Goddelijke getallen

De geschiedenis van de fysica wordt altijd voorgesteld als een heroïsche strijd tussen dappere mannen en een achterlijke kerk. Maar volgens Margaret Wertheim viel het wel mee met de vrijdenkersgeest van de geleerde heren. Een gesprek over God, Waarheid en de buitensluiting van vrouwen
Margaret Wertheim, De broek van Pythagoras. Uitg. Anthos, 339,90
‘WE HEBBEN ALTIJD geleerd dat wetenschap en religie elkaars natuurlijke vijanden zijn. Maar niets is minder waar. De grootste natuurwetenschappers waren diep gelovig en meenden met hun theorieën de orde van God te doorgronden. Zij zagen zichzelf als een soort priesterklasse. Het is niet voor niets dat vrouwen niet tot deze groep uitverkorenen werden toegelaten.’

Aan het woord is Margaret Wertheim, natuurwetenschapster en schrijfster van De broek van Pythagoras. In dit boek legt Wertheim een verband tussen de religieuze oorsprong van de natuurkunde en de nog steeds onmiskenbare dominantie van mannen in deze wetenschap. In academische kringen is haar boek goed ontvangen. Zo werd het bekroond met de prijs voor Outstanding Books on Science and Religion. Het spijt de schrijfster wel dat de publiciteit zich aanvankelijk zo eenzijdig op de wetenschappelijke wereld richtte. Wertheim: ‘Het boek is juist geschreven voor niet-ingewijden. Uit die hoek heb ik weinig vernomen. Ook van de vrouwenbeweging heb ik bijna geen respons gehad.’
Opvallend is Wertheims gebrek aan vooringenomenheid - iets wat veel feministisch werk kenmerkt. 'Ik ben een feministe in hart en nieren’, zegt Wertheim, 'maar het leek mij nooit nodig me in vrouwenliteratuur of in vrouwenstudies te verdiepen. Ik geloof niet dat ik daar iets kan leren wat mijn moeder me niet heeft bijgebracht. Het was ook nooit mijn opzet een feministisch boek te schrijven.’
WERTHEIMS oorspronkelijke doel was het schrijven van een inleidend boek over natuurkunde voor mensen als haar eigen vrienden: 'Intelligente, beschaafde mensen die toevallig niets van natuurkunde weten. Zelfs de populaire boeken over de natuurwetenschappen, zoals A Brief History of Time van Stephen Hawking, zijn niet echt toegankelijk. Het grote probleem met deze schrijvers is dat hun boeken ons de antwoorden geven, maar ons niets vertellen over de vragen waar het om gaat. Antwoorden hebben geen betekenis als je de vragen niet begrijpt. Vroeger op school tijdens de natuurkundeles ging het ook al zo. We hebben geleerd dat Copernicus gelijk had toen hij, in plaats van de blauwe stip, de gele stip in het midden van de kosmos plaatste. Maar wat doet het ertoe dat de aarde om de zon draait in plaats van de zon om de aarde? Die vraag wordt pas relevant als je hem begrijpt als de vraag naar de plaats van de mens in de kosmos. Zien we onszelf als het door God gegeven middelpunt van het heelal of als een klont materie die doelloos in de ruimte rondzweeft? Ik vond dus dat een toegankelijk boek over natuurkunde de vragen van het vak moest bespreken vanuit een culturele en historische context.’
Vanuit deze invalshoek begon ze een studie naar de geschiedenis van de fysica, en zo ontdekte ze dat door de eeuwen heen de liefde voor God dè inspiratiebron was voor de meeste natuurwetenschappers. Toch duurde het ruim twee jaar voordat ze van haar oorspronkelijke opzet afweek. Ze was bijna klaar toen ze haar manuscript verscheurde en van voren af aan begon. 'Ik had nooit gedacht dat ik zo'n sterk verband tussen geloof en wetenschap zou aantreffen. Maar toen het ook nog tot me doordrong dat dit tevens een licht wierp op de vraag waarom vrouwen van oudsher zo weinig betekend hebben in de natuurwetenschappen, kon ik niet meer terug. Ik moest een nieuw, ander boek schrijven.’
Het gaat Werthem in haar boek vooral om de theoretische fysica, die op de wiskunde gestoeld is. 'Fysica is sowieso altijd puur theoretisch geweest. Pas relatief laat in de ontwikkeling van de natuurkunde kon er ook aan empirische bewijsvorming worden gedaan. Dit wordt vaak genegeerd en dat vertekent het beeld van de geschiedenis van de natuurwetenschappen, en de rol van de kerk erin.’
De geschiedenis van de wiskundige fysica begon volgens Wertheim in de zesde eeuw voor Christus met de Griekse wijsgeer Pythagoras. Pythagoras geloofde dat het wezen van de wereld gelegen was in getallen. Getallen stonden boven en buiten de materiële wereld en waren de oorsprong van de schepping. Wertheim: 'Voor hem waren de getallen letterlijk goden. Wiskunde was voor hem dus een religieuze activiteit. De getallen weerspiegelden de harmonie van de kosmos. Deze zoektocht naar kosmische harmonie heeft sindsdien vele fysici, filosofen en theologen geïnspireerd. Einstein verklaarde zelfs dat dit zijn enige drijfveer was.’
