Essay: Gods eigen architect. Antoni Gaudí was, anders dan zijn gebouwen, buitengewoon rechtlijnig

Gods eigen architect

Hoe frivool de lijnen en kleuren in zijn gebouwen ook zijn, in zijn maatschappelijke opvattingen was de architect Antoni Gaudí buitengewoon rechtlijnig. Hij hoort niet tot ons Verlichte culturele erfgoed, integendeel. Maar op de overzichts tentoonstelling in Rotterdam hebben ze het daar niet over.

Net als in de politiek zijn intenties in de kunst pas interessant als de consequenties ertoe doen. Daarom is het goed om te weten wat Duchamp zei te willen «demonstreren» met zijn geëxposeerde pisbak, wat Rembrandt beweerde over Caravaggio, waarom Rubens zich als diplomaat door Europa liet sturen en wat Karel Appel ertoe bracht te verklaren: «Ik rotzooi maar wat an.» Niet voor niets worden intenties van kunstenaars doorgaans breed uitgemeten in tentoonstellingscatalogi en op de toelichtingsbordjes bij geëxposeerde kunstwerken.

Een uitzondering is de tentoonstelling Dromen en bouwen in de Kunsthal, Rotterdam. Slechts één zinnetje maakt gewag van de drijf veren van Antoni Gaudí, Gods eigen architect. Dat is begrijpelijk. Gaudí’s aartsconservatieve katholicisme ligt niet lekker in het huidige tijdsgewricht. Aandacht ervoor, en voor zijn scherpe opvattingen over democratie, Verlichting en vooruitgang, zou de «dromen» uit de titel wel eens kunnen verstoren. De Kunsthal moet het hebben van grote publieksaantallen en niet van controverse. Vandaar dat deze tentoonstelling, samengesteld in samenwerking met Barcelonese musea, vooral de drommen seculiere fans wil binnenhalen die de Catalaanse architect door de jaren heen heeft vergaard: ecologen, antroposofen, binnenhuisarchitecten, hippies, Japanners, backpackers en wie niet al. De bewondering van deze hedendaagse fans ligt in het verlengde van de waardering van de surrealisten die in Gaudí het eigen verlangen zagen naar het irrationele en subversieve, dromen in steen, een «architectuur van extase». Voor hen leek het werk van Gaudí op een permanente LSD-trip. In de jaren zestig en zeventig paste de postume bewondering voor de Catalaanse wonderarchitect uitstekend in de tegencultuur van die tijd, die zich niet alleen keerde tegen de Vietnamoorlog en de kerkelijke en wereldlijke autoriteiten , maar ook tegen «de dictatuur van de rechte lijn», tegen de repressie van de blokkendoos en de zielloze moderne architectuur. Een bouwmeester als Ton Alberts, maker van het ING-hoofdgebouw in Amsterdam-Zuidoost en het Gasuniegebouw in Groningen – «de Apenrots» – noemde de Catalaan als zijn belangrijkste voorbeeld.

Deze seculiere bewondering zou Gaudí niet lekker hebben gezeten. Want anders dan Karel Appel had Gaudí juist een heldere en alles doordringende bedoeling met zijn werk: «Ik ben een doorgeefluik van God.» De dromen uit de titel konden voor Gaudí slechts op Hem en de hemel slaan, want hoe vooruitstrevend, kosmopolitisch en misschien zelfs revolutionair zijn architectuur ook oogt, de man werkte om een roemrucht verleden terug te brengen, en voor God en vaderland – Catalonië. «Kunst om de kunst» vond hij een weerzinwekkende gedachte. De dromerige vrijheid die de hippies in de jaren zestig voor ogen stond, verafschuwde hij: «In de hemel bestaat geen vrijheid, want als je eenmaal de hele Waarheid kent, zal iedereen zich eraan onderwerpen. Vrijheid is van voorbijgaande aard, het is tijdelijk en overschat», aldus de meester. Open debat en democratisering waren niet aan hem besteed: «Een architect moet niet in discussie gaan met anderen: daar verliest hij alleen maar autoriteit mee.» En over de politiek: «Democratie betekent dat onwetendheid en stompzinnigheid regeren.»

Gaudí’s «Onvoltooide», de merkwaardige en fascinerende kerk voor de Sagrada Familia, de Heilige Familie, was ontworpen als tegengif voor «de zonde van het modernisme» en «de excessen van de democratie». Ook de privé-huizen die hij bouwde in Parc Güell en de kolossale appartementencomplexen aan de Passeig de Gracia, de Fifth Avenue van Barcelona, bevatten vele verwijzingen naar het geloof. De Casa Milà, zijn beroemdste seculiere gebouw, was aanvankelijk zelfs bedoeld als voetstuk voor een gigantisch beeld van de Heilige Maagd, die vier meter hoog, in brons, over de stad had moeten uitkijken. Maar daar wilde de opdrachtgever en eigenaar niet aan, want in een stad die regelmatig werd geteisterd door antiklerikale opstanden vreesde hij dat Maria een volgende beeldenstorm niet zou overleven.

