Goddelijke genade

In haar biografie van Erasmus doet Sandra Langereis een beroep op de verbeeldingskracht van de lezer. Zo geeft ze bijvoorbeeld het woord aan een houten beeld van de denker dat per schip de wereld overgaat.

Standbeeld van Erasmus uit 1622 door Hendrick de Keyser, Grotekerkplein, Rotterdam, 1860-1890. Fotograaf anoniem. Albuminedruk, karton en fotodrager, 10,7 x 16,6 cm © Collectie Rijksmuseum

In de eerste dertig pagina’s van Sandra Langereis’ volumineuze Erasmus-biografie vertrekt de lezer met drie schepen uit Rotterdam, op 27 juni 1589. Aan boord van een van de schepen treffen we Erasmus aan, die de lezer regelmatig toespreekt. Hoe kan dat? De grote Rotterdammer is dan al minstens vijftig jaar dood. Maar van meet af aan sleept de tekst je mee op een wereldreis waarin de schepen met Erasmus aan boord langs de zuidkant van het Amerikaanse continent het verre Oosten proberen te bereiken. Het eten raakt op, ondanks de strenge vorst duiken de matrozen het ijswater in om mosselen te zoeken. Hun natte kleren en schoenen drogen niet. De scheepschirurgijn zet veel bevroren voeten af. Het grootste deel van de bemanningen komt om. Als lezer onderga je de honger, voel je de kou, onderga je de wanhoop en vecht je mee tegen goed bewapende inheemse bewoners.

Wat heeft het met Erasmus te maken? Het blijkt te gaan om een houten beeld van Erasmus dat op de achtersteven staat van het ene schip dat uiteindelijk Japan bereikt en dat na de nodige avonturen terechtkomt in het Tokyo National Museum. Erasmus vertelt dit allemaal, als beeld natuurlijk, en verhaalt ook hoe hij in Amsterdam belandt en hoe hij bijvoorbeeld later ludiek door Floris Tilanus in De Groene Amsterdammer (15 januari 2015) wordt gepresenteerd als manager van een erasmiaans dream team met Einstein en Freud als trainers.

Ware verhalen luidt de titel van het eerste hoofdstuk. Hij stamt van Loukianos, een klassieke satirische auteur uit het Romeinse rijk van de tweede eeuw. Erasmus zal samen met zijn boezemvriend Thomas More teksten van hem vertalen. Loukianos wordt zo de inspirator van zowel De lof der zotheid van Erasmus als Utopia van More. Zijn verteltechnieken zullen door de twee vrienden in hun meesterwerken worden toegepast om via indirecte hoofdpersonen – de godin Zotheid en de verteller en praatjesmaker Hythlodaeus – spottende kritiek op de misstanden uit hun tijd los te laten.

Vertelt Sandra Langereis ook zo’n ‘waar verhaal’? Soms wel, als ze het woord aan het beeld van Erasmus geeft of de kou en de stank oproept van het klooster Stein waar de jonge Erasmus verbleef en de lezer laat meelijden met zijn slaaptekort. Maar dit ‘ware verhaal’ is tegelijkertijd zeer uitvoerig gedocumenteerd, zoals haar hele biografie. Droge feiten voldoen vaak niet, er is ook verbeeldingskracht nodig om Erasmus bij de lezer te introduceren. Bovendien mag je in een ‘waar verhaal’ ook best een vergelijking met het heden maken als je bijvoorbeeld de docent in een middeleeuwse school of universiteit bij gebrek aan tekstboeken laat optreden als ‘een levende powerpoint’.

De grote opgave voor een biograaf van Erasmus is dat deze zelf al een aantal autobiografische teksten heeft geschreven. Die waren duidelijk bedoeld om zichzelf bij zijn tijdgenoten en het nageslacht zo voordelig mogelijk te presenteren. En in de drieduizend brieven die overgeleverd zijn, vertelt hij ook ‘ware verhalen’ die soms met veel korrels zout moeten worden genomen. Dit doorziet Langereis al te goed: hoezeer zij zich ook in haar personage inleeft, ze gelooft hem lang niet altijd op zijn woord. Dat deed Huizinga in zijn bekende Erasmus-biografie vaak wel. Hij vertelde bijvoorbeeld op gezag van Erasmus dat deze De lof der zotheid had bedacht op een lange reis naar More en het bij hem thuis in Londen in één ruk zonder zijn studiemateriaal en boeken had opgeschreven. Dat was een handige opmerking om de vele criticasters op zijn tekst tegemoet te komen. Het zou om een gelegenheidswerkje gaan dat niet veel voorstelde. In werkelijkheid werkte Erasmus in zijn studeerkamer zorgvuldig aan zijn tekst, waar hij later bij de drukker in Parijs ook nog eens drie maanden aan besteedde.

