God wil niet dood

Ondanks een offensief van Nieuwe Atheïsten ter bestrijding van de ‘ziekte’ die godsdienst heet, lijken God en zijn aanhangers zich maar niet gewonnen te geven. Waarschijnlijk heeft de mens een leegte in zich waar God precies in past.

ALS TEGENWOORDIG op zondagochtend de bel gaat, is de onverwachte bezoeker niet meer vanzelfsprekend een mormoon, Jehova’s getuige of zevendedagsadventist. De kans wordt steeds groter dat het Floris van den Berg is, filosoof en bestuurslid van De Vrije Gedachte. Hij heeft groot nieuws voor ons: God bestaat niet.
Het is zelfs niet uitgesloten dat Floris ouderwets zijn voet tussen de deur zet, want hij wil ons redden. ‘Religie is een ziekte’, schrijft hij: ‘Een ziekte, variërend van voetschimmel (nogal onschuldig, maar hinderlijk) tot levensbedreigende kanker. Een kwaadaardig virus, dat al met al meer kwaad dan goed doet.’ Maar God wil niet dood, zo blijkt telkens weer. Zelfs in het ketterse Nederland gelooft nog altijd veertien procent van de mensen dat Adam en Eva echt bestaan hebben. Om verdere verspreiding van het kwaad dat godsdienst heet te voorkomen, pleit Van den Berg voor de afschaffing van het bijzonder onderwijs, een verbod op partijen op godsdienstige grondslag en een algemeen ontmoedigingsbeleid tegen religie, te vergelijken met het hedendaagse antirookbeleid.
Van den Berg is initiatiefnemer van de Nederlandse atheïsmecampagne, opgezet naar het voorbeeld van de Britse beweging Atheism – Gimme Five, die begin dit jaar in Londen opzien baarde met busreclames tegen de godsdienst. Meer in het algemeen is het Nieuwe Atheïsme waarvan bioloog Richard Dawkins als boegbeeld fungeert een Angelsaksisch verschijnsel. Afgezien van de Franse filosoof Michel Onfray zijn Dawkins’ voornaamste publicitaire medestanders de Britse journalist Christopher Hitchens, de Amerikaanse schrijver Sam Harris en zijn landgenoot Daniel Dennett, filosoof. Sinds een gelijknamig tv-optreden in 2007 is dit viertal bekend als The Four Horsemen, een knipoog naar Openbaring 6:1-8. De prominentste Nederlandstalige vertegenwoordigers zijn de filosoof Herman Philipse en de juristen Paul Cliteur en Dirk Verhofstadt. De Nederlanders organiseerden op 30 mei de eerste ‘Atheïsmedag’ in ons land en verspreidden een vertaling van de Londense slogan op posters: ‘Er is waarschijnlijk geen god, durf zelf te denken en geniet van dit leven.’ In Hoe komen we van religie af? schrijft Van den Berg dat de wereld om twee redenen beter af zou zijn zonder religie. Ten eerste is religie onwaar of betekenisloos, aangezien religieuze uitspraken over de werkelijkheid onwaar en vaak ook (logisch) ongeldig zijn. Ten tweede vormt religie een belemmering voor individuele vrijheid en zelfbeschikking; het ontmoedigt mensen om na te denken en verhindert de ‘vrije ontwikkeling van morele redeneerwijzen’.
Van den Berg c.s. zet het atheïsme dus opnieuw op de Nederlandse kaart, maar het bijbehorende gedachtegoed wordt vooral geleverd door de genoemde buitenlandse auteurs wier boeken hier in vertaling verschijnen. De laatste Nederlandse bijdrage op topniveau was het Atheïstisch Manifest van Philipse, dat weliswaar al in 1995 verscheen, maar nog altijd staat als een huis. Bijgevolg heeft Philipse een beetje de status van de ‘Nederlandse Dawkins’ verworven, maar afgezien van zijn vlinderdas en geaffecteerde dictie is er weinig dat de bezonnen Utrechtse hoogleraar verbindt met de cholerische Brit. Philipse hanteert het rapier waar Dawkins doorgaans zijn pointe met een voorhamer bij de lezer naar binnen beukt.

