Goddelijke hormonen

Renske Doorenspleet stapte twintig jaar geleden uit het Apostolisch Genootschap. Haar boek Apostelkind doet bij vlagen weldadig aan voor iedereen die zelf in een sekte is opgegroeid.

Hoeveel leden van het Apostolisch Genootschap ken ik? Geen idee, en ik kan het ook niet weten, want Apostolischen houden hun mond erover. Hun godsdienst maakt een groot deel uit van hun identiteit, bijna al hun vrije tijd gaat op aan het Apostolische werk, maar hun klasgenoten of collega’s weten daar doorgaans niets van.

Toevallig weet ik dat mijn kapster erbij heeft gezeten, maar zij vertelde me dat alleen maar omdat ze afvallige is. Net als politicoloog Renske Doorenspleet, die over haar jeugd in het genootschap een boek schreef: Apostelkind. Twintig jaar geleden stapte zij eruit.

In haar boek lees ik dat Apostolischen vooral in de bovenlaag van de bevolking zitten en dat ze ook bij mediabedrijven werken, zoals de nos en de NRC. Wie dan? Wie dan? is mijn eerste nieuwsgierige reactie, want dit kijkje achter de voordeur intrigeert enorm. Deels vanwege de herkenning van het opgroeien in een gesloten gelovige gemeenschap, maar meer nog vanwege de aspecten waarop het genootschap juist afwijkt van het christendom.

Om nog even bij die geheimzinnigheid te blijven. Ik groeide op als reformatorisch meisje. Als ’s zomers bij ons de kerk uitging, werden we door toeristen gefilmd, vanwege de donkere pakken, de rokken, de hoedjes en de lange haren. Naar school mochten er meer kleuren, maar ook in het dagelijks leven kon de wereld aan ons zien dat we vreemdelingen hier op aarde zijn.

Apostolischen droegen in Doorenspleets tijd die nette kleding ook (lange blauwe jurken, pakken met stropdas), maar alleen als ze samenkomsten hadden in hun Gebouw (nadrukkelijk géén kerk). Op zondag begon die zo vroeg dat er nog niemand op straat was die hen kon betrappen. Naar school en het werk hadden ze gewone kleren aan. Kwamen Apostolischen elkaar tegen buiten het Gebouw, dan gaven ze elkaar slechts een kort knikje, terwijl ze elkaar in het Gebouw lang en diep in de ogen keken en een zangerige begroeting uitspraken.

Dan begrijp je meteen hoeveel er geworsteld is met dit boek. Uit de school klappen, met de pers praten, een boek schrijven, dat zouden die gesloten Apostolischen nooit en te nimmer doen. Er komen dan ook nogal wat rillingen en kloppende harten in voor.

Maar waarom toch die geheimzinnigheid?

Dat was toch wel actief beleid van de leider, de Apostel. Onzichtbaar en in stilte moesten zijn volgelingen door de wereld stromen en anderen kracht geven, ‘als goddelijke hormonen’. Buitenstaanders zouden het niet begrijpen, werd er gezegd, volgens Doorenspleet, die zich er herhaaldelijk over verbaast dat haar ‘sekte’ nooit in de media kwam. Tja, als niemand er ooit zijn mond over open doet. Die onzichtbaarheid betekende ook dat ze zich politiek en maatschappelijk niet mochten manifesteren. Al hun vrije tijd moest besteed worden aan het apostelwerk.

Maar er moet onder die hoogopgeleiden ook wel ongemak zijn geweest over het feit dat ze een mens, een apostel, als god vereerden, dat ze geschenken in zijn tuin in Bussum legden, dat ze zijn woorden indronken als liefdesgaven en richtsnoeren voor het leven, en dat ze hem toezongen op massale vereringsbijeenkomsten. Die apostel heette in Doorenspleets jeugd: Lambertus Slok. Zijn ingelijste foto werd voor het slapengaan gekust.

Slok haalde overigens wel één keer de media. Dat was in 1959, toen hij thuiskwam van een wereldreis van twee maanden. 16.394 apostolische volgelingen stonden hem op Schiphol op te wachten. Een ander staaltje aanbidding: alle volgelingen kenden zijn nummerbord uit het hoofd. De cijfers, 8017, vrolijkten hen op, want ze brachten hen dichter bij Oom Apostel, zo zongen ze in een van hun liederen.

Doorenspleet geeft een mooi gedocumenteerd historisch overzicht van de Apostolische wereld, en ze vult dat algemene verhaal aan met autobiografische informatie. Ook deelt ze veertig minder geslaagde opstellen, dromen en dagboekpassages die ze als kind schreef en later herschreef, en reflecteert ze op haar leven toen en nu.

Je moet niet, maar je mag, werd er tegen de kinderen gezegd, zoals dat in elke religie gaat

Dat wordt een zeer volledige mengelmoes, met iets te veel details over onder meer de inhoud van de kerstspelen, gezellige oma’s en haar huidige agenda (gevuld met wandelvakanties, koppen koffie en chocolademelk). Met grote regelmaat en flink wat zelfvertedering citeert ze complimenten die haar ouders, haar docenten, haar vriendinnen en haar partner haar hebben gemaakt. Daar komt een beeld uit van een recalcitrante, nieuwsgierige, slimme meid. Deels is dat functioneel, want net die kenmerken worden binnen het genootschap niet erg gewaardeerd. Daar gaat het om dienen, gehoorzamen en overgave.

