Genomineerde essays voor de Jan Hanlo Essayprijs

Gods bandrecorder loopt altijd

Donderdag 18 juni werd de Jan Hanlo Essayprijs uitgereikt in Pakhuis de Zwijger. De komende dagen zullen we de genomineerde essays online zetten, beginnend met de inzending van Coco Schrijber: ‘Gods bandrecorder loopt altijd’.

Lieve C

Ik zeil onder de sterren die Columbus zag toen hij op twaalf
oktober 1492 per abuis San Salvador (het eiland Watling) aanzag voor
Cathay. Uit die vergissing kwam Amerika voort. Tweehonderdzeventig miljoen
inboorlingen werden min of meer terloops afgeslacht en later met negers weer aangezuiverd.

Voor de zevende gaan wij beslist thee drinken.

Ik zie naar je uit, Rik

Ik heb een vriend die schrijven kan. Hij is niet mijn geliefde, ik zou hem doodslaan nog voor de thee getrokken was. Nee, hij is mijn vriend met wie ik ruzie over mislukte afspraken: ‘Jij zei vier uur!’ ‘Nee, ik zei vier maart’, met wie ik doe alsof we verdwalen in warenhuizen en met wie ik thee drink, zo vaak als zijn gereis het toelaat. Thee drinken is wat we doen. En praten. Dat wil zeggen, ik luister vooral, onthoud zijn zinnen om er later goede sier mee te maken in een ander gezelschap.

De thee die hij meebrengt komt uit Sikkim of Smolensk, uit Thinpoint, Alaska, zelfgebrande thee van een geitenhoedster uit Guadalquivir, of Rwanda waar hij een interview opnam met een veertienjarige jongen wiens familie – ouders, broertjes, zusjes, bijna dertig ooms en tantes en hun kinderen, vooral heel veel kinderen – levend werd verbrand. Zoals we nu weten, niet dan nadat hun handen waren afgehakt. Of hun voeten.

De Rwandese thee die in vredesmandjes wordt verpakt, smaakt intens maar de bloedlust is er niet aan af te proeven. Rik legt uit hoe de Hutu’s de humor bij hun slachting niet uit het oog verloren. De ten dode opgeschrevenen mochten kiezen uit manchetten of korte mouwen. Dat laatste klinkt verleidelijk want in Rwanda is het bloedheet, korte mouwen had dus vaak de voorkeur. Vervolgens werden de armen van de Tutsi’s tot boven de elleboog afgehakt in plaats van bij de polsen: manchetten.

Rik blaast poeltjes in zijn thee, vertelt staccato. Opsmuk overbodig. Hij weet wanneer je zinnen zwier mee moet geven en wanneer ze van zichzelf rechtop blijven staan.

Mijn vriend is geluidsman en de mooiste zinnen heeft hij niet opgenomen maar zitten in zijn hoofd. De op één na mooiste zinnen staan ook al niet op de band omdat hij net te laat was, de vrieskou zijn accu’s leegzoog of omdat de incompetente regisseur erdoorheen meierde.

‘Geeft niet’, zegt Rik dan, ‘Gods bandrecorder loopt altijd.’

Wat overblijft zijn derderangs zinnen. We horen ze terug in de documentaires waar Rik aan meewerkt, we lezen ze in het partijprogramma van de VVD, in de excuses van de NS, in romans die per ongeluk worden gepubliceerd. Want de taal wordt druk bevist door lieden die zich schrijver wanen.

Met onze hongerige lezersharten speuren we in hun verhalen naar hele, halve, desnoods vervalste waarheden over het leven, over jong zijn, oud zijn, ontrouw in de Watergraafsmeer, over de liefde. Liefde die je doorzichtig maakt van geluk, die je doet fluiten in de wachtkamer van de tandarts tot ongenoegen van de patiënten wier liefdesleven zo schraal is dat ze alle adjectieven die ze zouden wíllen voelen hebben geschrapt in hun getwitterde bestaan.

Rik schrapt niks.

Hij is een man die zichzelf al pratende uitvindt in zinnen die hij soms opschrijft. Dan stokt zijn betoog – bijvoorbeeld over de samenhang tussen het duiventilprincipe en zwijgende aardappelen – en glijdt de hand in de binnenzak. Een zinnetje wordt neergepriegeld in een schriftje en weer weggestopt. Als het boekje vol is verdwijnt het in een la die niet zonder weerstand sluit. Nors duwen de schriftjes hun ruggen tegen de onderkant van het tafelblad.

De meeste geluidsmensen zijn rustige types, doorgaans mannen die hun overhemd zelf strijken zodat een toevallig voorbijlopende vrouw zegt: ‘Trek maar uit, dat doe ik wel even.’

