Reve als dichter

God trok zich af

Gerard Reve is een groot prozaïst, daar is iedereen het over eens. Zijn poëzie wordt daarentegen niet echt serieus genomen. Ten onrechte. Reve is een groot dichter.

Toen mijn geneesheer mij enkele jaren terug een tijdelijk alcoholverbod oplegde, schikte ik mij gelaten in mijn lot. Niet drinken is niet erg, alleen je wordt nooit dronken en mist de roes en de euforie. Erger is dat je ook nooit meer een kater hebt. Nadat het verbod was opgeheven, begon ik voorzichtig weer bier en jenever te drinken. Dat viel nogal tegen: ik vond het niet lekker. Na een paar weken stug doorzetten, kreeg ik de smaak weer te pakken, maar ik voelde mij pas helemaal de oude toen ik op een kwade ochtend met een walgelijke kater ontwaakte. Drinken heeft geen zin als er geen kater op volgt, zoals ook leven zonder dood zinloos is. Hemel en hel, misdaad en straf, dag en nacht, geluk en ongeluk: het een is onlosmakelijk met het ander verbonden. Niemand heeft dat beter gezien dan de grootste vergeten dichter uit ons taalgebied: Gerard Reve. In 1965 schreef hij:

Stel je voor, dat de kater niet bestond.

Dan was alles nog veel erger.

Dan zou je nooit een kater krijgen,

terwijl je die nu wel krijgt.

Het is dus toch wel goed zoals het is. Prijs God.

Het afgelopen jaar is er enig gekrakeel geweest naar aanleiding van Ilja Pfeijffers stelling als zou moeilijke poëzie altijd beter zijn dan gemakkelijke, een stelling die hij overigens al gauw nuanceerde. Dat moest ook wel, want een kind kan zien dat het niet waar is. Juist de poëzie van Reve illustreert dat eenvoudige gedichten niet automatisch eendimensionaal behoeven te zijn.

Reve staat niet bekend als een groot dichter. Dat zijn poëzie door vrijwel niemand au sérieux wordt genomen heeft verschillende oorzaken. Terecht wordt Reve als een van de belangrijkste naoorlogse prozaïsten uit ons taalgebied beschouwd, en binnen zijn omvangrijke oeuvre neemt de poëzie slechts een bescheiden plaats in. De eerste gedichten die hij publiceerde, maakten deel uit van het brievenboek Nader tot U (1966) en zijn altijd min of meer als aanhangsel daarvan gezien. Latere gedichten leken meer van hetzelfde te bieden: een flauw aftreksel van wat in het proza met zwier was uitgewerkt. Noch in de Spiegel van Hans Warren, noch in de canonieke bloemlezing van Komrij werden gedichten van Reve opgenomen. Nooit wordt geprobeerd de gedichten als poëzie te lezen, iedereen gaat ervan uit dat het hier typografisch bewerkt proza betreft. Dat is jammer, want Reve heeft weliswaar niet veel, maar toch een paar gedichten geschreven die ik magistraal vind.

Reve is zelf overigens de eerste om zijn dichterschap te relativeren. In het nawoord bij zijn Verzamelde gedichten (1987) zegt hij, na de ontstaansgeschiedenis van zijn jeugdpoëzie te hebben belicht: «Evenmin als deze Jeugdpoëzie kan men de Dronkemansgedichten onvergankelijke kleinodiën van de West-Europese literatuur noemen. Maar ook hier flitsen uit een geheel van onmatig gebral af en toe een zin of een reeks woorden omhoog die iemand onverwachts ontroeren of aan het lachen brengen, dit laatste zijnde de zonnestraal in het leven van de medemens, waarvan ik elders reeds gewag heb gemaakt.»