HOE DAN OOK, deze zoveelste heropleving van de westerse materialistische filosofie (waarvan de briljante Tegengeschiedenis van de filosofie van Michel Onfray de oorsprong beschrijft) is een goede zaak voor wie niet gelooft en gevrijwaard wenst te blijven van godsdienstige inmenging in zijn leven. Van den Berg stelt terecht dat sommige instituties in dit land moeten worden afgeschaft omdat gelovigen er privileges aan ontlenen. Denk aan het godslasteringsartikel (147 Wetboek van Strafrecht) dat de ‘krenking van godsdienstige gevoelens’ als misdrijf tegen de openbare orde bestempelt. Je zou denken dat zulke artikelen de laatste decennia een stille dood waren gestorven, maar ze zijn springlevend. Naar aanleiding van de moord op Theo van Gogh schreven de ministers Donner en Remkes aan de Tweede Kamer dat zij een ‘verruiming van de strafbaarstelling voor godslastering’ onderzochten teneinde ‘islamitische radicalisering’ in ons land tegen te gaan. Zo’n verruiming is niet alleen onrechtvaardig, ze staat ook gelijk aan het paard achter de wagen spannen: godsdienstfanatici krijgen hierdoor ten onrechte de status van martelaar.
De Nieuwe Atheïsten hebben gelijk als ze stellen dat de ontologische kwestie is opgelost. Het is spijtig voor de apologeten, maar er zijn geen redelijke gronden om te geloven. Er zijn louter redelijke gronden om niet te geloven. In dat opzicht vertellen de auteurs niets nieuws. Wie enigszins vertrouwd is met de fundamenten van de moderne wetenschap en met de denkbeelden van Friedrich Nietzsche, Ludwig Feuerbach, Albert Camus en Jean-Paul Sartre kan hun filosofische bespiegelingen gevoeglijk overslaan. Ze lopen zelfs een hele stap achter bij Philipse, die in zijn manifest aantoonde dat een god met handen en voeten – dus niet een non-descript ‘iets’, maar een opperwezen dat zich met de aarde en de mens bemoeit – niet kan bestaan. Zodra gelovigen een concreet kenmerk aan hun god toeschrijven, blijkt dat wetenschappelijk weerlegbaar en dus onzinnig te zijn. De voornaamste casus is natuurlijk het scheppingsverhaal dat door wetenschappers van uiteenlopende disciplines grondig is weerlegd. Dit is de kern van het semantisch atheïsme van Philipse: betekenisvol spreken over een god is onmogelijk. Het staat theologen uiteraard vrij om alle referenties aan god op te vatten als metaforen, maar dan spreken ze dus over metaforen, niet over een goddelijk wezen. Hooguit laat de wetenschap de deur nog op een klein kiertje open staan voor een deïstische god, wiens scheppingsdaad aan de oerknal (en dus aan het ontstaan van de natuurwetten) voorafging.
Eigenlijk zijn de Angelsaksische atheïstische auteurs, die zichzelf als eersteklas iconoclasten beschouwen, behoorlijk saai. Hitchens is bij vlagen zeer geestig, maar al met al zijn hij en zijn bentgenoten een stel slaapmutsen omdat ze, zoals de Amerikaanse theoloog John Haught terecht opmerkt, niet de uiterste consequenties uit hun ongeloof trekken. Als God niet bestaat, dan is alles toegestaan. Dan heeft ons gedrag louter aardse consequenties en moet ieder van ons zijn eigen moraal scheppen uit het niets. Waarom zou je dan leven volgens de conventionele opvatting van goed en kwaad? Dawkins en Harris doen hun uiterste best om aan te tonen dat een atheïst ook heel goed, ja zelfs beter, aan die conventionele opvatting voldoet. Ze menen waarschijnlijk oprecht dat je een beter mens bent als je niet gelooft. De vraag waarom je in de eerste plaats een goed mens zou willen zijn, laten ze onaangeroerd. Haught noemt hen ‘soft-core atheists’ om hen te onderscheiden van harde jongens als Nietzsche, Camus of Sartre die beseften dat een atheïst tegen wil en dank ‘door de wildernis van het nihilisme heen moet’.
Voor de gelovigen is dit een schrale troost. Als zij vandaag de dag hun geloof willen rechtvaardigen, zijn ze aangewezen op de voluntaristische belijdenis van Tertullianus: ‘Credo quia absurdum’, ik geloof omdat het absurd is. Over dat absurdum zelf valt vervolgens niet te praten, ook niet door atheïsten. Je kunt vaststellen dat geloven in God absurd is, maar als de gelovigen dat zelf toegeven, ben je uitgedebatteerd. Dan verschuift het gesprek als vanzelf naar de vraag waarom een mens in hemelsnaam iets absurds zou geloven. Geloven in God is in feite net zo dom als geloven in een theepot die om de zon draait, meent Dawkins; daar moet je wel een verdomd goede reden voor hebben, anders is het hoog tijd voor een bezoek aan de psychiater. Maar hoe erg is het eigenlijk als iemand gelooft dat er een theepot om de zon draait? Anders gezegd: is het behalve absurd ook moreel verwerpelijk om te geloven?
