De Euro komt eraan

God zij met ons

Maar weinig mensen leveren kritiek op de invoering van de euro. Martien van Winden doet dat wel. Volgens hem is de euro rampzalig voor Nederland. Econoom Kees Vendrik en hoogleraar André Szász denken dat het allemaal wel meevalt.

Het wordt spannend. E-day nadert met rasse schreden. Sigarenboeren vragen zich verwilderd af hoe ze op tijd voldoende euro’s in huis krijgen om de aan hun gevels bevestigde tabakautomaten na de jaarwisseling draaiende te kunnen houden, winkeliers vluchten naar verluidt massaal naar de Bahama’s om het wisseldrama niet te hoeven meemaken en de overheid is begonnen met het distribueren van gratis «eurokits». Daarin bevinden zich de acht Nederlandse euromunten, met de beeltenis van koningin Beatrix en, alleen op het twee-eurostuk «God zij met ons» in de zijkant gegraveerd. Kunnen ze alvast wennen, want op 1 januari verdwijnt de gulden.

Volgens het ministerie van Financiën zit het wel goed met de acceptatie van de euro. Maar liefst 68 procent van de Nederlandse jongeren noemt de euro «het belangrijkste dat Europa heeft voortgebracht», meldt het ministerie triomfantelijk op de website. Dat dat niet hoeft te betekenen dat die jongeren ook maar een sikkepit vertrouwen hebben in hetgeen «Europa» voortbrengt, blijkt wel uit een Nipo-enquête die werd uitgevoerd in opdracht van de Socialistische Partij en EN Magazine. 47 procent zou tegen de euro stemmen als daarover een referendum zou worden gehouden, en 58 procent van de ondervraagden denkt dat de invoering van de euro ongunstig zal uitpakken.

Als Nederland op 1 januari definitief zijn harde gulden inlevert, wat krijgt het daar dan voor terug? Een stabiele euro, of een munt die blijft zwalken in de onderste regionen van het monetaire spectrum en zorgt voor een fikse inflatie?

Volgens Martien van Winden, beleggingsbankier en auteur van het boekje Rijk blijven, is de euro rampzalig voor Nederland. «De overige Europese valuta zijn in feite heel zwakke munten als je naar hun geschiedenis kijkt. Zelfs de Duitse mark heeft een hyperinflatie gekend. De gulden daarentegen is ijzersterk. We krijgen daar met de euro een veel zwakkere munt voor terug. Vanaf 1999 is de koers van de euro enorm gedaald. Hij is zelfs ingestort ten opzichte van de Chinese en Peruaanse valuta, notoir zwakke munten. Een verbijsterende prestatie.»

Van Winden behoort tot de weinigen die kritiek leveren op de komst van de euro. Dat verbijstert hem dagelijks. «De Europese Unie en de euro zijn verworden tot een soort geloofsbelijdenissen. Het lijkt de Reformatie wel. Die duldde ook geen tegenspraak, en die vond ook plaats vanuit Brussel. In 1532 verrees een brandstapel op de Grote Markt waar ketters werden verbrand op last van de bloedraad. Is dat waar we op afkoersen?»

In Rijk blijven schetst Van Winden de geschiedenis van de harde of «gave» gulden. Hij ziet de «tiende penning» die Spanje middels de lange arm van de hertog van Alva wilde gaan heffen in de Lage Landen als directe oorzaak voor het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog. «De Nederlandse edelen voelden er niets voor om met hun succesvolle nering de kas van de Spanjaarden te gaan spekken. Dan maar breken met de Spaanse koning, dachten ze. Ze tekenden hun bezwaren op in de Acte van Verlaetinghe. Het lijkt me wel een idee om de Tweede Kamer opnieuw te laten discussiëren over dat document. Het is nog nooit zo actueel geweest.»

De angst voor inflatie bij het in omloop brengen van de euro is volgens de econoom Kees Vendrik overdreven. «Door de komst van de euro zullen we zeker niet minder te besteden hebben. Met deze ECB, die een sterk anti-inflatiebeleid voert, is dat het laatste waar ik me zorgen over maak. Wat de dollar-eurokoers doet, maakt niet zo veel uit: staat de euro hoog, dan is dat voordelig omdat de olie relatief goedkoop wordt. Staat-ie laag, dan is dat goed voor de export naar niet-Euroland-landen.»