Wat betreft de jeugdpoëzie heeft Reve gelijk: dat is niks. Van de veertien Dronkemansgedichten (1963-1976) zijn er twaalf vrij slecht. Maar «in Zangen van strijd en Aandachtige Liederen kom ik ten volle op dreef. Ik ben overtuigd, dat ik in een groot aantal van de verzen in deze twee rubrieken hetzelfde niveau bereikt heb als in de beste passages van mijn proza.» Ongeveer de helft van de Zangen van strijd komt uit Nader tot U, de andere helft verscheen voor het overgrote deel voor het eerst in Het zingend hart (1973). De negen Aandachtige Liederen dateren van na 1976.

Wat maakt deze poëzie nu zo bijzonder? In de eerste plaats is het natuurlijk de onmiskenbare toon, die combinatie van licht iro nische plechtigheid met slap geouwehoer waardoor Reve-liefhebbers ogenblikkelijk in de juiste stemming komen. Want, of we het nu leuk vinden of niet, Reve is een auteur die je moet aanvoelen. Doe je dat niet, dan is er geen hoop. In dit opzicht verschilt Reve hemelsbreed van schrijvers als «de intellectueel H.M.» en W.F. Hermans, die men met vrucht kan lezen zonder ook maar iets te hoeven aanvoelen. Dat verklaart misschien waarom revianen, als ze elkaar tegenkomen, slechts één frase van hun geliefde auteur behoeven te citeren om direct «in Reve» te zijn. Er is niemand die ook maar één zin van Mulisch uit zijn hoofd kent — en waarom zou je ook —, terwijl de meeste Hermans-freaks (en dat zijn er steeds minder) doorgaans niet verder komen dan: «De portier is een invalide.» Revianen die op dreef komen, blijven citeren, vermoedelijk omdat in iedere zin van hun held zijn complete wereldbeeld is samengebald.

Reve is een cultschrijver, maar dat betekent niet dat het onmogelijk zou zijn te analyseren wat hij precies doet. Het katergedicht is een goed voorbeeld. Door zijn herhalingen suggereert het de logische structuur van een middeleeuws godsbewijs: als A niet het geval was, was B het geval, en dat zou betekenen dat A niet het geval was; maar A is beter dan B om de simpele reden dat A het geval is, dus we mogen blij zijn met de huidige situatie. Conclusie: God is groot. Zelfs een stevige drinker ziet meteen dat dit nonsens is, maar omdat hij beseft dat Reve gelijk heeft, voelt hij zich genoodzaakt niet alleen de conclusie te onderschrijven, maar ook de redenatie. En daar heeft de auteur ons waar hij ons wil hebben: we voelen ons ongemakkelijk, want we stemmen in met iets waarmee we eigenlijk niet willen instemmen. Het sleutelwoord in dit gedicht is «toch»: we dachten dat de kater een kwaad was, maar zien nu in dat we ons vergist hebben en in de beste aller werelden leven. Dit woord, dat niet voor niets een omgekeerde echo krijgt in «God», maakt duidelijk dat onze gevoelens altijd in strijd zullen zijn met wat we willen denken.

Een van de middelen waarmee Reve zijn doel bereikt, is de versvorm. Op het eerste gezicht lijkt hij vormeloze poëzie te schrijven, maar wie goed luistert, hoort gedragen jamben en sonore assonanties, die de plechtige toon versterken. Een mooi voorbeeld is Apologie:
Toen ik rooms-katholiek werd,

werd mijn haar, dat grijs begon te worden,

opeens weer donkerblond.

Mijn bloeddruk daalde,

terwijl mijn jaarinkomen van die dag af fors bleef stijgen.

Er blijven wel bezwaren,

maar bij zoveel genade moet ik wel erkennen:

de Kerk van Rome is de Ware Kerk.

Het geheim van dit gedicht schuilt in het betekenisvolle binnenrijm en de quasi-logische woordherhalingen: de a-klanken in «haar/ daalde/ jaar/ bezwaren/ genade/ Ware»; het rijm in «rooms/ inkomen/ Rome», «begon/ blond» en «erkennen/ Kerk/ Kerk»; de alliteratie in «blond/ bloed/ bleef»; de herhalingen in «werd/ werd/ worden», «bleef/ blijven» en «wel/ wel». Er worden drie godsbewijzen gegeven, waarvan de laatste twee elkaar spiegelen («daalde/ stijgen»), en het gedicht begint en eindigt met Rome. Dat de redenatie onzinnig is, onderstreept de kracht van het geloof, want voor iets wat logisch is heb je geen geloof nodig: credo quia absurdum, zegt Tertullianus.