De Nieuwe Atheïsten menen van wel. Het ‘goddebat’ dat ze hebben ontketend, gaat ook eigenlijk niet over God maar over het nut en de gevaren van godsdienst. De geloofsakt op zich kunnen ze niet onschadelijk maken, dus halen ze alles uit de kast om aan te tonen hoe verderfelijk die geloofsakt in de praktijk uitpakt. Geloven in God is niet alleen dom, het is slecht voor je gezondheid en je levensvreugde en het is ook nog misdadig omdat het aanzet tot geweld en groepsdenken waarvan anderen onvermijdelijk het slachtoffer worden. En de Nieuwe Atheïsten willen dit maar liefst categorisch bewijzen. Sam Harris schrijft dat religie altijd een vehikel is geweest voor slechte ideeën en misdadige praktijken en dat het ook in zijn verdraagzaamste vorm neerkomt op ‘een van de meest perverse misbruiken van de menselijke intelligentie’.
De excessen van gelovigen van alle gezindten zaten Christopher Hitchens zijn leven lang dwars. Nu hij de intellectuele balans van zijn ervaringen met religie opmaakt, constateert hij dat ze geen bijverschijnselen zijn, maar behoren tot de kern ervan: ‘Religie is gewelddadig, irrationeel, intolerant, verbonden met racisme, stammenstrijd en hypocrisie, geworteld in onwetendheid en gekant tegen vrij onderzoek, minachtend over vrouwen en onderdrukkend voor kinderen.’ Net als Dawkins komen Harris en Hitchens bovendien op de proppen met statistieken en anekdotes die moeten aantonen dat gelovigen dommer, minder ontwikkeld en minder beschaafd zijn dan ongelovigen en (althans volgens Hitchens) ook viezer, lelijker en slechter gekleed. Veel van dit materiaal is te flauw voor woorden en de cijfers zijn vaak nog minder overtuigend dan de anekdotes. Harris stelt bijvoorbeeld dat de seculiere Scandinaviërs meer aan ontwikkelingshulp besteden dan de gelovige Amerikanen. Dat klopt zolang je alleen naar overheidshulp kijkt; Amerikanen geven een veelvoud uit aan particuliere ontwikkelingshulp. En trouwens: sinds wanneer is ontwikkelingshulp, die grotendeels neerkomt op zelfhulp van de gever, een criterium voor wat filosofen het ‘goede leven’ noemen?
Hun werk wemelt van zulke gelegenheidsargumenten, aangevuld met gratuite scheldpartijen. ‘Less is more’, zou je de auteurs willen toevoegen. De litanieën van de Nieuwe Atheïsten maken het ‘beschavingsoffensief’ dat hun voor ogen staat zeer problematisch. De zachtmoedige kerkhistoricus John Cornwell toont zich oprecht verontrust dat een collega-academicus als Dawkins zulke taal uitslaat: ‘Je laat er bij je lezers weinig twijfel over bestaan dat, mocht je ooit politieke invloed of macht krijgen, je beleid bepaald zou worden door je opvatting van geloof als een ziekte.’ De theoloog Alistair McGrath sloeg terug met Dawkins als misvatting, waarin hij het ‘atheïstisch fundamentalisme’ van de bioloog en zijn geestverwanten blootlegt. Dawkins maakt het hem ook wel erg makkelijk, McGrath hoeft hem maar te citeren: ‘De God waarin Dawkins niet gelooft is “een kleinzielige, onrechtvaardige, onbarmhartige albedil; een wraakzuchtige, bloeddorstige etnische zuiveraar; een vrouwenhater, homohater en racist; een moordenaar van eigen en andermans kinderen en een volkerenmoordenaar; een funeste, megalomane, sadomasochistische en wispelturige, kwaadwillende dwingeland”’, schrijft hij: ‘Welbeschouwd geloof ik ook niet in zo’n God. En ik ken ook niemand die dat wel doet.’
De Nieuwe Atheïsten begrijpen weinig van godsdienst en hun protesten staan gelijk aan blaffen tegen de maan, schreef Jan Willem Nienhuys eens in Skepter. Het wraakzuchtige wezen dat Dawkins omschrijft, is natuurlijk niet God maar de mens. ‘Alle idealen – goddelijke, transcendente, menselijke of bedachte – kunnen misbruikt worden. Zo is de menselijke natuur’, schrijft McGrath: ‘En als we dit weten, moeten we nagaan wat we hieraan moeten doen in plaats van kritisch uit te halen naar religie.’ Het echte waanbeeld in de hele discussie, meent hij, is de opvatting van Dawkins, Hitchens en Harris dat de wereld er beter op zou worden als religie werd uitgebannen. Ziedaar de kosmische theepot van de Nieuwe Atheïsten. Het geloof in de theepot van de secularisatie verhindert hen te zien dat religie dezelfde sociale functie vervult als allerlei andere vormen van opgelegde of zelf aangenomen identiteit waarvan de mensheid zich bedient, namelijk de functie van uitsluiting: ‘Als religie zou ophouden te bestaan, zouden andere sociale factoren bij het trekken van scheidslijnen een bepalende rol gaan spelen en zouden enkele daarvan in de loop van de tijd een transcendentaal karakter aannemen.’ Met andere woorden, de religie zou opnieuw worden uitgevonden omdat de mens een onbedwingbare behoefte heeft om zijn groep af te scheiden van andere groepen.

