God, wat een misdadiger (4)

Waarom moest ik, kind van ongelovige ouders, op godsdienstles? Mijn vader vond dat onze samenleving christelijke fundamenten had; de inrichting van de staat, de taal, de normen en zeden waren van christelijke origine en dus moest je er iets van weten.

Ik voelde me al eenzaam, maar het godsdienstonderwijs maakte me nog eenzamer. Wat zijn leugens? Leugens zijn allereerst dat wat je ouders vertellen wat leugens zijn. Ik hoorde dus leugens. Maar ik ging twijfelen. Hoe bestond het dat onderwijzer en klasgenootjes al die verhalen geloofden en kwaad werden als ik zei dat het leugens waren? Een hel, een man die over het water liep, wijn in water veranderen, een man aan een kruis gespijkerd, een brandend braambos - nooit was iets bewezen, en nooit kon ik het navoelen, en nooit begreep ik het, zoals je een som kon begrijpen, of de werking van een stoommachine of een pijl en boog. En waarom ik het niet kon begrijpen, begreep ik ook niet - dat zou nog een kleine tien jaar duren.
Ik moest, gelukkig, mijn ouders wel geloven, en was dus omringd door leugenaars. Een goochelaar begreep ik - die loog eigenlijk niet. Die deed iets anders. Je wist dat hij loog, maar hij probeerde je van het tegendeel te overtuigen. De truc is dat hij op het moment dat je overtuigd bent, zegt: ‘En toch is het een leugen.’
En ondertussen kwamen er bij ons mensen over de vloer die mijn ouders wel geloofden: Piet Spigt, Jaap van Praag, Anton Constance, Garmt Stuiveling, mijnheer Knap.
Sommige dingen begreep ik niet. Mijnheer Polak, een echte vrijdenker en humanist, had een dochter die naar een kibboets ging? Vreemd hoor.
En bij de familie Peeters hadden ze een kruisbeeld in de kamer. 'Waarom is dat, pap?’ 'Dat vinden ze mooi.’ En mijn tante Ans zei dat ze 'nog echt gereformeerd dacht’.
Er zijn gebeurtenissen die je gevormd hebben en waarvan ik nu denk: wat een onzin dat ik me dat zo aantrok. Een voorbeeld: 'De ondergang’ van Presser kwam uit. Daarin stonden de foto’s van de bergen met lijken. Mijn vader wilde eigenlijk niet dat ik die zag - hij twijfelde - maar toen liet hij het kwaad zien en zei: 'En dan nog maar zeggen dat God bestaat!’ Waarom zei hij dàt en niet: 'Ziehier de consequentie van het antisemitisme.’ Of: 'Dit is nu het gevolg van het fascistische denken.’ Nee: 'En dan nog zeggen dat God bestaat!’
Waarschijnlijk sprak hij op dat moment tegen zijn eigen familie.
Toen ik een paar jaar geleden voor het gerecht moest verschijnen, omdat ik christenen zogenaamd beledigd had, wilde ik deze anekdote vertellen, maar ik zag ervanaf, want ik schaamde me. Ik wilde, hoewel hij al jaren dood is, toch mijn vader niet voor gek zetten in de ogen van anderen. Maar ik weet onderhand zeker dat ik dit beeld voor ogen had - 'De ondergang’ van Presser en mijn kwade vader - toen ik schreef dat ik nog steeds vind dat alle christenhonden misdadigers zijn.
In de puberteit - bestaat dat begrip eigenlijk nog? - verzette ik me tegen mijn ouders, zoals dat toen hoorde. Nee, geloven in God kon ik niet, maar ik kon wel mijn energie in andere zaken steken die mijn ouders minder gevaarlijk maar toch wel even geschift vonden. Onder invloed van de popmuziek van die tijd interesseerde ik me nu eens voor Zen-boeddhisme, dan weer voor Tao, en dan weer voor het anarchisme en het communisme. Ook allemaal godsdienstjes. En ik heb ook nog transcendentaal gemediteerd. Daarover volgende keer meer. (wordt vervolgd)