Ook André Szász, voormalig plaatsvervanger van de president der Nederlandsche Bank, en emeritus hoogleraar Europese Studies, ziet weinig problemen. De euro is nu redelijk stabiel. Zeker vergeleken met de enorme duikelingen die de munt vanaf de introductie in januari 1999 maakte. «Dat mensen schrikken van de eurokoers is zuiver psychisch», meent Szász. «Ten tijde van Reagan was de dollar vier gulden waard. Toen zei iedereen: ‹Goh, wat staat die dollar hoog›. Niemand bedacht dat je ook kon zeggen: ‹Wat staat de gulden laag›. Het vertrouwen in de gulden was enorm, maar wat we aan de euro hebben, weten we nog niet. Dat vertrouwen moet nog groeien.»

De deelnemers aan de Economische en Monetaire Unie hebben een stabiliteitspact gesloten waarin is vastgelegd dat alleen landen aan de EMU kunnen deelnemen die voldoen aan een strenge begrotingsdiscipline en de staatsschuld beperkt houden. EMU-landen die hun begrotingstekort te hoog laten oplopen, worden geconfronteerd met boetes die in de miljarden guldens kunnen lopen.

Szász: «Ik moet nog zien of de lidstaten de begrotingsdiscipline volhouden als het economisch minder goed gaat. De kans is aanwezig dat men dan toch weer gaat kiezen voor nationaal beleid, voor de eigen soevereiniteit, en dat men afstand neemt van Europese regels. Met de monetaire unie zijn we monetair en financieel elkaars binnenland geworden, maar dat accepteren we nog niet. Pas met het vestigen van een politieke unie zou dat doordringen. We staan aan het begin van een ontwikkeling naar verdere integratie. Die moet doorzetten wil de euro een succes worden. Alleen als de euro een politieke basis krijgt, wordt het een harde munt.»

Szász voorziet grote problemen als de EMU-landen het stabiliteitspact uithollen. «Er zijn spelregels afgesproken. Daar moet iedereen zich aan houden. Anders krijg je de grootst mogelijke ellende. Als het misgaat, komen er allerlei spanningen tussen de eurolanden. De euro hoeft niet per se een verenigend effect te hebben. Als het fout gaat, kan hij ook een splijtzwam zijn.»

In 1997 tekenden zeventig economen een open brief waarin ze wezen op de tekortkomingen van de EMU. Door de strakke begrotings regels zou die een desastreus effect hebben op de uitbouw van een moderne Europese sociale welvaartsstaat. De ondertekenaars verwachtten een toename van de werkloosheid en sociale spanningen, en riepen op tot herbezinning.

Kees Vendrik, tegenwoordig financieel woordvoerder van de Tweede-Kamerfractie van GroenLinks, was een van de initiatiefnemers. «Onze bezwaren zijn niet weggenomen, ook al lijkt het erop dat ze wel zijn doorgedrongen tot bredere kringen in Europa. Er worden eindelijk pogingen gedaan om het Groei- en Stabiliteitspact, dat het wegwerken van begrotingstekorten ongeacht de economische prijs voorschrijft, losser te maken. In de EMU-filosofie was dat aanvankelijk ondenkbaar. Kennelijk hebben sommigen politici ingezien dat het wegwerken van het begrotingstekort, zeker in combinatie met verlagen van belastingen niet zaligmakend is.» Kijk naar Nederland, zegt hij, waar het jarenlang economisch voor de wind ging. «Er bleek, na de harde bezuinigingen van Paars I, ruimte te zijn om een aantal budgettaire claims af te kopen, de belastingen te verlagen met dertig miljard gulden en tevens het begrotingstekort terug te dringen. De mensen hebben een goed gevulde portemonnee, maar onderwijs en gezondheidszorg kampen met grote problemen. De collectieve sector is zo’n tien procent gekrompen in tien jaar. Er is nu veel minder ruimte voor publieke voorzieningen dan vroeger.»