INTERESSANT om te zien hoe verdedigers van het christendom de aantijging pareren dat het meeste geweld in de geschiedenis veroorzaakt is door de godsdienst. Hier is de Amerikaanse denktank-conservatief Dinesh D’Souza volledig in zijn element. Hij laat zien dat de Nieuwe Atheïsten terugvallen op verouderde bronnen, apocriefe verhalen en eenzijdige interpretaties bij hun beschrijving van gruwelen die zijn begaan in naam van de godsdienst. Bij de heksenprocessen in Salem stierven geen ‘duizenden’ vrouwen, maar 25. Moderne historici hebben het beeld genuanceerd van de Inquisitie als een moordmachine, dat grotendeels op verzinsels berust. ‘En wat te denken van de Dertigjarige Oorlog? In het begin speelden religieuze motieven een rol, maar de historici benadrukken dat er vooral om politieke macht gevochten werd. Dat religieuze motieven ondergeschikt werden aan politieke blijkt wel uit de rol van het katholieke Frankrijk, dat een leger bestaande uit Zweden en Fransen op de been bracht om de protestantse partij in Duitsland te hulp te komen tegen de grootste katholieke mogendheid ter wereld, het Heilige Roomse Rijk.’
Veel moderne conflicten die door de Nieuwe Atheïsten als ‘godsdienstoorlogen’ worden geboekstaafd, zijn dat niet. Het conflict tussen Israël en de Palestijnen bijvoorbeeld komt voort uit geschillen over land en zelfbeschikking. Zelfmoordterrorisme is evenmin het exclusieve domein van gelovigen die op een beloning in het hiernamaals hopen. De beruchte bomgordel en het gebruik van burgervliegtuigen als terreurwapen zijn nota bene ‘uitgevonden’ door marxistische Tamil-activisten. Godsdienst is vaak geen aanstichter van geweld, maar een middel om sociale of politieke conflicten te legitimeren. D’Souza merkt op dat Hitchens zich verslikt in zijn eigen godsdienstgrap: ‘Een man loopt door Belfast en opeens duikt een figuur op die een vuurwapen op hem richt en vraagt: “Protestant of katholiek?” “Geen van tweeën”, roept de man uit: “Ik ben atheïst.” Waarop de ander zegt: “Een katholieke atheïst of een protestantse?”’ Wat de grap tweemaal zo leuk maakt, aldus D’Souza, is dat hij het tegendeel illustreert van wat Hitchens wil zeggen: het conflict in Noord-Ierland is helemaal niet van religieuze aard.
We zullen het godsdienstig fundamentalisme beheersbaar moeten maken zoals we dat hebben gedaan met voetbalvandalisme, belastingontduiking en ander maatschappelijk ongemak. Maar anders dan de vier ruiters van de secularisatie denken zijn veruit de meeste van onze gelovige medemensen oppassende burgers wier geloof goed te verenigen valt met een moderne, democratische samenleving. Twee redacteuren van The Economist, John Micklethwait en Adrian Wooldridge, menen zelfs dat Max Weber, Émile Durkheim, Sigmund Freud en andere grondleggers van de sociale wetenschappen een ‘categorische fout’ hebben gemaakt door godsdienst en moderniteit onverenigbaar te achten. Niet secularisatie, maar pluralisme is volgens hen het wezenskenmerk van de moderne samenleving. Dat blijkt volgens hen uit het voorbeeld van het modernste land ter wereld, de Verenigde Staten, tevens een van de meest godsdienstige landen. De grote godsdiensten in de VS hebben zich niet verzet tegen de moderniteit, maar deze juist mogelijk gemaakt door de sociaal ontwrichtende gevolgen ervan beheersbaar te houden. Tegelijk zijn ze altijd particulier, politiek onafhankelijk en doorgaans democratisch geweest, zodat ze, in tegenstelling tot de uitgewoonde en bijna leeggelopen Europese staatskerken, zowel hun geloof als hun dynamiek hebben behouden.
Ook D’Souza baseert zijn apologie op het aloude argument dat godsdienst de cohesie in de samenleving bevordert. Daarom wil God, ondanks alle protesten, maar steeds niet dood. We kunnen McGrath’s adagium ook hierop toepassen: als er geen godsdienst was, zou een ander stelsel van denkbeelden wel voor die cohesie zorgen. Maar niet om het even welk stelsel. Het ziet er bijvoorbeeld niet naar uit dat het vliegende spaghettimonster spoedig in de leemte zal voorzien, evenmin als de vliegende theepot die secularisatie heet. Het laatste woord heeft vooralsnog Terry Eagleton, de marxistische literatuurprofessor uit Lancaster die zich op een dag in 2007 afvroeg waarom mensen als hij de laatste tijd zo veel over God spraken. Zijn antwoord luidt dat alle afgeleide goden – wetenschap, de Rede, liberalisme, kapitalisme – niet hebben kunnen voorzien in de behoefte aan ‘een verbinding van de diepste, universele waarheden met het dagelijks leven van miljoenen mannen en vrouwen’. De menselijke natuur verlangt waarschijnlijk zo’n stelsel. De grote vraag is of en hoe we kunnen voorkomen dat het wordt misbruikt.


