Religieuze smeltkroes gebarsten na aanslagen Madrid

«God wil dit niet»

Het Spaanse Granada zou de ware smeltkroes van religies zijn. Maar vijf maanden na de aanslagen in Madrid blijkt er van saamhorigheid tussen islam en christendom weinig over. Het eeuwfeest voor Isabella la Católica rijt oude wonden open.

Granada — Op Plaza Isabel Católica, het kloppend hart van Granada tijdens paas processies, staat het: het monument voor Isabella, omringd door lawaaiige fonteinen. Rechts van de koningin buigt een man zich voorover met een rol perkament in de hand. Het is Columbus, die de vorstin vertelt dat hij de route naar Indië heeft gevonden. Maar Isabella symboliseert in Spanje aanmerkelijk meer dan alleen de drijvende kracht achter Columbus’ expeditie. In 2004, vijfhonderd jaar na de dood van de koningin, herdenkt het land Isabella als de grondlegger van de moderne staat. Als de vrouw die de Reconquista (de herovering van het land op de Moren) volbracht en haar land liet uitgroeien tot een wereldmacht.

«Ik heb geen probleem met die herdenkingsfeesten», bromt Malik Ruiz: «Net zo min als ik me druk kan maken over de jaarlijkse feestdag op 2 januari (La Toma, de dag van de inname, waarop Granada Isabella’s intocht in 1492 herdenkt — rz). Wij streven niet naar de terugkeer van de islam in Granada, we leven in het nu. In een overigens veel armere stad dan in de dagen van al-Andalus, de acht eeuwen dat moslims deze stad bestuurden.»

Door zijn haardracht en baard maakt Ruiz een Arabische indruk. Maar als je de zwarte baard wegdenkt, blijft er een alledaagse Spanjaard over. Hij is een van de naar schatting vijfduizend inwoners van Andalusië die zich tot de islam bekeerden. Een spirituele zoektocht bracht hem in contact met moslims in Granada, die hem naar eigen zeggen «innerlijke en uiterlijke vrede» gaven. Sinds een jaar is Ruiz zelfs voorzitter van de Stichting Moskee van Granada.

De Grote of Jami’ah Moskee werd vorig jaar in juli geopend in het Albaicín, de meest imposante wijk van de stad. De buurt is een wirwar van steile straatjes op een heuvel recht tegenover het Moorse paleis Alhambra. De moskee, die versierd is met mozaïeken uit Marokko, trekt drie- tot vierhonderd bezoekers per dag, aldus Ruiz, en in het weekend het dubbele.

Ruiz’ trots wordt gekrenkt als hij terugdenkt aan de inwijding van de moskee. «Ondanks onze uitnodiging kwam er geen vertegenwoordiger van de regering. Ook het Spaanse koningshuis liet verstek gaan. Agendaproblemen, zogenaamd. Ik vrees dat de tolerantie in deze tijden vol agitatie in het Midden-Oosten, en ook met de aanslagen van 11 maart in Madrid, niet zal groeien. De islam zal er een hoge prijs voor moeten betalen.»

Met nadruk voegt hij eraan toe: «Wij hebben in dit herdenkingsjaar van Isabella niets te vieren. Tijdens de overgave in 1492 werd afgesproken dat de moslims beschermd zouden worden. In plaats daarvan werd een vervolging ingezet.» Ruiz schudt nog eens het hoofd. «Het enige wat ik weet is dat Granada in de jaren van al-Andalus zijn moment van glorie beleefde. Met de islam als enige autoriteit.»

Washington Irving, een Amerikaanse diplomaat die ruim drie eeuwen na koningin Isabella te paard Granada binnenstapte, zou in 1829 in het Alhambra hebben gelogeerd en betoverd zijn geraakt. Het boek dat hij over Granada schreef, Verhalen van het Alhambra, is een bevlogen mengeling van feiten en legendes die het nog altijd goed doet in de talloze souvenir winkels. «Tegengehouden door de fysieke barrière van de Pyreneeën gaven de hordes uit Afrika en Azië hun moslimprincipe van verovering op. Zij zochten in Spanje een vreed zame en permanente overheersing. Ver weg van de landen die ze achterlieten hielden ze van het Spanje dat Allah hen gaf. De pilaren van hun macht ondersteunden een systeem van verstandige en gelijkwaardige wetten. Ze cultiveerden de kunst en wetenschappen. Er ontstond een natie, onvergelijkbaar met enig ander christelijk land. Het verspreidde een oosters licht, onbekend in het benauwende Europa.»

