Toneel: Wiener Wald

God ranselt

Het is bij mijn weten de eerste keer dat de makers van de jaarlijkse voorstelling in het Amsterdamse Bos een monumentaal bos op het toneel hebben gezet. Dat wil zeggen: een bos na een alles vernielende bosbrand. De rijzige stammen hebben het gered, verder is er niks meer over.

Het verhaal dat Ödön von Horváth (1901-1938) in zijn stuk Geschichten aus dem Wienerwald (1931) vertelt, gaat vooraf aan de grote verwoestende maatschappelijke branden die het Avondland tussen 1933 en 1945 teisterden. Een flink deel van het echte Wiener Wald bestaat uit naald­bomen. In dit naaldbomengraf smeulen alle resten van menselijke hoop tot een landschap van verschroeide aarde. Het past goed. Wiener Wald is in de kern een vertelling over wanhoop.

Het verhaal is vrij dun. Marianne, de dochter van een versleten handelaar in goochelspullen en antiek speelgoed (die ‘de Toverkoning’ wordt genoemd), laat zich op de dag van haar officiële verloving met de wat suffe Oskar schaken door een klaploper van het platteland die Alfred heet. Ze krijgt een kind (dat ze permanent bij haar schoonmoeder stalt), hij flierefluit zich door het leven (en langs de vrouwtjes), zij belandt in een obscure nachtclub, wordt aldaar ontmaskerd als dame van lichte zeden, ze hervindt haar Oskar (een relatie waar je niet bij in de buurt wilt wonen) en verliest haar kind aan een kwaadaardig ogende stommiteit bij de gewezen schoonfamilie. Oskar stapt door het leven (en de economische crisis) heen met de nogal geharnaste vorm van geloof waar we in de geschiedenis veel griezels aan hebben overgehouden: God kastijdt wie hij lief heeft. Marianne heeft een wat prozaïscher godsbesef: God is een dief, hij heeft alleen maar van haar genomen en hij kastijdt niet, hij ranselt er wellustig en ongenadig op los.

Het toneel in het Amsterdamse Bos heeft recentelijk een onspectaculaire metamorfose ondergaan. Vorig jaar ensceneerde nieuwkomer Ingejan Ligthart Schenk een glasheldere en beeldschone versie van Les Enfants du Paradis, die helaas vrijwel compleet verregende en die hopelijk binnenkort weer eens te zien is. Artistiek leider Frances Sanders is dit jaar als vanouds de regisseur, maar anders. Die bomen en het licht (ontwerp Reier Pos) zijn zo magistraal, niks meer aan doen, moet Sanders gedacht hebben, in deze omgeving kunnen toneel­spelers fonkelen, wat ze zonder enige uitzondering doen. Van nieuwkomers als Mariana Aparicio Torres (die een harde, nuchtere Marianne neerzet) en Martijn de Rijk (als de binnenvetter Oskar), tot Jan-Paul Buijs als de klaploper Alfred en Jochum ten Haaf die van de vader Toverkoning een mooi rondborstig portret maakt van een negentiende-eeuwer die per ongeluk in Barbarije is beland. We noemen maar enkelen uit dit hoogwaardig ensemble. Met musicus Alberto Klein Goldewijk, die als altijd de juiste tonen vindt ter ondersteuning van deze asgrauwe toneelpartituur.

Het Amsterdamse Bos glorieert steeds gretig in haar grandes finales. Nu weer, maar anders. Alle energie is gaan zitten in het op het scherp van de snede gespeelde bittere spel, niets leidt af van Horvaths zwarte slot, we kunnen elkaar na afloop jolig op de schouders slaan of het op een zuipen zetten, maar huiswaarts kerend zullen we deze boze geschiedenis van hebzucht en rancune in onze hoofden en harten meenemen, het echte donkere bos in, naar het werkelijke leven.


Wiener Wald speelt nog t/m 1 september, dinsdag t/m zaterdag 21.30 uur, www.bostheater.nl