Gods eigen popsong

Ik hoorde mijn eerste Mattheus-Passie op mijn achttiende jaar en wist van God noch mijn gezond iets af. Derde rij Concertgebouw, rechts naast het gangpad. Een paar maten althobo, als inleiding tot het beginkoor ‘Kommt Ihr Tochter…’ Verpletterd zat ik op mijn parterreplaats. Waarlijk, hier sprak God zelf. In het Duits, want Hij is even taalvaardig als Zijn huidige plaatsbekleder te Vaticaanstad.

Ooit was dit Duits een probleem, in 1948, om precies te zijn, toen Bachs belangrijkste oratorium ‘in regeringsopdracht’ door Jan Engelman werd herdicht. Ooit heb ik deze verdietsing van het Duits onder ogen gekregen. Het was meer dan verschrikkelijk. 'Ten avond in den koelen tijd, bleek Adams vloek en deemsterheid.’ Matthijs Vermeulen, de toenmalige muziekcriticus van De Groene, was erbij toen deze polderlandschappelijke Mattheus in 1949 ten doop werd gehouden. Reeds van tevoren maakte hij zich kwaad over de 'theologische, grammaticale, poetische haarklovers, muggezifters en overige kortzichtige, schoolmeesterige vitters’ die ongetwijfeld op hoge toon zouden eisen dat hen het vertrouwde 'Am Abend als es kuhle war…’ zou worden teruggegeven.
Ik begrijp het wel. De landstaal waarvan Bachs tekstschrijver zich bediende was na vijf jaar onderdrukking en verzet enigszins in diskrediet geraakt. Toch blijft het onzin. Tenslotte is noch Bach, noch de taal waarin hij communiceerde in de oorlog fout geweest. Daarom draai ik nu, al tekstverwerkende, uit protest tegen deze vroege proeve van politieke correctheid, de opname van Gunther Ramin met het Gewandhausorchester uit 1941.
Toegegeven, het was geen jaar waarop Gods zegen rustte. Het is niettemin een verrassend moderne opname, met strakke tempi, zonder het twijfelachtige romantische gezwijmel dat tot ver na de val van het Derde Rijk gebruikelijk was.
De Mattheus is, het Gewandhausorchester niet te na gesproken, die van het Concertgebouworkest, op Palmzondag, rechtstreeks via de radio te beluisteren. Omdat ik aan een plaatsvervangende godsdienstoefening geen behoefte heb, volg ik deze uitvoering altijd in mijn huiskamer, nooit in de Grote Zaal. Het heeft, naast al het geld dat wordt bespaard, vele voordelen. Je kunt een beetje dribbelen bij de aria 'Geduld, geduld…’ en je drinkt een glaasje bij de aria 'Gerne will ich mich bequemen, Kreuz und Becher an zu nehmen’. Want het blijft een hele zit, vooral in de jaren waarin trage typen als Otto Klemperer en Eugen Jochum zich over de partituur ontfermden. Tegenwoordig, met dirigenten als Ton Koopman en Philippe Herreweghe, wordt het zitvlees in aanmerkelijk mindere mate op de proef gesteld.
Jochum had op Palmzondag zo'n uur of vier nodig. Koopman redt het in een uur of drie. Ik heb dan inmiddels allang een prive- Mattheus achter de rug, via mijn cd-speler, op Goede Vrijdag, toen het immers allemaal gebeurde. Dan probeer ik de geluidsopname zo te regisseren dat de evangelische verzuchting 'Und Jesus schrie abermals laut… und verschied’ precies samenvalt met de klokslag van drie uur, toen Hij de geest gaf. Het is een hele sport - en moeilijker dan het lijkt, maar ik zet mijn pogingen ook dit jaar onverdroten voort.