternatief. Maar de bevrijdingstheologie had een vijand: de Europese theologie, want die was burgerlijk - en zo hadden de linkse barthianen weer een probleem. Exegese was een populair vak, want het materialistisch bijbellezen was een deel van het concept van de bevrijdingstheologie.’
Materialistisch bijbellezen?
Boer: 'Ja, je afvragen onder welke maatschappelijke verhoudingen die teksten zijn geproduceerd en welk effect ze op de maatschappij beogen te hebben, daar kun je niet onderuit.’
BIJ CHRISTENEN voor het Socialisme speelden de tegenstellingen op een andere manier.
Reeling Brouwer: 'In Christenen voor het Socialisme waren ook basisgroepen georganiseerd die zich buiten de kerk wilden organiseren. Wij vonden dat het socialisme alles te maken had met het verhaal dat die kerk zelf vertelde en wij wilden de kerk daaraan herinneren. Dat stond elkaar een aantal jaren helemaal niet in de weg omdat we elkaar vonden op een politiek programma. Socialisme was een soort samenballing van alles wat anders moest. Wij wilden de bewegingen in de kerk brengen, dat was ook de parallel met Barth. God komt van buiten, die zit niet in ons, en in dit geval kwam het van die atheistische, antichristellijke communisten vandaan. De arbeidersbeweging kon de kerk wakker schudden en de kerk herinneren aan de sociale strekking van haar eigen verhaal.
Het grote gevaar van dit soort bewegingen was natuurlijk dat wij precies meenden te kunnen invullen waar het andere van God zich dan wel afspeelde. Door ons belichaamd tegenover de anderen - dat is de messiaanse kortsluiting die altijd op de loer ligt.’
Dick Boer en Rinse Reeling Brouwer hebben beiden intensief contact gehad met christenen in de DDR, Dick Boer als predikant, en verder gebeurde het in dialooggroepen van Christenen voor het Socialisme.
Had die verbondenheid met de DDR iets met theologie te maken?
Boer: 'Ja. Het Oude Testament beschrijft immers op een illusieloze manier het bevrijdingproject Israel. Ze brengen er geen pest van terecht als ze uit Egypte bevrijd zijn en hun eigen maatschappij gaan inrichten. Alle ellende en alle criminaliteit kun je daar al vinden. Hoe David, een bevrijdingsmens, na een guerrilla tegen het establishment een uitgeproken Stalin wordt. Zo kon ik het reeel bestaande socialisme begrijpen als iets wat aan alle kanten miserabel was, maar dat er toch mocht wezen. En Israel was een uitgesproken zwakke en precaire onderneming te midden van al die grootmachten, net als de DDR. Wat ik nog het meest fataal vond toen ik er werkte, maar ook achteraf, was de voorstelling die men van zichzelf gaf als onoverwinnelijk en sterk. Fluiten in het donker, maar het was ook geborneerdheid en een blinde vlek, niet alleen het overschreeuwen van angst. Een heel zwakke onderneming, maar dat had ik van de bijbel ook geleerd: zo gaat dat met bevrijdingsbewegingen.
In het boek Richteren wordt dat allemaal verteld. Egypte hadden we achter ons gelaten, dat was het Westen met de vleespotten, en nu waren we op zijn minst in de woestijn en voor zover we in het beloofde land waren was dat ook aan alle kanten miserabel. De DDR beantwoordde niet aan het beeld van een rechtvaardige maatschappij, maar het Westen was helemaal geen alternatief. Je zou wensen dat de reeel socialistische beweging net zo illusieloos als Israel in het Oude Testament haar eigen geschiedenis zou thematiseren. Het is uniek in de wereldgeschiedenis dat een volk zo zelfkritisch zijn eigen verhaal schrijft, zelfs een antisemiet kan niet zo negatief over Israel schrijven. Maar nooit in combinatie met opgeven, het project wordt niet afgeschreven. Zelfs als het geen kant meer op kan, blijven de profeten die Israel fel bekritiseren, zeggen: er komen dagen…’
Waarom is dat zinvol?