De geluidsmannen wachten gelaten totdat ze hun overhemd terugkrijgen, wachten totdat de cameraman zijn standpunt heeft bepaald, de kogels niet meer om hun oren suizen of de beroemde actrice eindelijk genegen is deel te nemen aan het interview.

Deze bedaarde natuur ontbreekt bij Rik. Hoewel hij even ontspannen zijn zenders opspeldt bij een obstinate kleuter als bij een seriemoordenaar – hij heeft wel een rustgevend effect op anderen – neemt hij deel aan het leven alsof hij permanent het maximum toelaatbare voltage krijgt toegediend. Een kopje thee is dan ook geen overbodige luxe.

Lieve C

Ik ben op weg naar Tokyo, Barcelona, Vilnius en Ulan Bator. Twee december terug en dan maak ik een onderbreking. Voor een kopje thee. Met jou.

Tot dan, Rik

Zijn ‘meeuwtjes’ vliegen vanuit de hele wereld naar me toe.

Mijn vriend is geluidsman en de mooiste zinnen heeft hij niet opgenomen maar zitten in zijn hoofd

Omdat hij als een pinball door de wereld schiet en zijn ronkend hoofd constant beschouwt, blootlegt en verbanden zoekt op een hellend parcours met een snelheid die niemand bij kan houden, lijkt hij soms door zichzelf heen te praten.

Tussen slokken loeihete thee door die hij nog in zijn mond probeert te blussen, klinkt dat zo: ‘Truwoens, in spetmeber komen toersiten altijd smane, in groot gelatte. In de woestijn zijn die toersiten echt trenckent zolas die binnenavllebn, zodat de Touaregs – de Shells Engals van de Sahara – kentergek worden van die diazos. Als gelduimsman neem ik het allemaal op.’

En weg is hij weer, in- en uitcheckend, de chagrijnigste douanier omvouwend van de lach achterlatend, het vliegtuig in naar een volgende uithoek.

De thee dampt nog na.

Belevenissen die hem ontroerd en vermaakt hebben worden opgeslagen onder het ongestreken overhemd. Tussen het dichtklikken van versleten geluidskoffers, het invullen van het carnet en het rennen achter de hoofdpersoon aan, noteert hij de asregen aan indrukken. In een mail, een sms’je, zelfs het kortste whatsappje komt aan op
geschept papier.

Van alle mannen die ik had kunnen zijn ben alleen ikzelf overgebleven.
Twee breed uitwaaierende kersenbomen houden hier de schijn op.

Zijn zinnen hebben niemand nodig. Hijzelf evenmin. Zwervend van hier naar daar en altijd verder, met zijn vooroverhellende looppas de lucht aan de kant duwend rust hij straks, eenmaal aangekomen in de toekomst wel uit.

Welnu C

Zojuist in een rammelend vliegtuigje op Ambon geland waar JP Coen veertig
Bandanezen in stukken liet hakken door zes samurai. Hij had ze daar speciaal voor
meegenomen. Het speelde zich af in Fort Nassau tijdens een slagregen. Het bloed
spoelde naar de vijver. De lijken heeft-ie in de put ernaast geflikkerd. Als ik terugkom:
een kopje thee voor ons beiden met de benen over de vensterbank en samen wolken
kijken.

Nouikgamaarweeris,

Rik

De onderwerpen waarover Rik bericht gaan over moord en doodslag, of over zijn Citroën DS:

Mijn dierb’re snoek is een rechterachterlager, ontluchtte remmen en drie liter LHM
verder en ready to boogie. Deze winter heeft een muis in m'n reservewiel gewoond.
De rol wc-papier is nu roze confetti over een boeket steeksleutels.

Je vriendje, meneer Rik

Zoals hij spreekt over zijn snoek, la déesse, zou je deze godin bijna willen zijn.

Waarom heeft de gedreven en vooral voortgedreven geluidsman zijn hart geschonken aan een stuk blik in plaats van aan een vrouw? Waarom is hij lyrisch over háár vormen, háár souplesse en niet over de neusvleugeltjes van de verkoopster in de boekwinkel aan de Westerstraat?

Waarom dwaalt hij onophoudelijk door de wereld, is hij altijd net de hoek om, uit het zicht? Toch niet alleen vanwege zijn beroep? De meeste geluidsmensen werken in Hilversum, mixen stemmen van Jinek, de weerman en een onuitputtelijk reservoir van quizkandidaten met hun farizeïsche jury’s. Daarna schuiven zij hun hengel in en rijden naar geliefde, familie, kinderen.

Rik heeft geen geliefde, familie, kinderen. Pappie en mammie liggen onder de zoden. Aan de open groeve luisterde zijn publiek hoe hij nog eenmaal zijn vader te voorschijn toverde:

Hij lag erbij als Fred Astaire. Een frivool beentje. Een pak uit Southport 1968. Hij haalde diep adem. En stapte over de kim.