Al in de dertiende eeuw was Granada het laatste Moorse rijk in Spanje. De heerschappij van prins Ibn Ahmar werd door Ferdinand III van Castilië geduld, zij het alleen in ruil voor pittige belastingen en de hulp van de Moren bij de herovering van Sevilla. Toch zou in het Moorse Granada, dat zich over dertien duizend vierkante kilometer uitstrekte, de handel, landbouw en cultuur floreren. Met ongeveer een half miljoen inwoners was het een dichtbevolkt gebied.

Twee eeuwen later, na het huwelijk van Isabella met Ferdinand van Aragón, begon de verovering van de steden die Granada omringden. Rond 1490 was de hoofdstad geïsoleerd. Tevergeefs riep Baobdil, de vorst, de hulp in van moslims uit Noord-Afrika en Azië om zo weerstand te kunnen bieden aan de troepenmacht van 150.000 christelijke soldaten. Op 2 januari 1492 werd de stad ingenomen. De Reconquista was voltooid.

Elena Argita, onderzoekster aan het instituut voor Semitische studies van de universiteit van Granada, aarzelt bij het idealiseren van het Moorse Spanje. «Al-Andalus was niet bepaald een samenleving waarin iedereen gelijk was. Het vergaren van weelde ging ten koste van een grote onderklasse. Desondanks geldt in de Arabische wereld Granada nog altijd als de ware symbiose. Bij de universiteit schrijven zich talloze Marokkaanse studenten in. Zij hebben een pre wanneer ze in eigen land vertellen dat ze in Granada studeerden.»

Argita merkte zelf tijdens reizen in de Arabische wereld hoe deuren voor haar opengingen als ze vertelde dat ze uit Granada afkomstig was: «Dat was zo tot een jaar geleden. Veel veranderde na de top op de Azoren. Toenmalig premier Aznar liet zich als de beste vriend van de Amerikaanse president Bush fotograferen en steunde zijn Irak-politiek openlijk. Dat werd niet begrepen. Net zo min als de opgeblazen herovering van het Peterselie-eiland voor de Marokkaanse kust en het voortdurend per ongeluk schenden van het luchtruim door Spaanse gevechtsvliegtuigen. Met het aantreden van de socialist José Luis Zapatero lijkt nu een koerswijziging ingezet. De politieke partijen beginnen in te zien dat er een eeuwenoude relatie met Marokko ligt. Het is niet alleen de Straat van Gibraltar die we delen.»

In de voormalige Moorse bazaar Alcaceria naast de kathedraal van Granada schuifelen de toeristen in korte broeken voorbij. Het straatbeeld is dat van gitanos die palmtakjes in de handen van voorbijgangers drukken, van Marokkaanse jongens die op muurtjes zitten, van traditioneel geklede moslims die voorbij snellen. In de etalages hangen flamencojurken. Plaatjes van stieren en van de beweende dichter García Lorca domineren de ansichtkaarten. Een islamitische schoenpoetser heeft een sticker met de tekst «Nee tegen het terrorisme» op zijn kist met borstels geplakt.

«Vanaf het eerste moment dat ik door Granada liep, voelde ik dat hier iets van mijn cultuur lag», zegt Houssin Bokili, een 28-jarige student afkomstig uit Marokko. Hij draagt een spijkerbroek, een Tommy Hilfiger-trui en sportschoenen van Puma. Granada is een kalme stad, zegt Bokili. Hij heeft nooit iets meegemaakt wat ook maar op racisme zou duiden. «Ik heb geluk en ben altijd met respect behandeld. Ik behoor niet tot mijn landgenoten die in Almería onder de brandende zon kastomaten plukken. Zij hebben een heel zwaar bestaan.»

Zijn vrienden in de stad zijn op een enkeling na allemaal Marokkaan. Hij herinnert zich lange discussies die hij voerde in de weken na de aanslagen in Madrid. De discussies gingen over hun schaamte en hun angst om ineens op straat weer als «Moor» nageroepen te worden. Houssin Bokili: «Ik haat dat woord en snap het bovendien niet. Je vervloekt een ander toch ook niet omdat hij christen is? Iets lijkt de afgelopen jaren wel verbeterd: de Spanjaarden ontdekten dat het mensen uit Polen, Litouwen en Rusland zijn die hun huizen beroven. Dat heeft een deel van de druk op de Marokkanen weggehaald.»

De katholieke koningen van de vijftiende eeuw hadden na hun zege over Granada de handen vrij voor een politiek die gericht was op de eenheid en bloei van het moderne Spanje. In dat proces kwamen de nazaten van het Moorse koninkrijk niet van pas. De in 1483 opgerichte Adviesraad voor de Inquisitie voerde een systeem van gedwongen bekering in. Niet alleen de moslims werden slachtoffer van letterlijk pijnlijke openbare processen tegen andersgelovigen. Ook joden werden racistische maatregelen opgelegd, bijvoorbeeld de verplichting een herkenningsteken te dragen dat ze onderscheidde van de katholieken.