Boer: 'Dat is ook niet zinvol. Die profeet kan alleen niet anders. Maar hij is in verzet en dat staat in een traditie. Voor de profeet zelf is het uitgesproken zinloos.’
Reeling Brouwer: 'Die grenzeloze arrogantie van het Westen waardoor wij zelf tot maat van de wereld worden, heeft mij altijd gestoord. Dus alles wat het Westen weersprak was welkom. Bij mij speelde dat ook theologisch, God is het andere. Omdat je vond dat het Westen weersproken moest worden, werd je advocaat van wat als de vijand werd gezien. Rond de Wende kwamen alle grote theologische thema’s als schuld, vergeving, verzoening en nederlaag aan de orde. En nederlaag is eigenlijk een veel te onschuldig woord, het gaat om verbonden zijn geweest aan volstrekt verkeerde projecten.’
WAT HEB JE aan theologie als je aan volstrekt verkeerde projecten verbonden bent geweest?
Reeling Brouwer: 'Dat klinkt veel te instrumenteel. Maar in de flikkerbeweging vond ik toch echt dat het verhaal van de uittocht uit Egypte mijn eigen situatie van coming out verhelderde, het gaf er woorden aan. Zulke grote thema’s krijgen in de bijbelverhalen zeggingskracht, het is een manier om verder te komen. De organisatievormen van het socialisme hebben voor een deel wat bereikt en voor een deel hebben ze zich gediscrediteerd. Er is geen herkansing, dus in die leegte zitten we. En het is onzin om dat te gaan invullen met iets wat er niet is. Daar is de theologie ook goed in: zonder antwoorden zitten, met leegte omgaan. In de bijbelse verhalen zit dat ook vaak: situaties waar mensen volstrekt zonder antwoorden zitten, de klaagliederen, puinhopen en verder niks. Voortdurend balanceren op de rand van het cynisme en bezig zijn met teksten die de wanhoop kennen maar je het cynisme verbieden. Om die reden is de gemeente voor mij belangrijk, samen aangeraakt zijn door een verhaal, met alle woede en onmacht. En toch volhouden dat de wereldpolitiek ergens over moet gaan.’
Is de gemeente niet een nogal een pover antwoord in het licht van de oorlogen die nu worden gevoerd?
Reeling Brouwer: 'Zeker is het pover, maar het schept communicatie met anderen die het ook of nog veel dieper hebben ervaren en het reikt taal aan om dingen ook te zeggen. Er zijn minder pretenties maar in zo'n volstrekt gemarginaliseerde kerk als in Amsterdam - 3500 betalende leden waar eens, in de Gouden Eeuw, de grootste gemeente van Europa was, een kerk die aan de grond zit dus - daar ligt de kans om de gemeente weer te laten zijn waar zij voor is bedoeld: een plek om verhalen door te geven. Er gebeuren ook veel dingen in de trant van Perron Nul in Rotterdam en de Nassaukerk in Amsterdam.’
Maar geen groot verhaal meer.
Boer: 'In de kerk komen nog altijd meer mensen iedere week samen dan in het voetbalstadion, laat staan op vergaderingen van politieke partijen. Het is een plek waar mensen niet voor honderd procent voor de tijdgeest capituleren. Zonder illusies overigens over wat dat betekent. In termen van het postmodernisme is er geen groot verhaal meer waarin het valt samen te vatten.’
Reeling Brouwer: 'Een bepaald soort postmodernisme wil het alleen maar zodanig over deelverhalen hebben dat de delen nergens meer voor staan. Dat is niet de bijbelse structuur. Maar de bijbel is ook geen groot verhaal. Het is een verzameling kleine verhalen waarin steeds alles weer op een andere manier aan de orde komt, prikkelend, ontregelend. De bijbel zegt: ga je land uit, je huis uit, naar het land dat ik je wijs. En je weet niet waar dat is.’