Opgeknapt door het verdriet van de zoon toog iedereen naar de koffiekamer en smoorde zijn ontroering in de plak cake.

Kun je je vrouw gedag kussen om daarna je mouwen op te stropen en iemand te waterboarden?

Vriendinnen waren er wél. Hij pakte ze in met woorden die draaikolkten in hun oren, langs hun hals naar beneden rolden waar ze verwijlden in het niemandsland boven hun borsten. Daarna sloegen zijn zinnen toe en prikten vliegensvlug gaatjes in hun hart. Voordat de vrouwen ernaar konden grijpen, had hij het al gedicht met zijn liefde.

Zijn vriendinnen waren mooier dan Monica Vitti, slimmer dan Nobelprijswinnares May-Britt Moser en de laatste was een ‘duster’ die hij had ontmoet in het Smithsonian. Haar favoriete dino was de allosaurus, een vleeseter met imposante klauwen die zij afstofte. Tussen haar scherpgeslepen oogleden fonkelde haar blik als een topaas.

Op een dag zei de topaas: ‘Ik heb al drie jaar een affaire met de duster van de Enola Gay in het National Air and Space Museum.’

Zoals in elke edelsteen kwam het onvolkomenheidje genadeloos aan het licht. Het hart van de geluidsman ging op slot. Het bonzen ervan was niet eens waarneembaar met zijn eigen microfoon, een Schoeps CMT541 (nikkelen huls, onmodulair) die met zijn +48V phantompower zelfs in het whisttafeltje van tsaar Nicolaas een Russische klopkeverlarf had horen ontpoppen.

In zijn eigen leven ontpopte niks. Alles bleef roerloos.

Een veertiger met kans op alles en zicht op niets.

In zijn liefdeloze geluidsmannenbestaan nam het gereis een vaart die het fundament onder zijn bestaan wegvrat. Vrienden losten op, zijn huis verstofte en was hij eens thuis, lag hij stuurloos met zijn hoofd tussen de kussens, speurend naar geheime codes in de stiksels. Het enige constante waren zijn rake mailtjes:

Noordwaarts door de woestijnnacht naar Ras Sudr.
Aan de einder af en toe een regeltje kwiklampen.

Gr. R.

Omdat de liefdes als ordinaire zakkenrollers zijn hart hadden geplunderd, stroomde het vol met datgene wat resteert: pijn, haat, geweld, de misère die overal voorhanden is. De documentaires waar Rik aan meewerkt gingen fungeren als doekje voor het bloeden. De opname van het langdurig zwijgen van een journalist wiens ogen er uitgelepeld waren onder de dictatuur van Arap Moi werd een equivalent van zijn eigen hart dat stommetje speelde. Het gekras van de hippende raven op de ingestorte martelkamers van de sjah vulde de gaping die de liefde achterliet.

Het ene leed smoorde het andere.

De oleanders in Ispahan bloeien in paniek. De mussen zijn hier alleen omdat ze de weg terug niet kunnen vinden. Geen horizon te bekennen. Alles lost op in stof.

Waarom zijn er zoveel gruwelen in de wereld? Zodat we eraan herinnerd worden dat er erger dingen zijn dan ons eigen leeggeroofde hart? Of omdat we van nature banger zijn voor de liefde dan voor de haat? Is het draaglijker twaalf uur aan je polsen te hangen op Death Metal (volgens Amnesty International staat Stayin’ Alive van The Bee Gees op nummer drie) dan je grote liefde uit je leven te zien weglopen? In de ‘instructievideo’s’ van IS lijkt het eenvoudiger een keel door te snijden dan iemand te omarmen. Kun je je vrouw gedag kussen om daarna je mouwen op te stropen en iemand te waterboarden?

Natuurlijk kan het.

Ruim zesduizend pagina’s telde Feinsteins CIA-rapport. Een voetnoot in de verschrikkingen die dagelijks plaatsvinden in naam van een God, liefde, convictie. Het zijn dezelfde scènes uit Pasolini’s Salò die al in 1975 toonde waartoe excessen van de macht leiden

‘Salò is de enige film die over de werkelijkheid gaat’, verklaarde Pasolini enkele maanden voordat hijzelf werd vermoord. Uit haat? Liefde?

Zou het kunnen dat er meer kwaad wordt gepleegd dan er wordt bemind? Als ons gevraagd wordt het paradijs te schetsen, mompelen we: ‘Jackpot, palmbomen, Center Parcs, een inloopkast.’ Maar onze fantasie wordt pas goed geprikkeld wanneer de duisternis oplicht. Zoals Primo Levi getuigde. Of de ‘beul met zachte handen’ die Alice Munro heet.