Niets daarover op de tentoonstelling in Rotterdam, op dat ene plichtmatige zinnetje na waarin de Kunsthal vermeldt dat Gaudí «geheel in overeenstemming met de Spaanse geest» een «gelovig katholiek» was. En ook dat is onjuist, want Spanje kende twee geesten. Gaudí koos met hart en ziel partij voor de reactie, voor kerk en verleden. Andere Spanjaarden, allerhande liberalen, industriëlen, socialisten en anarchisten, kozen voor een hiermee onverenigbare seculiere «geest» als uitvloeisel van de Verlichting die de Franse bovenburen Spanje gewapenderhand hadden gebracht. In fanatisme en gewelddadigheid deden beide kampen niet voor elkaar onder. Vanaf 1831 bevochten ze elkaar op leven en dood, in vier burgeroorlogen, waarvan de laatste, de twintigste-eeuwse, natuurlijk de bekendste is. Bibberend beleefde Gaudí in 1909 de Tragische Week, waarin duizenden nonnen, priesters en monniken over de kling werden gejaagd. Gaudí was doodsbang dat de antiklerikale meutes het werk aan zijn Sagrada ongedaan zouden maken. Maar dat ge beurde niet. Zonde, meende George Orwell, die 25 jaren later ter plaatse was om een legeronderdeel van de republikeinse troepen te steunen. De Sagrada getuigde volgens de Britse schrijver van «een oneindig creatieve wansmaak» en tot zijn tevredenheid werd het ding in 1936 bestormd door een woedende menigte, die daar onder meer alle ontwerptekeningen verbrandde, opdat de kerk nooit naar het oorspronkelijke plan kon worden afgebouwd. (Wel naar lelijke, nieuwe ontwerpen, «in de geest van Gaudí».)

Laten we eerlijk zijn: Orwell deed Gaudí meer recht dan de sjokkende toeristen, de blije hippies en de seculiere ecologen en antroposofen van later. Gaudí had immers geen boodschap aan de bewondering van ongelovigen. Hippies wilden dat niet horen en dachten zelfs, zo brengt ’s werelds belangrijkste kunstcriticus Robert Hughes in zijn monumentale boek Barcelona in herinnering, dat de naam Gaudí afstamt van het Catalaanse werkwoord «genieten». Maar helaas voor hen: Gaudí was niet blij. Allesbehalve. In zijn geloof stonden straf en boete centraal. Gaudí: «God corrigeert ons constant, hij kastijdt ons voortdurend, en wij moeten Hem smeken ons te blijven straffen en daarna te troosten.» En: «Iedereen moet lijden. De enigen die niet lijden zijn de doden. Hij die een einde aan het lijden wil, wil eigenlijk dood zijn.» En lijden vond Gaudí geen probleem. Na een onbeantwoorde liefde trouwde hij nooit met een ander. Hughes vermoedt zelfs dat hij als maagd is gestorven. Ook volgde de bouwmeester een streng vegetarisch dieet, dat met de tijd doller werd. Hij ging al nooit naar cafés, maar in zijn laatste jaren zwoer hij zelfs restaurants af. Uiteindelijk leefde hij nog slechts op water en brood, een paar slablaadjes en olijfolie. Hij sliep in een steriel kamertje met daarin een houten bidbankje. Tot zijn dood werd hij verzorgd door een paar nonnen uit een verderop gelegen karmelietessenklooster. Zij waren onder de indruk van Gaudí’s geloofsbeleving. Niks geen smells and bells, zoals katholieken het tegenwoordig graag hebben. Terwijl Spanje de slechtst bezochte missen had van alle Europese katholieke landen zaten de Spaanse kerkelijke autoriteiten tot over hun oren in de politiek. De kerk stond voor een maatschappelijke zaak: individueel geloof was van ondergeschikt belang. Na een van de overwinningen van reactionair Spanje schreeuwde een enthousiaste menigte, aangevuurd door priesters en monniken: «Vive las cadenas!»: Leve de ketenen! De door de kerk gesteunde troepen van Franco, in de jaren dertig, koesterden de macabere yell: «Vive la muerte»: Leve de dood!

