Gods kettinghond breekt los

PRIVE MOGEN SCHRIJVERS nog zo zachtmoedig zijn, zorgzaam voor partner en kinderen, diervriendelijk, donateur van de Novib en het Blindengeleidehondenfonds, maar zodra ze achter een typemachine gaan zitten, ontwerpen ze de meest liederlijke misdadigers. ‘Als er geen schurken waren geweest, hadden de scheppers van de wereldliteratuur ze moeten uitvinden’, zegt John Mortimer, de samensteller van The Oxford Book of Villains. Wie moet er anders zorgen voor dynamiek en drama? Wie biedt de Brave Hendriken de kans om te tonen hoe braaf ze wel zijn?

Nu heeft het christendom een aartsschurk in de aanbieding: de Duivel. Geen wonder dus dat honderden schrijvers de Prins der Duisternis hebben opgevoerd om hun werk vaart en kleur te geven. Een horde Duivels bevolkt de wereldliteratuur. Merkwaardig genoeg zijn die literaire Duivels, bijna zonder uitzondering, zeer teleurstellende types. Ze moorden, stelen, bedriegen en onteren dat het een aard heeft, ze vervullen ijverig alle kwalijke functies die de schrijver ze toedenkt. Maar ze komen niet tot leven. Zielloze figuren zijn het, die qua uitstraling niet in de schaduw kunnen staan van de gemiddelde menselijke boef. En dat valt niet altijd te wijten aan een tekortschietend literair vermogen van de schrijver. Zelfs kanonnen als Goethe en Thomas Mann wisten er geen fascinerend personage van te maken. Wat is er mis met de christelijke Duivel?
Volgens de christelijke orthodoxie is de Duivel ‘de personificatie van het Kwaad’. Die definitie roept meer complicaties op dan je op het eerste gezicht zou denken. Want als de Duivel zelf het Kwaad is, bevindt dat Kwaad zich buiten ons. Het heeft de vorm aangenomen van een heertje met bokkepoten en horentjes op zijn kop. Rechters en psychiaters zijn niet blij met deze constructie ('Ik wilde grootmoeder helemaal niet in de oven stoppen. Maar de Duivel zei dat het moest!’). Ook schrijvers hebben er problemen mee. Immers, hoe meer kwalijke praktijken en gedachten je toebedeelt aan een bovenmenselijk personage, hoe minder er overblijft voor de menselijke hoofdrolspelers. Hun psychologische diepgang wordt daardoor beperkt. Schrijvers passen liever het omgekeerde procede toe: ze proberen bijvoorbeeld historische gebeurtenissen in hun menselijke hoofdpersonen te trekken (Harry Mulisch: 'Ik ben de Tweede Wereldoorlog’).
Het feit dat de rol van de Duivel vaststaat, beperkt bovendien zijn eigen bewegingsvrijheid. Hij is nu eenmaal Het Kwaad, veel ontwikkeling kan hij niet doormaken. Dit maakt de Duivel tot een plat personage, zoiets als de kapitalist-met-de-hoge-hoed uit het vormingstoneel van de jaren zeventig. Deze problemen zijn, zoals we zullen zien, niet onoplosbaar, wanneer we tenminste bereid zijn te morrelen aan de orthodoxe taakomschrijving van de Duivel.
EEN TWEEDE PROBLEEM: de christelijke Duivel mag weliswaar acteren als de Grote Tegenstrever van Onze Lieve Heer, maar tegelijkertijd staat hij onder diens regie. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de merkwaardige dubbelrol die de Duivel moet spelen: hij is zowel Verleider als Beul. Eerst voelt hij de gelovigen aan de tand, vervolgens mag hij degenen die vatbaar blijken voor verleiding uitnodigen voor de barbecue. Hij helpt kortom Gods Koninkrijk in stand te houden door de rotte appels uit de mand te vissen. En de Grote Opdrachtgever bepaalt precies hoever zijn adjudant mag gaan. De Duitse evangelist Manfred Bonig zegt het zo: 'Als een kettinghond heeft Satan slechts een heel bepaalde, door God gewilde en toegelaten invloedssfeer.’ Dit is geen goede uitgangspositie voor een boef. Wij willen niet horen dat Al Capone op de loonlijst van de FBI stond.