Nu het in Duitsland minder goed gaat, komen de EMU-afspraken onder druk. Uit angst voor recessie klinkt in Duitsland de roep om soepeler met de regels van het stabiliteitspact om te gaan. Eerder al deden geruchten de ronde dat de drie belangrijkste economieën uit de eurozone plannen smeedden om het stabiliteitspact soepeler te interpreteren als zwaar weer dat nodig zou maken. Nederlandse politici reageerden in lichte paniek: dat zou het vertrouwen in de euro ondermijnen!

Volgens Vendrik zal het zo’n vaart niet lopen. «De Duitsers hebben last van een economische neergang. Ze verhogen de belastingen liever niet. Zo komt er natuurlijk steeds minder ruimte voor sociale voorzieningen. Schröders way out is dat hij het stabiliteitspact wil flexibiliseren, zodat hij de staatsschuld kan verhogen om de recessie aan te pakken.» En dat is vloeken in de eurokerk. «Volgens mij is die overdreven nadruk op het terugdringen van de staatsschuld een erfenis van de jaren zeventig. Toen liepen de schulden te hoog op. Maar een tijdelijke verhoging van de staatsschuld is eigenlijk nooit slecht voor de economie. Er is althans geen bewijs voor het tegendeel. Natuurlijk moet je ervoor zorgen dat je geen derdewereldtaferelen krijgt, en je werkelijk alles op de pof moet doen. Maar op de korte termijn kun je de schuld best iets laten oplopen, als je het gat maar weer kunt dichten. Als het economisch tegenzit, kan dat een effectieve manier zijn om de recessie te lijf te gaan.»

Euroscepticus Van Winden vreest vooral de dreigende teloorgang van de enorme Nederlandse pensioenreserves na januari 2002. Al vanaf 2010 zal het grote graaien door Europese partners in de Nederlandse spaarfondsen een aanvang nemen, stelt hij. Vanaf dat jaar kunnen met name Duitsland, Frankrijk en Italië de pensioenen van hun sterk vergrijzende bevolkingen niet meer bekostigen. Waar die landen per persoon slechts een pensioenreserve hebben opgebouwd van 1600 tot 1800 dollar, heeft Nederland per persoon een reserve van meer dan 32.000 dollar. «Gelukkig hebben andere Europese landen geen directe toegang tot de Nederlandse pensioenfondsen», zegt Van Winden. «Maar er zijn allerlei andere maatregelen denkbaar die nadelig zijn voor Nederland. Ik verwacht dat er een speciale belasting komt om vanaf 2010 de gaten in de pensioenfondsen op te vullen. De sterkste schouders worden dan het meest belast. Nederland zal dus flink moeten betalen.»

Nu al worden de Nederlandse koopkracht en pensioencapaciteit volgens Van Winden door de euro ernstig aangetast. «Er heerst een gierende inflatie. Die is grotendeels veroorzaakt door de invoering van de euro in het bankwezen in 1999. Ten opzichte van de dollar is de euro enorm gekelderd. Dat had tot gevolg dat de koopkracht van onze pensioenreserves per jaar zo’n vier tot vijf procent achteruit is gelopen. Dat is vijftig miljard gulden per jaar! Als je een conservatieve schatting maakt die uitgaat van een euro-inflatie van zo’n twee à drie procent per jaar, dan heb je het nog steeds over meer dan twintig miljard. Nederland laat het hopelijk niet zo ver komen dat we nog eens extra moeten gaan betalen voor de fouten van anderen. Als er een moderne tiende penning wordt ingevoerd, moeten we handelend optreden, net als bij het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Ik ga er dan ook vanuit dat we rond 2010 uit de EMU stappen en de gulden opnieuw invoeren.»

Van Winden is niet de enige die er zo over denkt. Uit de eerder aangehaalde Nipo-enquête in opdracht van de SP blijkt dat 42 procent van de ondervraagden voorstander is van het ontwerpen van een noodplan ter herinvoering van de gulden.