Daarmee doet ze iets wat afvalligen eigen is, althans, degenen die niet louter kwaad zijn. Verzachtend suggereren ze: niet met jullie is iets mis, maar ik, met mijn specifieke karakter, floreerde er niet. Tegelijkertijd voert Doorenspleet vrienden op met overeenkomstige kritiek en wordt er in het boek genoeg aangedragen om te concluderen: de cultuur binnen die gemeenschap was in de jaren zeventig tot en met negentig niet erg gezond, voor welk individu dan ook. En dan heeft ze, om onduidelijke redenen, bepaalde archiefmappen nog niet eens durven openen. Opvallend is dat ze haar ouders volledig buiten schot houdt, terwijl die toch in de eerste plaats verantwoordelijk waren voor haar opvoeding.

De geschiedenis van het genootschap gaat terug op de zeer conservatieve Catholic Apostolic Church, die in 1831 in Engeland werd opgericht. Twaalf apostelen werden aangewezen om het juiste klimaat te scheppen voor de wederkomst van Christus.

Via Duitsland is de patriarchale beweging naar Nederland geëxporteerd. Een zekere Friedrich Wilhelm Schwartz kreeg in 1863 de opdracht van de Duitse profeet ‘om de parel te Amsterdam te zoeken’, iets wat Doorenspleet in het kerstspel van 1988 nog heeft moeten naspelen.

In 1910 werd Johannes Hendrik van Oosbree de Apostel in het Nederlandse gebied. Die maakte van het apostelambt iets absoluuts. Jezus was volgens hem de eerste met de ‘heilbrengende Christusgeest’, nu bracht Van Oosbree die heil. Hij liet allerlei bestaande liederen herschrijven. ‘Welk een vriend is onze Jezus’ werd ‘Welk een vriend is onze Apostel, die aan Jezus’ plaats nu staat’. Enzovoort. Onder zijn bezielende leiding groeide het ledental van 7.400 naar dertigduizend in 1946. Dat waren de uitverkorenen, al ging het niet langer om de wederkomst of om het hiernamaals. Goede mensen waren het, want ze werden gevoed door de Apostel.

Net na de oorlog wees Van Oosbree Lambertus Slok aan als zijn opvolger, tegen de zin van de Duitse Stamapostel. Die koos een ander, maar negentig procent van de volgelingen wilde Slok en zij splitsten zich af. Pas toen heetten ze officieel het Apostolisch Genootschap.

Slok en later ook zijn zoon Slok jr. regeerden het Genootschap als dictators, zo stelt Doorenspleet, die zich als politicoloog met democratie bezighoudt. De regels werden strenger, en degenen met kritiek werden terechtgewezen ten overstaan van duizenden geloofsgenoten. Het is ook haar persoonlijk overkomen. Nederlandse Apostolischen die overzees woonden werden gevraagd te remigreren, zodat de Apostel niet steeds zijn Apostelbrief naar het Engels hoefde te vertalen. Ze konden hem dat niet weigeren en kwamen terug.

Het genootschapsleven was fijn, maar je moest het ook steeds fijn noemen, zo schrijft Doorenspleet. Iedereen had taken, moest meerdere keren per week naar bijeenkomsten, kreeg allerlei leefregels en richtlijnen opgestuurd, had mappen om van alles gedetailleerd verslag te doen. Je moet niet, maar je mag, werd er tegen de kinderen gezegd, zoals dat in elke religie gaat. Je moegt, zeiden de kinderen. Wie verstek liet gaan kreeg meteen een telefoontje. Discussies werden niet getolereerd, het verstand was ondergeschikt aan de beleving.

Het genootschap noemt zich religieus, maar het godsbeeld is onduidelijk. Christelijk, maar zonder de bijbel en de christelijke feesten. Op protestanten, met hun kerken en hun ouderwetse godsbeeld, werd diep neergekeken. Tegelijkertijd waren de leefregels streng en zaten mannen en vrouwen strikt gescheiden in het Gebouw. Liederen en kerstspelen waren erg belangrijk, de kerstspelen werden samen met uitgebreide instructies verspreid vanuit een landelijke werkgroep. Overal in de 91 gemeenten werd hetzelfde spel gerepeteerd en opgevoerd.

Ik schrijf dit alles in de verleden tijd, alsof Apostolischen nu niet meer bestaan. Dat is niet zo, maar de strenge regels en hiërarchieën zijn inmiddels vervaagd, de beweging is uitgedund en vergrijsd, er zijn nu ook vrouwelijke voorgangers en Oom Apostel is geen god meer. De Apostolischen vernieuwen zich voortdurend, ze herschrijven de liederen en bedekken het verleden, waardoor Doorenspleet soms denkt dat het één grote zinsbegoocheling is geweest.

Ook dat herken ik: voormalige geloofsgenoten die doen alsof het allemaal zo extreem niet was, omdat ze nu genuanceerder en vrijer denken dan toen. In hun hoofd herschrijven ze hun geschiedenis om zich met hun oude ik te verzoenen. Gelukkig had Doorenspleet alle mappen bewaard.

En dan afvallig zijn en de gemeenschap missen, het hogere doel missen. Fantoompijn hebben. Niet goed weten hoe je nu op je jeugd moet terugkijken. Wetenschappelijke literatuur over sektes en over sociale experimenten helpen Doorenspleet grip te krijgen op haar eigen levensgeschiedenis, zoals erover lezen en schrijven mij ook altijd helpt. Haar analyse aan het eind van het boek doet weldadig aan voor iedereen die zelf in een sekte is opgegroeid. Het woord sekte zomaar gebruiken voor zoiets fatsoenlijks als het Apostolisch Genootschap, waar niet tot collectieve zelfmoord werd aangezet, waar geen seksueel misbruik heeft plaatsgevonden, gaat Doorenspleet eerst te ver. Maar als ze leest over emotioneel misbruik, kan ze dat helemaal op zichzelf toepassen en begint ze meteen weer te rillen.