God zag er niet uit

Toon Tellegen gebruikt de brokstukken van het geloof om vrij te essayeren © Klaas Fopma / ANP

Een man loopt door het plantsoen en ziet God in de bosjes. Niet als een brandende doornstruik, zoals Mozes hem zag, maar in de gedaante van een mens. Een ‘doodgewone man’, die toch onmiddellijk herkend wordt als de Schepper. Hij zit daar maar, rillend van de kou, superieur maar plotseling ook benaderbaar. Wat doe je dan? Stilletjes voorbijlopen, of toch eens informeren naar de geheimen van het bestaan, hem voorzichtig vragen om een gunst?

Voor zo’n dilemma staan veel van de personages uit God onder de mensen, de nieuwe prozabundel van Toon Tellegen. In de 56 gebundelde teksten, die over het algemeen slechts twee of drie pagina’s beslaan, bewandelt God zijn schepping en komt hij op onnavolgbare, soms ronduit onbeholpen wijze in aanraking met de mensen.

De verhalen spelen alleen in een tijd waarin de absolute heerschappij van de christelijke God niet bepaald onbetwist is. ‘Hij was in verval, in staat van ontbinding’, aldus de verteller, die verder speculeert dat God binnenkort ‘metafysisch uitgeput en voorgoed onbruikbaar’ zal zijn. Toch is dit boek is geen treurzang, geen poging om God terug de wereld in te schrijven. Tellegens verhalen zijn daarvoor te speels en onderzoekend, gespeend van religieuze melancholie. Eerder gebruikt hij de brokstukken van het geloof om vrij te essayeren, kleine proefopstellingen te maken waarmee de curieuze verhouding tussen God en mens kan worden uitgediept.

In de seculariserende verhaalwereld is de mensgeworden God een anachronistisch, bijna deerniswekkend figuur. Tellegen beeldt hem dan ook niet af als almachtige patriarch, maar als een verlopen zwerver die sigaretten rookt op parkbankjes: ‘God zag er niet uit. Versleten kleren, ingevallen wangen, afgetrapte schoenen, struikelend over zijn eigen benen.’

‘Na een paar jaar werd de inspanning God te veel en raakte hij mismoedig’

Zijn ongemakkelijkheid heeft iets aandoenlijks, maar Gods wrede uitspattingen maken duidelijk dat hij van een ander kaliber is dan de schattige eekhoorn en mier uit Tellegens geliefde dierenverhalen. De passant die de blauwbekkende God in de bosjes zijn winterjas wil aanbieden, krijgt er bijvoorbeeld om onduidelijke redenen flink van langs: ‘Toen stond God op, liep naar de man toe en gaf hem zo’n enorme klap in zijn gezicht dat zijn onderkaak brak en zijn rechteroog losraakte in zijn kas en naast zijn neus aan de oogzenuw bleef hangen.’

Op andere momenten scheldt God een goedwillende gelovige de huid vol (‘Schorriemorrie, dat ben je. Uitschot’), laat hij achteloos zieken creperen, valt hij willekeurige mensen lastig en verspreidt hij het gerucht dat hij niet bestaat omdat zijn volgelingen hem beginnen te irriteren. Dit is geen barmhartige schepper; net als de God uit het Oude Testament is hij grillig, steenhard en licht ontvlambaar. Die van Tellegen is alleen geen ‘verterend vuur’ dat totale toewijding eist. Eerder lijkt het alsof de mensheid hem ten diepste koud laat.

Dat wordt onderstreept door het verhaal dat nog het meest lijkt op een aanklacht, maar ook een van de grappigste teksten uit de bundel is. Tellegen beschrijft hoe mensen wereldwijd massaal samenkomen om God hun ontevredenheid te laten blijken. ‘Ze hadden genoeg van zijn bizarre en altijd onvoorspelbare gedrag’, en roepen daarom collectief ten hemel: ‘Doe niet zo raar, God!’ Na enig gesteggel belooft God verbetering, waarna de dingen eerst op een nieuwe manier imperfect worden, en er ten slotte een perfecte wereld zonder rampen en leed ontstaat: ‘Maar na een paar jaar werd die inspanning God te veel en raakte hij moe en mismoedig.’ Hij herstelt daarop zijn oude ‘rare’ orde en besluit nooit meer naar de mens te luisteren.

In hun filosofisch karakter doen deze merkwaardige korte verhalen vaak denken aan de parabels van Kafka, waarin de gedachten altijd verborgen zitten achter paradoxen en absurde gebeurtenissen. Ook bij Tellegen dringt die betekenislaag zich niet naar de voorgrond: door de bescheiden omvang van de teksten en het consequent kraakheldere, bijna naïeve Nederlands kun je gemakkelijk over de theologische reflecties heen lezen.

Als ik dan toch de ‘kern’ van God onder de mensen zou moeten aanwijzen, dan kom ik uit bij de fundamentele begripsverwarring tussen mens en God. Zoals God er niet in slaagt om het leed van zijn smekelingen te doorgronden, zo snappen de mensen op hun beurt weer niets van Gods vermetele contactpogingen. De twee partijen hebben andere betekeniskaders, kunnen zich hoegenaamd geen voorstelling maken van het perspectief van de ander, maar zijn toch op elkaar aangewezen, wat de hele situatie nog pijnlijker maakt. ‘Ze begrepen hem niet en zijn lijdensweg werd de hunne’, staat er al in het tweede verhaal over dit tragische verbond.

Tellegen schrijft in het voorwoord dat hij God als onderwerp neemt omdat niemand meer of minder van hem afweet dan hij. Dat ligt in lijn met het voorgaande, maar toch legt de auteur zich niet zomaar neer bij de onkenbaarheid van God. Door hem steeds weer te beschrijven, altijd met humor en verwondering, maakt Tellegen het mogelijk af en toe mee te leven met een God die, zoals Gerard Reve dichtte, mogelijk even eenzaam is als de mensen die hij heeft geschapen.