André Szász: «Formeel kunnen we niet uit de monetaire unie treden; er staat geen woord over in het verdrag. En zelfs als het in feite zou kunnen, is het niet aan te raden om dat al te lichtvaardig te doen. Als de EMU uiteenvalt, als er zelfs maar één land uittreedt, zou dat een traumatische ervaring zijn voor alle betrokkenen. Men zou elkaar verwijten gaan maken, en elkaar met een schuin oog blijven aankijken. Het zou funest zijn voor het vertrouwen. Net als met een echtscheiding.»

Kees Vendrik vindt Van Windens scenario «kletskoek». «Het horrorscenario is al enige tijd bekend. Natuurlijk, op een gegeven moment kunnen grote landen als Frankrijk, Duitsland en Italië niet meer voldoen aan hun pensioenverplichtingen, zonder de staatsschuld te laten oplopen. Ook in Nederland rekenen we al met een oplopende staatsschuld rond 2030, 2040. Dat is niet erg. Want er wordt daarvoor ruimte gemaakt door de komende jaren de staatsschuld af te lossen. Verder heeft het angstbeeld van een exploderende Europese schuldenlast zijn werk al gedaan. Er wordt hard gewerkt aan de sanering van de pensioenvoorzieningen.»

Uit de Nipo-enquête doemt het beeld op van een Nederlandse bevolking die, nooit geraadpleegd in een referendum, tegen wil en dank aan de euro begint.

Zowel Szász als Vendrik vindt dat er slimmer gewerkt had kunnen worden aan het enthousiasmeren van de bevolking voor de euro. Vendrik: «Je moet zuinig omspringen met de motivatie van burgers voor dergelijke grote Europese operaties. Als mensen niet meteen het nut ervan inzien, moet je ze kunnen uitleggen waarom het tóch goed is. Het allerbelangrijkste voor Europa moet nog komen: de uitbreiding van de Unie naar het oosten. Daarover moet veel worden uitgelegd aan de mensen. Bijvoorbeeld dat de angst voor toetreding van de Oost-Europese economieën ongegrond is. Mensen zullen dat nauwelijks in de portemonnee gaan merken. We moeten ervoor waken dat de bankiers de euro gaan gebruiken als mechanisme om Oost-Europese landen buiten te houden.»

Szász had liever gezien dat de euro-publiciteitscampagne minder gericht was geweest op de technische realisatie van de omschakeling, en méér op de redenen waarom de euro wordt ingevoerd. Tijdens zijn lange loopbaan was hij nauw betrokken bij onderhandelingen die uiteindelijk leidden tot de monetaire unie, zoals is te lezen in zijn onlangs uit het Engels vertaalde boek De euro: Politieke achtergronden van de wording van een munt. Volgens Szász zijn de redenen voor de euro niet economisch, maar zuiver politiek van aard: «Frankrijk wilde monetaire medezeggenschap wegens Duitslands groeiende economische macht, en Duitsland ging daarmee onder voorwaarden akkoord om de weg vrij te maken naar verdere Europese integratie. Ik vind dat je dat moet uitleggen aan de mensen. Dat lukt best. De Amerikaanse president Roosevelt hield een soort praatjes bij de haard die op de radio werden uitgezonden. Dan legde hij geduldig uit waarom hij langzaam maar zeker afkoerste op oorlog. ‹Gaat u er eens voor zitten, en pakt u er even een atlas bij›, zei hij dan. Zo bracht hij zijn politiek bij de mensen. Dat is een wezenlijk onderdeel van een democratie.»

Zo’n uitleg is van belang, meent Szász, om de burgers werkelijk het gevoel te geven dat de euro «van iedereen is», zoals de publiciteitscampagne van de daken schreeuwt. Nu valt die slogan in minder vruchtbare grond, vreest hij. «Er zullen mensen zijn die mopperen, en zeggen dat die euro toch helemaal niet nodig is. ‹Niemand heeft mij iets gevraagd›, hoor je al vaak zeggen. Als je niet uitlegt wáárom er uiteindelijk één Europese munt wordt geslagen, als je niet vertelt dat dat de uitkomst is van een belangrijk politiek proces, dan krijg je allerlei ressentimenten en teleurstellingen. Zeker als het economisch tegenzit.»