Pythagoras leidde een sektarische gemeenschap. Vrouwen waren daarin weliswaar welkom, maar Pythagoras’ getallenleer was minder vrouwvriendelijk. Wertheim: 'Hij verdeelde alles in tegendelen, in even en oneven getallen. De even getallen weerspiegelden het mannelijke principe van de ziel, de oneven getallen stonden voor het vrouwelijke principe van de materie. Men kon alleen tot hogere inzichten komen door de mannelijke ziel te bevrijden van het vrouwelijke en lichamelijke. Wiskunde was dus, gezien haar religieuze aard, een wezenlijk mannelijke activiteit.’
Volgens Wertheim laat deze begripsmatige tweedeling tussen het mannelijke en het vrouwelijke nog steeds haar sporen achter. 'Ook al geloven we nu niet meer dat getallen goden zijn, die associatie van de man met het hemelse en transcendente en van de vrouw met het materiële en aardse is nog altijd sterk aanwezig. We geloven immers nog steeds dat mannen van nature beter zijn in wiskunde dan vrouwen. Veel schoolmeisjes geloven oprecht dat vrouwen niet geschikt zijn voor exacte vakken.’
OVERHEIDSCAMPAGNES die meisjes ertoe aanzetten exact te kiezen, lijken inderdaad weinig uit te halen. Ook de vele onderzoeken die het verschil in prestaties tussen meisjes en jongens verklaren vanuit een verschil in hersenstructuur, dragen niet echt bij aan een vriendschappelijker verhouding tussen meisjes en wiskunde. Opmerkelijk is dat andere onderzoeken aantonen dat in de landen waarin meisjes apart onderwijs krijgen, meisjes veel beter scoren in de natuurwetenschappen dan hier. Wertheim: 'Ik had nooit gedacht dat ik een voorstander zou worden van gescheiden onderwijs. Maar psychologisch gezien is het veel beter voor meisjes om niet te hoeven wedijveren met de jongens. Vooral in die moeilijk jaren van de puberteit. Daarvóór doen ze het meestal prima, beter dan jongens, maar rond hun twaalfde, dertiende houdt het ineens op.’
Wertheim wijt dit aan de puberteit, waarin het voor meisjes belangrijker is aantrekkelijk te zijn dan goed op school te zijn. Dat lijkt elkaar op die leeftijd uit te sluiten. Zelf heeft ze hier geen last van gehad. 'Maar het speelde wel voor andere getalenteerde meisjes in mijn klas, en het speelt nog altijd. Die populariteitswedstrijd is een groot psychologisch struikelblok voor meisjes. Ikzelf was laat rijp en niet geïnteresseerd in jongens. Zij ook niet in mij. Ik had nog geen borsten, ik was niet sexy, ik was nog een kind en stond buiten dit gebeuren. Ik was enkel en alleen verliefd op de natuurkunde.’
Toch keerde Wertheim na haar studie de natuurkunde de rug toe en werd ze wetenschapsjournaliste. 'Elke ochtend als ik de faculteit binnenstapte, had ik het gevoel dat ik een klooster betrad. Alsof er een bord boven de deur hing met daarop “Laat uw menselijke gevoelens achter in de daarvoor beschikbare kluisjes. U bent nu aangekomen in het land van de Waarheid.” Er was geen enkel verband met de buitenwereld. Er werd niet gepraat over wat ons werk te betekenen had in de samenleving of over hoe ons werk toegepast kon worden. We hoorden niets over de filosofische relevantie van ons vak of over hoe de ontwikkeling van de wetenschap met de veranderingen in de kunst samenging. Het ging alleen om de Waarheid, punt uit. Ik vond dit maatschappelijk onverantwoord, maar boven alles psychologisch ondraaglijk.’
Wertheim meent dat de problemen die vrouwen en meisjes met de natuurkunde hebben, niet op zichzelf staan. 'Want waarom worden de exacte wetenschappen als onvrouwelijk gezien? Waarom lijken mannen hiervoor beter geschikt? Dat heeft voor een groot deel te maken met het overgeleverde idee achter de fysica dat we de natuur, het aardse, moeten overstijgen om in de meest abstracte termen de fundamentele goddelijke waarheid daarachter te kunnen omschrijven. Dat vereist de verwerping van wat Pythagoras en velen na hem “het vrouwelijke” noemden. Die traditie is allerminst uitgestorven en komt voort uit religieuze overwegingen. Bijna alle grote natuurkundigen, van Copernicus en Newton tot Einstein, waren diep gelovige mannen die meenden dat zij met hun theorieën de orde die God in de schepping heeft gelegd, konden doorgronden. Het pythagorische beeld van de getallengoden vervingen zij door een christelijke variant met God als wiskundige schepper. Hij schiep de wereld volgens wiskundige relaties. Het uitpluizen van die wiskundige relaties - en dat is precies waarmee de theoretische natuurkunde zich bezighoudt - is niets anders dan het lezen van Gods gedachten. Deze kwaliteit maakt fysici tot niets minder dan priesters.’