Hoe is de Duivel in deze tragische positie beland? We stuiten hier op wat Francis Spufford (samensteller van de onvolprezen bloemlezing The Chatto Book of the Devil) 'the dualistic fringe of monism’ noemt. Elke monotheistische godsdienst zit opgezadeld met een lastig probleem: als er maar een almachtige God is, dan is die verantwoordelijk voor al het moois op deze wereld, voor de bloemetjes en de bijtjes en de liefde tussen de mensen, maar net zo goed voor de adders onder het gras, de Afrikaanse killer-bee, verkeersongelukken en Auschwitz. Het is niet makkelijk een God te aanbidden die met de ene hand geluk brengt en met de andere verderf zaait. En groot is dus de verleiding om niet God maar een ander personage verantwoordelijk te stellen voor de ellende.
De Duivel was een goeie kandidaat voor de functie van zondebok. In de oudere geschriften uit het Oude Testament (zoals het boek Job) duikt de Satan al op. En wel als een soort adjudant van God. Een breedgeschouderde vertrouweling die erop uit wordt gestuurd om een vervelend klusje te klaren. De leider van het Department of Dirty Tricks van Gods Firma. Het was maar een kleine stap om van hem een echte gangster te maken, die voor eigen rekening werkt. De neiging om aldus de kwalijke praktijken van de God der Wrake aan de Duivel toe te schrijven, was in het joodse geloof de laatste eeuwen voor Christus zeker aanwezig. Neem een bijbel en vergelijk het verhaal in 2 Samuel 24 (David en de volkstelling) met de herschreven versie in 1 Kronieken 21. Wie haalt er hier een onvoorstelbare klotestreek uit: de Heere, of Satan?
Maar zo ontstond een dilemma voor de joodse theologen: wanneer ze de Duivel lieten uitgroeien tot een volwaardige tegenstander, zou er een Kwade God tegenover de Heere komen te staan (zoals in het dualistisme van Zarathoestra). Dat ging ze te ver.
Het christendom heeft voor dezelfde keus gestaan. Even zag het er zelfs naar uit dat de dualisten het zouden winnen. Gnostici als de Syrier Marcion konden niet geloven dat de God der Wrake van het Oude Testament hetzelfde personage was als de Lieve Heer van het Nieuwe Testament. Volgens hem was de oude God de schepper van de materiele wereld, en van het Kwaad. De Goede God, ver verheven boven materiele zaken, verschijnt pas in het Nieuwe Testament ten tonele. Dit had de officiele theologie van het christendom kunnen worden: twee machtige goden, een kwade en een goede, die elkaar bevechten. Maar de andere partij won, de gnostici werden tot ketters verklaard en uitgeroeid. Vandaar dat de christelijke Duivel wel mag strijden tegen de Lieve Heer, maar niet te fanatiek. Want God is de baas, ook over de Duivel. Wij blijven zitten met de vraag welk kwaad de Duivel nu op eigen initiatief tot stand brengt, en welk kwaad op de rekening van zijn opdrachtgever moet worden geschreven.
De traditionele duivel is bovendien een zeer eenkennig type. Het gaat hem steevast om een enkele ziel. Van organisaties heeft hij geen kaas gegeten. Deze handicap liep de Duivel op in de vierde eeuw na Christus, en hij is er nooit overheen gekomen. In die tijd trokken groepen jonge mannen naar afgelegen oorden om daar hun grote voorbeeld te imiteren. Net als Jezus wilden ze elk apart, in totale afzondering, de strijd aangaan met de Duivel. En inderdaad, ze werden bezocht door merkwaardige angsten en ongewenste gedachten. De Duivel schrok er zelfs niet voor terug om hen ’s nachts te komen pesten in de gedaante van een wulpse vrouw!
In de vroege middeleeuwen, toen de kloosterorden de christelijke kerk begonnen te domineren, werd de 'woestijntraditie’ van de monniken de leidende ideologie binnen de kerk. De Duivel heeft het woestijnzand nooit meer uit zijn haren kunnen krijgen. Zijn mikpunt was en bleef die ene solitaire ziel. Vandaar dat de traditionele Duivel niets weet aan te vangen met een optelsom van individuen, kortom met structuren en organisaties. Natuurlijk kan hij een individu binnen een organisatie uitschakelen. Maar bereikt hij daarmee wel wat hij wil bereiken?