Boeken

Richard Dawkins, God als misvatting, Nieuw Amsterdam, 2006

Christopher Hitchens, God is niet groot, Meulenhoff, 2008

Sam Harris, Van God los: De gevaren van religie en de toekomst van de rede, Arbeiderspers, 2007

Dinesh D'Souza, Het christendom is zo gek nog niet, Nieuw Amsterdam, 2009

Michel Onfray, Tegengeschiedenis van de filosofie, deel I en II, Mets & Schilt, 2007

Floris van den Berg, Hoe komen we van religie af?, Houtekiet, 2009

Alistair McGrath, Dawkins als misvatting, Ten Have, 2007

Terry Eagleton, Reason, Faith, and Revolution: Reflections on the God Debate, Yale University, 2009

John Haught, God and the New Atheism: A Critical Response to Dawkins, Harris, and

Hitchens, Westminster John Knox Press, 2007

John Cornwell, Darwins engel, Nieuw Amsterdam, 2008

John Micklethwait en Adrian Wooldridge, God is Back: How the Global Rise of Faith is Changing the World, Penguin, 2009

Herman Philipse, Atheistisch Manifest: Drie wijsgerige opstellen over godsdienst en moraal, Prometheus, 1995

Herman Philipse, Atheistisch Manifest en De onredelijkheid van religie, Bert Bakker, 2004