De poëzie van Reve wordt, net als het proza, gekenmerkt door een permanente tweespalt tussen ernst en luim, geloof en blasfemie, paniek en godsvertrouwen. Typerend is Openbaring:
Is er nog nieuws? Jawel.

Goed nieuws, zeer goed zelfs. Spreek maar gerust

van blijde tijding:

God trok Zich af terwijl Hij dacht aan mij.

«Blijde tijding» is een vertaling van het in oorsprong Griekse woord «evangelie»: de dichter is hier zijn eigen evangelist. Dat het gemelde nieuws in 1966 door belijdende lidmaten van de Moederkerk met afschuw werd ontvangen, is niet verbazingwekkend. Toch kun je je afvragen of de dichter wel zo blij mag zijn. Zelfbevlekking is immers, hoe prettig het ook kan zijn, in wezen een eenzame bezigheid ter vervanging van werkelijk intiem contact. God zou Zich wel met de dichter willen verenigen, maar durft hem misschien niet te benaderen, of kan hem niet bereiken. Anderzijds heeft masturbatie het grote voordeel dat men in gedachten het lustobject naar believen kan manipuleren. En wat zijn wij anders dan hersenspinsels van God? «God droomt ons. Als Hij straks wakker wordt/ zijn wij voorgoed verdwenen./ Moet Hij gewekt, of mag Hij nog wat slapen?/ Daar weet geen priester antwoord op.» Elders spreekt Reve dan ook van «Uw gruwelijke Majesteit».

Ook Gods Zoon komen we in de gedichten tegen. Maar het is niet de Christus die we uit de bijbel kennen. Tegen Kerstmis schrijft Reve: «Ik wil een gedicht schrijven op God Zijn verjaardag:/ wanhopig drinkend onder keukenlicht/ zie ik U buiten, Zegevierende,/ Zoon, die de Dood zijt, Troost, Vergetelheid.» Jezus als verpersoonlijking van een alcoholisch coma, Hij die in de traditionele theologie het eeuwige leven symboliseert, als de dood: dat is welhaast een Umwertung aller Werte.

De Zoon komt erg nabij in Herkenning:
Nu weet ik, wie gij zijt,

de Jongen die ik eenzaam zag te Woudsend en daarna,

nog op dezelfde dag, in een kafee te Heeg.

Ik hoor mijn Moeders stem.

O Dood, die waarheid zijt: nader tot U.

Dit gedicht is bedrieglijk eenvoudig. Het mysterie van de identiteit van de Jongen wordt niet expliciet onthuld, maar het ligt voor de hand om aan Christus te denken, die hier wordt voorgesteld als een begeerlijke (meedogenloze!) jongen. De plaatsnaam Woudsend heeft een apocalyptische klank en roept associaties op met het begin van Dantes Inferno. «Eenzaam» hoort zowel bij de ik als bij de Jongen. Maar waarom krijgt «Moeder» een hoofdletter? Is de ik zelf een zoon van de Heilige Maagd? Moeten we aannemen dat hij een broertje van Jezus is? En wat zegt Moeder eigenlijk?

Nog verder gaat Reve wanneer hij zichzelf rechtstreeks met Christus vereenzelvigt. Na de beschrijving van een tengere matroos «met oortjes» vervolgt hij:

Wanneer ik ooit nog rijk word gaat hij elke dag

met mij de stad in om van mij te drinken wat hij wil:

«dit is mijn bloed».

En elke mooie hoer die hij wil hebben wordt door mij betaald:

«dit is mijn lijf».