Zowel ethisch en politiek als esthetisch stond Gaudí de herleving voor van een premoderne, gotische tijd. Dat begon op vroege leeftijd. Geboren als zoon van een ambachtsman sprak hij als puber al over de herwaardering van de gilden. Op dertienjarige leeftijd schreef hij samen met zijn even gelovige vriendje Toda een pamflet met de titel Poblet Manuscript. Poblet was een klooster dat in 1835 door een antiklerikale menigte was verwoest. De gelovige pubers riepen op tot restauratie. Ze noemden de herleving van Poblets verleden «een Catalaans-nationalistische taak van bijbelse proporties». En ze gingen tekeer tegen «de liberalen in Madrid», die voor de onteigening van de kerkelijke grond hadden gezorgd, een roemrucht wapenfeit in de eeuwenoude Spaanse strijd tussen vooruitstrevende en reactionaire krachten. Voor beide jongens liepen Catalaans nationalisme en streng katholicisme naadloos in elkaar over. Catalonië was in de klassieke oudheid, zo brachten de jongens in herinnering, het eerste «beschaafde» deel van Spanje. Niet voor niets was de Zwarte Madonna gevonden in de spelonken van de Catalaanse berg Montserrat, die op haar beurt was ontstaan in een geologische explosie op het moment van Jezus’ kruisiging. Als architect zou Gaudí verwijzingen naar het geloof altijd vermengen met nationalistische symbolen. De drakenrug van Casa Battló, bijvoorbeeld, verwijst naar de drakenstrijd van stadsheilige Joris, maar tegelijk naar een nationale mythe waarin ene Wilfred de Harige stad en streek sticht door een draak te doden die de Moren hadden achtergelaten. De Sagrada Familia herbergt in haar duizenden ornamenten dertig plantensoorten in steen, alle oorspronkelijk uit het Heilige Land of uit Catalonië.

Zoals zo vaak in tijden van snelle veranderingen, welvaartsstijging en toenemende immigratie kreeg de strijd tegen «de zonden van het modernisme» vleugels aan het einde van de negentiende eeuw. Gaudí kon vlot aan de slag met zijn monument tegen alles wat riekte naar liberalisme, een individuele beleving van geloof, materialisme, democratie, et cetera; het waren Catalaanse, religieuze nationalisten die Gaudí de opdracht gaven de kerk van de heilige familie, de Sagrada Familia te bouwen. De opdrachtgevers verenigden zich in de Spirituele Vereniging van de verering van Sint Josef, geheel naar de wensen van de toenmalige paus, die hoopte op een nieuwe contrareformatie. Een van de opdrachtgevers, zo weet Robert Hughes te vertellen, at zelfs geen Frans eten noch dronk hij Franse wijn, om zo het land van Voltaire en Napoleon (de «antichrist») te boycotten. Mede door deze hardliners is het gebouw in Barcelona ook nooit populair geweest. Toen een van ons een half jaar in Barcelona woonde hebben tientallen Catalanen zich ongevraagd voor het gebouw geëxcuseerd. Ze zijn blij met de Japanse belangstelling, want Catalanen houden van handel, maar hoe groot hun lof voor de architect Gaudí verder ook moge zijn (vooral Casa Battló is geliefd), de Sagrada Familia is voor hen al te zeer verbonden met de ideologie van zwart Spanje, van grootgrondbezitters, corrupte geestelijken en nationalistische stoottroepen.

De geestelijkheid droeg Gaudí daarentegen op handen. Samen streden ze tegen goddeloosheid, vrijmetselarij en verlichtingsdenken. Tegelijkertijd streed Gaudí voor de herleving van een gotische wereld, van een tijd vóór nieuwlichterij als Jugendstil, impressionisme of modernisme. Het ging hier om doctrinair geloof, wat Gaudí energieke vrienden heeft opgeleverd. Er bestaat al jaren een Vereniging tot Zaligverklaring van de architect, met wereldwijd tachtigduizend leden. Inmiddels heeft het Vaticaan het canonisatieproces het nihil obstat gegeven. Het wachten is nu op een wonder, want zijn gebouwen kunnen door het Vaticaan «officieel» niet als zodanig worden aangemerkt.

In het Nederlandse intellectuele debat over de vermeende moeilijkheden met de plaatselijke, ontwortelde immigranten wordt steeds luider en vaker geroepen: Verlichting! De achttiende-eeuwse rede zou ons en onze beschaving hebben gevormd en de verlichtingsidealen onderscheiden onze cultuur fundamenteel van het wereldbeeld dat grote groepen moslimimmigranten erop nahouden. Het is even frappant als relevant te erkennen dat Gaudí au fond helemaal niet past in het beeld van het kosmopolitische, vrijheid- en handelsvriendelijke Barcelona, met zijn openheid naar het noorden van Europa, inclusief voetbalspelers en paasweekendtoeristen. Gaudí hoort niet tot ons verlichte culturele erfgoed. Hij staat eerder aan de kant van imam El Moumni, die homo’s willens en wetens vergeleek met varkens. De Kunsthal zwijgt hierover. Daarmee is een aardige kans blijven liggen om de complexiteit van de wortelvertakkingen van onze beschaving te tonen en een beter begrip te krijgen van werk en opzet van de grote kunstenaar Antoni Gaudí.

Antoni Gaudí: Dromen en bouwen

Kunsthal Rotterdam, tot en met 18 september
[www.kunsthal.nl
](http://www.kunsthal.nl

)