Maar zelfs Langereis gaat naar mijn mening toch te veel met Erasmus mee. Als humanistische geleerde zette deze zich fel af tegen de middeleeuwse scholastiek, waarbij met name Thomas van Aquino het doelwit was. Langereis lijkt in haar bespreking hiervan als biograaf dit oordeel te delen wanneer ze Thomas en zijn tijdgenoten nog eens extra belachelijk maakt. Dat hoeft niet meer, dat deed Erasmus zelf al voldoende in De lof der zotheid, waarin ook vadsige monniken en hypocriete geestelijken op de korrel worden genomen.

Voor de mysteriën die ooit door mensen in de bijbel waren opgeschreven ging Erasmus niet de martelaar uithangen

Fascinerend is wel de manier waarop Langereis de jeugd van Erasmus met veel historisch onderzoek construeert. Zijn geboortejaar is niet bekend. Was het 1466, 1467 of 1469? Langereis komt er niet uit, maar haar speurtocht levert veel interessant materiaal op over zijn vader die als kopiist van manuscripten werkte. Die schimmigheid heeft alles te maken met de schaamtevolle geboorte van Erasmus. Zijn vader had een priesterwijding ontvangen, maar gebeurde dit nu voor of na de geboorte van Erasmus? Hij zorgde er overigens wel voor dat zijn zoon een uitstekende opleiding kreeg, onder andere op de Latijnse School in Deventer. De moeder van Erasmus was de dochter van een chirurgijn uit Zevenbergen, die tot haar dood in 1484, ook in Deventer haar zoon verzorgde en begeleidde. Langereis bespreekt op grond van veel, deels nieuwe documenten de problemen waar Erasmus vanwege zijn onwettige geboorte mee te maken kreeg, die uiteindelijk leidden tot een geheimzinnig verzoek om dispensatie bij de paus zelf.

Hoe moeten we Erasmus typeren? Teksten van hem zijn opgenomen in de bekende serie Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland. Sperna Weiland, tussen twee haakjes rector van de Erasmus Universiteit, die ze presenteerde, aarzelde wel om hem filosoof te noemen. Hij was hoogstens een vertegenwoordiger van de philosophia christi, die een vroom leven in navolging van Jezus bepleitte. Langereis presenteert hem met meer recht vooral als literator en bijbelwetenschapper. De literator zien we niet alleen in De lof der zotheid, maar ook in de vele brieven en teksten waarin Erasmus virtuoos het Latijn aanprijst en hanteert. Ik wist het in theorie wel, maar Langereis maakt goed duidelijk hoe belangrijk het Latijn als levende taal voor de Europese humanisten en wetenschappers was. Na zijn vertrek uit het klooster Stein bij Gouda zal Erasmus geen woord Nederlands meer hebben gesproken en toen hij later bijvoorbeeld college gaf in Cambridge, beheerste hij het Engels niet. Alle contacten vonden plaats in het Latijn, ook bijvoorbeeld met de jonge kinderen van Thomas More als Erasmus daar verbleef.

Als bijbelwetenschapper is Erasmus van uitzonderlijke betekenis geweest. De in zijn tijd gebruikte bijbelteksten schitterden door vele al dan niet bewust gemaakte fouten en storende slordigheden. In navolging van Valla, zijn grote Italiaanse voorbeeld, nam Erasmus het op zich de bijbeltekst te zuiveren. Met behulp van veel kostbare manuscripten herstelde hij zo naar beste weten de Griekse tekst van het Nieuwe Testament. Daarbij werd duidelijk dat veel ingesleten geloofsovertuigingen niet in de oertekst waren terug te vinden. De apostel Paulus bleek het bijvoorbeeld niet, zoals de kerkvader Augustinus beweerd had, over de erfzonde te hebben. En een tekst over de drieëenheid van God, Vader en Heilige Geest bleek niet in de oudste tekstvarianten voor te komen.