Kennelijk mag de Jongensprins der Zeeën zich als Dracula laven aan het bloed van Christus, die zich bovendien plaatsvervangend als hoer aanbiedt. En naar aanleiding van de boekenweek van 1973 verzucht Reve: «Ik heb het rijk alleen. Of moet ik zeggen:/ ‹Mijn koninkrijk is niet van deze wereld›?»

We stellen vast dat Reve zijn best doet de katholieke geloofsleer volkomen op zijn kop te zetten. De uiterste grens bereikt hij wellicht in twee gedichten over respectievelijk de Maagd Maria en God Zelf. In Sacrament geeft de Moeder Gods zich aan een jonge Soldaat «die eenzaam was zonder moeder/ en het nog nooit gedaan had bovendien». Als er ooit met diepe tederheid over incestueuze erotiek is geschreven, is het hier:

Het was zo lief, zoals hij bij Haar lag,

en Zij hem wiegde.

In De voetjes van de vloer ontkurkt God een fles wijn en gaat dansen. Hij zingt: «Hopla. Een roomse homo heeft voor Mij/ één gedicht geschreven dat Mij recht doet.» In uitzinnige dronkenschap roept Hij zelfs uit: «Groot zijn Mijn werken./ Bij Mij is alles mogelijk.» Voorwaar een dionysisch tafereel in de beste heidense tradities. En juist Dionysos is de god van de waanzin, de vervoering, de god die zich in woeste gebergten in de gedaante van een wild dier door op hol geslagen vrouwen laat verscheuren om zijn goddelijke kracht aan hen mee te delen. Dionysos is de god van de kater.

Maar Dionysos is ook de god van de maskerade. Dat Reve geen bezwaar heeft tegen theatrale kitsch en graag de rol van nationale nar speelt, is bekend, met name sinds de Grote Gerard Reve Show die in 1974 op de televisie werd uitgezonden. Ik herinner me nog als de dag van gisteren hoe ik daar met een ongrijpbare mengeling van verbijstering, afgrijzen, plaatsvervangende schaamte en onstuitbare hilariteit naar heb zitten kijken. Tenenkrommend was vooral de intens knullige wijze waarop Reves beroemdste gedicht over het voetlicht werd gebracht:

Ik was een heel erg grote beer die toch heel lief was.

God was een Ezel en hield veel van mij.

En iedereen was erg gelukkig.

Een gedicht als dit, met de ongeloofwaardige titel Paradijs, kan ook niet anders dan lullig verklankt worden. De herhalingen van «heel», «erg» en «was» zijn onhandig, het woord «was» is geen verleden tijd maar een irrealis zoals kinderen die in hun spel gebruiken: «en toen was jij de vader en ik de moeder». En dan zijn beren en ezels ook nog erg onbeholpen dieren. Dat een volwassen man dit opschrijft! Toch is er alle reden het gedicht niet louter als ironische exercitie terzijde te schuiven. In het beruchte «Ezelsproces» heeft Reve het zelf als zinnige theologie verdedigd, bovendien wordt het in Nader tot U gevolgd door gedichten die geen spoor van ironie vertonen.

Bedrieglijke eenvoud, spanning tussen het hogere en het lagere, platvloerse clichés en statige kerktaal, een subtiel gebruik van herhalingen en een bijna onmerkbare, zelfs rustgevende muzikaliteit: het is allemaal aanwezig in een van Reves mooiste gedichten, Van het een komt het ander. Lees het hardop, let op de rijmklanken, zie hoe Reve speelt met het woord «droom» en beweer nooit meer dat hij geen dichter is:

Terwijl Teigetje mij vertelde hoe verliefd hij was geweest

op een politieman zijn donkerblonde zoon,

kwam Douwetje, droom van de pederast,

gelaarsd in paarse spijkerbroek,

per fiets voorbij, kennis is macht, op weg naar school.

De dieren legden zich neder. Het woud zweeg stil.

Van stenen werd het binnenste geroerd.

Snachts droomde ik dat ik in God geloofde.