Gods akkers beweend

CLAUDE DEBUSSY
HARTSTOCHTELIJK HOUD IK VAN MUZIEK

Debussy begrijpen moet je leren. Bij mij kwam de bekering laat. In de collegebanken van de UvA, waar we de grondleggers van de nieuwe muziek analyseerden, won de heavy metal van Strawinsky’s Sacre het met glans van het willoze gekabbel in de Prélude à l'après-midi d'un faune. Op je twintigste wil je oorlogshitsers, geen fijnschilders.
Agressie slijt, zelfs domheid wankelt voor het recht: nu bewonder ik de alchemist die aan zowel piano als orkest ongehoorde klankwerelden ontfutselde, en met Pelléas et Mélisande bovendien een van de belangrijkste opera’s uit de westerse muziekgeschiedenis schreef. Het is muziek waarin het duister gloeit, en waarin je hem via Parsifal en Boris Godounov hoort veranderen in de eenmalige, volstrekt clichévrije componist die hij tot zijn tragische dood in 1918 zou blijven. Hoe terecht verfoeide Debussy, de stiekeme revolutionair, het stigma ‘impressionist’. Was het oor een vergrootglas, het hoorde wiskunde op microschaal, een schitterend berekende vereniging van kleur en ritme. Kijk naar de houtsnede van Hokusai op het partituuromslag van La mer, verzoeknummer van de componist: de schuimkop kroont met scherpgerande klaarheid het legato van de golf. Zo is het stuk, verwonderd onderzoekend: idee van water, getranssubstantieerd tot welvende muziek. Wat een genade, zo te kunnen scheppen uit het niets.
Toch bevestigen Debussy’s brieven wat ik in mijn kinderjaren dacht: zeurpiet. Een voorbeeld. In 1884 wint hij de Prix de Rome voor zijn cantate L'enfant prodigue. De oogst: een tweejarig verblijf in de Villa Medici in Rome, met toelage. Een ander zou blij zijn. Hem zinkt 'het hart in de schoenen’ als zijn uitverkiezing hem gewordt: 'Ik zag meteen de ergernissen en de zorgen die het gevolg zijn van de kleinste officiële positie. (…) En wat meer is, ik realiseerde me dat ik niet langer vrij was.’ Vanuit Rome meldt hij Henri Vasnier in juni 1885 hoe erg het met hem is gesteld. Gezondheid net aan, werk beneden peil, de stad der steden een bezoeking: 'Ik vraag u om excuus dat ik alsmaar hetzelfde herhaal, maar ik moet nog steeds erg wennen aan de villa en heb echt bemoediging nodig. Mijn koorts is over en ik ben aan het werk gegaan, dat gaat nog steeds niet erg goed, zodat ik mij soms afvraag of ik ooit muziek heb geschreven, en van alle vervelende zaken waarin Rome mij dompelt, is dit niet de geringste.’
Deze litanie werd vertaald door Lucas Bunge, die voor de serie Privé-domein 216 van de meer dan drieduizend Debussy-brieven samenbracht in de prachtige, liefdevol verzorgde bundel Hartstochtelijk houd ik van muziek. Met een uitstekend geschreven inleiding en informatieve verbindende teksten, omzoomd door poëtiserende beschrijvingen van sleutelwerken uit Debussy’s oeuvre, is het veel meer dan de zoveelste bloemlezing geworden. Dit is een zelfportret in brieven van een kunstenaar die voor zijn hooggeëerd publiek - Paul Dukas, Ernest Chausson, Igor Strawinsky, Pierre Lalo, Gabriele d'Annunzio, uitgevers, dichters en geliefden - intelligent genuanceerd verslag doet van de worstelingen met zijn nieuwe wereld. Dit boek is verplichte kost voor iedere muziekliefhebber die iets van Debussy’s muzikale drijfveren wil begrijpen.
Je leert hem veel te vergeven, wat hij zijn vrouwen en vriendinnen ook heeft aangedaan. Hij leeft en lijdt voor zijn opgave: de muziek te bevrijden van gemeenplaatsen, de geur van oude meubels. Hij wil geen maakwerk leveren: 'Aan een nieuw werk beginnen heeft voor mij iets van een gevaarlijke sprong waarbij je het risico loopt je nek te breken.’
Wat is de inzet van die sprong, behalve de vernieuwing van de muzikale taal? Goed liegen. 'Kunst is de mooiste leugen’, stelt Debussy in antwoord op de vraag van het tijdschrift Musica over de toekomst van de muziek. 'De glimlach van de Gioconda heeft waarschijnlijk nooit bestaan, toch is haar charme eeuwig - laten wij dus niemand illusies ontnemen door dromen te reduceren tot een al te duidelijke realiteit… Wij moeten tevreden zijn met troostrijker transposities, want die kunnen een schoonheid uitdrukken die onsterfelijk is.’ Zijn probleem is dat hij die troost en schoonheid onder geen voorwaarde via de gebaande paden wenst te vinden. Aan zijn vriend Pierre Louÿs schrijft hij dat hij ook maar een mens is, maar als de dood is voor zijn slappe knieën. ’… ik ben soms zo sentimenteel als een modiste die de maîtresse van Chopin zou zijn geweest, ik heb het nodig te constateren dat mijn hart nog ontvankelijk is voor huivering, in plaats van rustig mijn persoonlijke chemie te laten werken, die alleen maar tot een papieren verantwoordelijkheid verplicht.’
Dit is een typische Debussy-zin. Even belangrijk als wat er staat is wat hij in de stijl van zijn muziek suggereert, vluchtig bespeurbaar. Hij zegt: ik zou het water zachtjes wenend over Gods akker kunnen laten lopen. Ik heb het in me. Iets in mij wil het ook. Maar dan verlies ik alles, mijn objectiviteit en subjectiviteit; dan ontwijk ik de onbenoembare verwondering die ik mijzelf en mijn gehoor moet helpen terug te vinden, en die mijn voorgangers hebben gesmoord in uitgekauwde retoriek.
Hij gaat daar heel ver in. Wat hem betreft kan de gangbare harmonieleer worden afgeschaft. Die leidt alleen maar tot verstarring van denken en voelen. In een brief aan Ernest Chausson schrijft hij verachtelijk over 'bepaalde akkoorden, waarvan de sonoriteit in commerciële muziek gewoontjes is geworden’. Zijn angst voor die val maant Debussy het hoofd koel te houden. 'De lieden die huilen terwijl ze meesterwerken schrijven, zijn aartshuichelaars.’
Daar staat hij dan, met die last van verleidelijke maar ongewenst verklaarde Pavlov-sentimenten op de schouders, naakt en nukkig, moeizaam schavend aan bevrijde muziek voor bevrijde oren. Het liefst zou hij zich ingraven. 'Eigenlijk’, concludeert hij, 'zou de muziek een ontoegankelijke wetenschap moeten zijn, bewaakt door teksten die zo lang en zo moeilijk te interpreteren zijn dat zij de massa’s mensen ontmoedigt die zich er nu van bedienen met de achteloosheid waarmee men een zakdoek gebruikt.’ Maar 'eigenlijk’, besef je nu, heeft hij dat ideaal verwezenlijkt. Zulke quasi-hermetische muziek, die zonder iets cadeau te geven luisteraars laat denken 'dat ze even hebben mogen dromen van een denkbeeldig en dus onvindbaar land’, heeft deze componist geschreven, even open en gesloten als hijzelf, een helder raadsel.

Privé-domein/ De Arbeiderspers, 320 blz., € 24,95