Het initiatief voor de bouw van de nieuwe Grote Moskee in het Albaicín van Granada kwam van een bekeerde Schot die een eigen geloofsgemeenschap onder de naam Al Moerabitoen aanvoert. Het project kostte vier miljoen euro, gefinancierd door fondsen uit onder meer Libië en Marokko. Grootste geldschieter was het emiraat Sharjah, een van de zeven van de Verenigde Arabische Emiraten. De emir van Sharjah was vorig jaar bij de opening, te midden van trotse afgevaardigden uit Turkije, Syrië, Libanon en Palestina.

De burgemeester van Granada stuurde een vervanger, zich wel bewust van de provocatie die veel buurtbewoners zagen in de bouw op een van de mooiste locaties in het Albaicín. Uiteindelijk vertraagden hun protesten de aanleg van de moskee hooguit. Deze ontpopte zich snel als een toeristische trekpleister.

Pastoor Javier Alaminos van de nabij gelegen kerk San José is er niet gelukkig mee: «Het probleem is dat we hier een sterk groeiende concentratie van moslims meemaken. Ze beroepen zich op de Moorse geschiedenis van de stad. Maar tussen de eerste en achtste eeuw was dit land wel degelijk van christenen. Zij waren de eersten die na de Romeinen kwamen. Van mijn kerk werd in de achtste eeuw een moskee gemaakt. Moslims zijn die geschiedenis vergeten. Ze liegen als ze zeggen dat Granada altijd islamitisch was.»

Alaminos’ voornaamste bezwaren tegen de moskee betreffen de plek van het gebouw, ingeklemd tussen een kerk en een klooster. «Dan beweren ze dat de kerk ernaast vroeger een moskee was. Bedrog!» Met een hand op mijn arm zegt hij: «De moslims beweren dat hun god alleen de vrede predikt. Tegelijk bestempelden ze de Grote Moskee als centrale moskee voor West-Europa. Ze hebben het Albaicín ingenomen als hun Heilige Stad. Ondertussen doen ze niets om hun mensen te weerhouden van hun heilige oorlog tegen de westerse wereld. Waarom treden ze niet op tegen die fanatici?»

In de dagen na de terreurdaad in Madrid huilde Alaminos onafgebroken: «Om de mensen die uit naam van Allah moesten sterven. Diezelfde Allah werd gekneed tot een god van hun eigen egoïsme. God wil dit niet. Hij stuurde zijn zoon om ons te bevrijden. Wanneer we aan hem onze eigen vorm geven vervallen we in zelfzuchtigheid en zonde. Zo komen we nergens.»

Zakaria Maza Vielva, voorzitter van de traditionele, kleine moskee Temor de Allah (Vrees van God), gooit zijn handen omhoog: «Wat stelt het katholieke geloof in de ze stad eigenlijk voor? Semana Santa, de heilige week, is tot een drinkgelag verworden.» Nog altijd wacht Maza Vielva op dezelfde overheidssteun voor zijn moskee als de kerken in de stad ontvangen. In plaats daarvan stond na de aanslagen in New York ineens de Spaanse politie op de stoep, die verdachte Syriërs tijdens het vrijdaggebed wilde observeren. «Ze weten van niets. Ze baseren zich op slecht vertaalde documenten die verdenking van islamitisch terrorisme moeten rechtvaardigen. Waarom al die aandacht van de pers als in een westerse stad een aantal bommen ontploffen? In deze wereld lopen een miljard moslims rond. Zijn al die mensen stuk voor stuk verantwoordelijk voor iedere jood die sterft? Door de Verenigde Staten werd een campagne tegen ons ingezet. Het Albaicín werd in El País als de lange schaduw van Bin Laden beschreven. Dat heeft een heel slechte invloed op ons samenleven hier. Het terrorisme raakt mij ook; alleen dankzij de wil van God zat ik niet in die trein die in maart bij Atocha ontplofte. De westerse wereld voelt zich oppermachtig en zaait haat. Ik snap dat mensen daardoor wanhopig worden. Ik wil niets goedpraten, maar Bush slaagt er nog in om van een steen een terrorist te maken.»

Er is volgens Maza Vielva nimmer rekening gehouden met de moslimgemeenschap. De feesten rond de vijfhonderdste sterfdag van koningin Isabella kan hij dan ook nauwelijks als een belediging zien: «Wij deden het gemeentebestuur destijds voorstellen om de jaarlijkse La Toma-viering van toon te laten veranderen, zodat het een verbroederingsfeest zou worden. Ik heb daar nooit antwoord op gekregen.»

Met dank aan Jeanette de Vos