DE GELIJKSTELLING van grote natuurkundigen met een priesterklasse is niet alleen een mooie metafoor, ze werd heel concreet belichaamd in de uitsluiting van vrouwen op de universiteit. 'De universiteit was heel lang alleen een opleidingsinstituut voor de geestelijkheid. Omdat vrouwen niet tot de geestelijkheid werden toegelaten, bleven ook de deuren van de universiteit voor hen gesloten. Voor geen enkele wetenschap gold dit zo sterk als voor de fysica. Er waren altijd wel informele wetenschappelijke gemeenschappen waarbinnen vrouwen kans zagen om op grond van hun kennis van planten bij te dragen aan de ontwikkeling van de scheikunde en de geneeskunde. Maar om aan fysica te doen moest men eerst wiskunde, en niet vergeten Latijn, beheersen. En de enige plek om dit te leren was de universiteit.’
Hoewel het idee dat wetenschap en godsdienst twee verschillende zaken zijn sinds de Verlichting vaste vorm aannam, bleef het voor vrouwen moeilijk om een plaats in de wetenschappelijke gemeenschap te verwerven. Wertheim: 'Pas in 1945 liet de Royal Society in Groot-Brittannië de eerste vrouw toe. De Académie Française accepteerde zelfs Marie Curie niet als lid, terwijl zij nota bene twee Nobelprijzen in de natuurkunde had ontvangen.’
De echte scheiding van wetenschap en godsdienst voltrok zich pas zo'n honderd jaar geleden. 'Deze radicale scheiding kwam echter niet voort uit de natuurkunde, maar uit Darwins evolutietheorie. Daarmee stond God als schepper pas echt op de helling. Zo is de mythe ontstaan dat wetenschap en godsdienst eeuwige vijanden zijn. Deze mythe wordt nog steeds in stand gehouden met verhalen over de wetenschapper als heldhaftig verdediger van de rede tegen het kerkelijk dogma. Kijk maar naar de mythe over Galilei. Dat de kerk zijn ideeën niet accepteerde, had een goede reden. Galilei kon geen enkel empirisch bewijs voor zijn standpunt aandragen en de feiten leken eerder op het tegendeel te wijzen. De kerk was wetenschappelijk verantwoord bezig toen ze hem afwees.’
Tegenwoordig is God weer volop aanwezig in de natuurwetenschappen. Niemand minder dan Einstein bracht hem weer terug in ons midden. Nu schrijven fysici als Stephan Hawking, Leon Lederman en Paul Davies razend populaire boeken waarin God de hoofdrol speelt. Wertheim: 'Maar hun God is een heel andere God dan de God van de bijbel die mannen als Newton inspireerde. De nieuwe God van de fysica schiep vijftien miljard jaar geleden de wereld volgens wiskundige stellingen. Sindsdien heeft hij niets meer gedaan en zal hij nooit meer wat doen. Je kunt niet tot hem bidden, je kunt niets met hem. De fysici van nu hebben hem van al zijn goddelijke kwaliteiten beroofd. Deze God heeft geen waarde meer. Het is een theologie zonder inhoud. Maar hij verkoopt goed.’
WERTHEIM WIL graag bijdragen aan de popularisering van de natuurwetenschappen. En door de culturele, dus ook de religieuze, inbedding van de fysica bloot te leggen, maakt ze deze concreet en toegankelijk voor vrouwen. Ze trekt echter fel van leer tegen de nieuwe religieuze fysica. 'Die mensen misbruiken God om hun boeken te verkopen. Mensen willen blijkbaar zowel wetenschap als spiritualiteit in hun leven. Hawking en consorten bieden dat in één pakketje aan. Natuurlijk maakt dat de fysica populairder. Maar er zit een addertje onder het gras. De schrijvers van deze boeken zijn aanhangers van de Theorie van Alles. Deze theorie verenigt alle ons bekende natuurkrachten in één superkracht. Uit pure zelfbevrediging willen zij dit idee bewezen zien. Daar zijn miljarden voor nodig en middels hun boeken proberen ze dat los te peuteren van de regering. Ik ben daar tegen. Het is onwaarschijnlijk dat de Theorie van Alles klopt en bovendien heeft ze geen enkel praktisch nut.’
Haar weerzin gaat dieper dan deze kosten-batenanalyse. 'Want wat zie je? De nieuwe fysici vormen weer een priesterklasse, sterker nog, zij wanen zichzelf goden. Het hele idee dat fysica een bezigheid is waarmee men de natuur zelf kan overstijgen, is gevaarlijk. Het houdt het beeld van een wezenlijke tegenstelling tussen enerzijds man en geest en anderzijds vrouw en lichaam in stand. De pretentie om de enige echte Waarheid aan het licht te brengen, is moreel verwerpelijk en dodelijk voor het menselijk streven naar een eigen waarheid. Deze hele onderneming is slecht voor vrouwen èn mannen, maar ook - wat me nog meer aan het hart gaat - slecht voor de natuurkunde.’