Durf ik nu nog over de liefde te schrijven, denkend aan al die ontwrichte gezinnen, de afgetobde kindergezichtjes – ‘is het mijn schuld mama?’

Nu ik weet dat zelfs Neruda die onsterfelijke liefdespoëzie schreef, zijn eerste vrouw Marietje niet alleen bedroog maar haar bestaan en dat van hun mismaakte dochter finaal ontkende? Niet één gedicht wijdde hij aan Marie.

Ach wat. Als Pablo Potatohead het kan, kan ik het ook.

‘Nomineer mij opdat Rik ontdekt kan worden!’

Ik kan schrijven over liefde voor het essay, voor Bor de Wolf of liefde voor lelijke mensen. Veel liefde voel ik en heb ik gevoeld, ik heb zelfs wel een kort moment van mijn moeder gehouden. Er is liefde die je boterhammen extra dik besmeert, die tegenvalt of nooit bestond. En als je gedoneerde hart wordt afgestoten is er één iemand die je vrije val onderbreekt. Die je laat uithuilen, ook al verweken je tranen de schitterend gelukte suikerkorst van zijn zelfgemaakte Riz de l’Imperatrice.

Een vriend die gelukkig niet zegt: ‘Het gaat wel over.’

Over die liefde wil ik schrijven. In navolging van le dernier cri rood is het nieuwe zwart, beweer ik: ‘Vriendschap is de nieuwe liefde!’

‘Waarover zal ik zingen?’ vraagt Hanlo ons, ‘over vele vreemde dingen, of over de gewone?

Behoort vriendschap tot het eerste of het tweede?

De uitverkorenen weten: vriendschap behoort tot de vreemde dingen. Vriendschap van ijs dat overal even dik is, zonder wakken, ploertig onttrokken door glinsterende poedersneeuw zoals in de liefde. ‘Een onmogelijkheid’, zou Wiebe Wieling van vereniging De Friese Elf Steden zeggen.

Toch, het bestaat. Zwieren maar!

Thee! De zaterdag staat geboekt, ingenaaid en gebonden,
je kameraad uit de Gobi

Rik is thuis. Ik laat hem met rust want zijn ziel zweeft nog boven de Mid-Atlantische bergrug.

Ondertussen schrijf ik dit essay maar beter dan schrijven, zingen of dichten over de liefde – vraag maar aan de Syrische vluchtelingen, workaholics, wachtende oma’s achter het raam – is het te tonen.

Daarom roep ik: ‘Nomineer mij opdat Rik ontdekt kan worden!’

Het schaamrood brandt op mijn kaken, maar ik ga door: ‘Help mij zijn geluidsmannenpak uit te trekken, hem thuis te houden aan een tafel met een pen in de aanslag. Geef de norse schriftjes de vrijheid.’

Ook al hebben zijn zinnen niemand nodig, wíj hebben ze nodig. Wij, de sufferds die razen en roeren, alles najagen en verliezen nog voor we het aanraken. We snakken naar verhalen die ons overrompelen, opschudden, liefde geven.

Ik zal mijn moment in de volgspot – waar ik slechts doorheen zal glijden, erewoord – te baat nemen om mijn vriend aan te prijzen bij de redacteuren in de zaal die Rik direct zullen herkennen als een oorspronkelijk talent, vermomd als geluidsman, zonder drankprobleem met een verlangen naar deadlines. Een mens die ondanks zijn gehavende contour de pen hanteert zoals de slager zijn mes. Liefdevol beent hij het varken uit om dat ene malse stukje bloot te leggen.

Iedereen zit vol liefde, liefde voor de ander, voor zichzelf, voor porseleinen teckeltjes, voor waarheidsvinding al moeten er withete tangen aan te pas komen. Baardige jongens lopen over van liefde voor hun profeet ten koste van tekenaars die uit liefde voor de vrijheid hun spotprenten publiceren.

Liefde is onstuitbaar.

Riks liefde heeft huisvesting gevonden in zijn woorden, hij is de ‘gelduimsman van het korte verhaal’. Als iemand hem maar toesprak. Als een uitgever maar zei: ‘Vlij je Schoeps in het schuimrubber en schrijf. Een kopje thee is toegestaan.’

Ik zag ons aan de oever van een meertje zitten.

Troebel water dat sterk rook in de lentezon.
De manden met etenswaren niet uitgepakt.
Vele jaren later.
Iedereen zweeg.
Er was niets meer te zeggen,
we hadden juist bij toeval ontdekt dat we oud waren geworden.

In naam van onvoorwaardelijke liefde voor vriendschap zeg ik: ‘Nomineer mij.’

*