Dit soort verbeteringen van de tekst werden Erasmus niet in dank afgenomen. Als empirisch gericht wetenschapper hield hij eraan vast, maar hij waagde het niet om zich op grond daarvan op theologische wijze over de dogma’s van de kerk uit te spreken. Dat deed hij pas na lang aarzelen aan het eind van zijn leven toen hij Maarten Luther, die de leer van de kerk totaal wilde hervormen, wat tot de breuk van de Reformatie leidde, bestreed. Erasmus deelde de kritiek van Luther op de vele misstanden in de kerk, maar weigerde hem te volgen in een afscheiding. Net als bij zijn vriend Thomas More ging de eenheid van de Europese christenheid bij hem boven de ware leer. More betaalde dat met het martelaarschap. Erasmus liet uitdrukkelijk weten dat hij ‘geen talent voor het martelaarschap’ had. Dat had alles te maken met zijn opvattingen over de beleden waarheden van het geloof. Die waren voor hem nooit absoluut, het ging om mysteriën die in de taal van hun tijd door mensen in de bijbel waren opgeschreven en die steeds opnieuw geïnterpreteerd moesten worden. Daarvoor ging je niet de martelaar uithangen, waartoe Luther zijn volgelingen wel opriep. De hevige strijd over de goddelijke genade en de vrijheid van de menselijke wil waartoe Erasmus zich uiteindelijk liet verleiden, vergalde zijn door ziekte toch al zware laatste levensjaren.

Over de meest intieme vriend en de bitterste vijand van Erasmus zijn recent ook biografieën verschenen, die Langereis roemt en gebruikt. Peter Ackroyd schreef de biografie van More, Andrew Pettegree van Luther. De vergelijking met Erasmus: Dwarsdenker laat de verschillende benaderingen van de biografen goed uitkomen. Langereis overstijgt, behalve in haar sublieme sfeertekeningen en aanstekelijke ‘ware verhalen’, nauwelijks de persoonlijke werkelijkheid van Erasmus. Zij waagt zich niet aan een omvattend oordeel over haar held. Dat doet Ackroyd wel, door bijvoorbeeld een vergelijking te maken met Machiavelli als tijdgenoot van More. Zo’n vergelijking zou voor Erasmus misschien hebben geleid tot het vaak gehoorde oordeel dat hij in de overgang naar de moderne tijd met zijn rug naar de toekomst stond. In tegenstelling tot de grote Florentijn, die in de volkstaal schreef, zag hij bijvoorbeeld het belang van de opkomst van natiestaten niet. Hij was een Europeaan in hart en nieren, die de christelijke Middeleeuwen wilde hervormen, maar er geen afscheid van wilde nemen.

De titel van Pettegree’s biografie, Het merk Luther, toont al dat Erasmus te weinig de grote veranderingen rond de nieuwe technologie van de boekdrukkunst onderkende. Dat klinkt vreemd, omdat Langereis in schitterende passages beschrijft hoe Erasmus met drukkers samenwerkte. Toch onderkende hij de maatschappelijke impact van de nieuwe techniek onvoldoende. Luther zag dit scherper. Met een stroom van pamfletten en boeken in het Duits maakte hij op fenomenale wijze gebruik van de nieuwe mogelijkheden om zijn opvattingen overal te verspreiden. Pettegree heeft het in dit verband over ‘’s werelds eerste massamediafenomeen’. Erasmus werd er het slachtoffer van. Uitspraken van hem werden verdraaid of uit de context gehaald om hem als leugenaar en hypocriet af te schilderen.

Hier had Langereis de stap naar de huidige sociale media kunnen maken. Haar personage begreep de voortdurende karaktermoord op hem niet en verweerde zich wanhopig tegen de vele leugens die over hem verspreid werden. Het was een triest einde van de tijdens zijn leven meest vereerde Europeaan, ‘de god van Rotterdam’, waarmee de lezer dankzij het historische speurwerk van Langereis uitvoerig en intensief kan kennismaken.