Een gedachtenexperiment. Halverwege de jaren dertig verneemt de Duivel dat in Den Haag een eerzaam en vlijtig ambtenaar doende is om een volmaakt systeem te ontwerpen voor de Nederlandse bevolkingsadministratie. Dat kan de Duivel natuurlijk niet over zijn kant laten gaan. Hij moet en zal deze ziel veroveren. De arme ambtenaar wordt opeens gekweld door merkwaardige angsten en onreine gedachten, maar hij is een oppassend man, en hij verzet zich. Dan wordt op een dag een kist bij hem thuis bezorgd, op het oog afkomstig van een oom uit Friesland. Twintig flessen jenever van de allerbeste kwaliteit! Dit breekt zijn weerstand. En op een avond, als hij net een aantal glaasjes achterover heeft geslagen, wordt hij bezocht door een wulpse dame die zijn hulp dringend nodig heeft. Hij begint een zinderende verhouding met haar. Maar zij blijkt een dure smaak te hebben. Op een dag wordt de ambtenaar ten kantore betrapt terwijl hij bezig is de postzegelkas te lichten. Oneervol ontslag volgt. Berooid en verbitterd sterft de man een paar jaar later aan syfilis. De Duivel heeft gewonnen. En als de Duitse troepen in mei 1940 binnenvallen treffen zij een verouderd en wanordelijk bevolkingsregister aan, volstrekt onbruikbaar voor hun doeleinden. Het aantal joden en onderduikers dat kan worden opgespoord, blijft ver achter bij de verwachtingen van de bezetters.
Een duivel die zich niet zo fixeert op die ene ziel kan op langere termijn veel meer kwaad aanrichten. Maar dat inzicht is tot de christelijke Duivel nog niet doorgedrongen. In een bureaucratische maatschappij weet Satan niet goed wat hij beginnen moet. Geen wonder dus dat de neergang van de Duivel als symbool van Het Kwaad al voor de Tweede Wereldoorlog was ingezet. De Duivel had al de nekslag gekregen van Kafka, nog voor Hitler en Stalin op het toneel waren verschenen.
WAT IS NOU PRECIES het Kwaad dat de Duivel vertegenwoordigt? Luther zag dat ruim: 'Hij is oorzaak van alle ziekten en ongelukken. (…) Omdat de Duivel niet alleen een leugenaar maar ook een moordenaar is, staat hij ons voortdurend naar het leven. (…) Daardoor komt het dat hij menigeen de hals breekt of van zinnen brengt, sommigen in het water laat verdrinken en velen ertoe beweegt zelfmoord te plegen.’ De missie van de Duivel is blijkbaar om zo veel mogelijk mensen te laten sterven, en ons zo veel mogelijk te laten lijden. Nu hebben we hiervoor al gezien dat de Duivel geen systematisch denker is. Maar we mogen toch aannemen dat hij iets heeft opgestoken van al die eeuwen praktijkervaring.
Immers, wie veel kippen de kop wil afhakken, vertroetele zijn kuikentjes. Wie wil dat er veel mensen dood gaan, moet eerst zorgen dat er veel leven is. Doodslag, zelfmoord en verkeersongelukken leveren op korte termijn wel resultaat op, maar tegelijkertijd beperken ze de groei van het mensdom, zodat de oogst in de toekomst tegenvalt. Een vergelijkbare redenering gaat op wanneer de Duivel het lijden van de mensheid wil maximeren: dan kan hij ons het best zo lang mogelijk laten leven. Hoe meer leven, hoe meer lijden.
Een Duivel die zijn missie serieus neemt zou tegen voorbehoedmiddelen moeten zijn, tegen abortus, tegen zelfmoord en tegen euthanasie. Hij stimuleert de verkeersveiligheid en de voortgang van de orthodoxe medische wetenschap, maar staat huiverig tegenover nieuwigheden als genetische screening en gentherapie. Hij is kortom net zo rooms als de paus. Daarnaast exploiteert hij een sigarettenfabriek.
Wat er gebeurt wanneer de traditionele Duivel als literair personage wordt opgevoerd, kunnen we natuurlijk het beste zien in het klassieke meesterwerk van dit genre, de Faust van Goethe. In dit drama komt de tobberige wetenschapper Faust in aanraking met een Duivel die weinig meer lijkt op de boertige Satan van de middeleeuwen: de slanke, spitse, ironische Mefistofeles, die zich door een meester-schoenmaker elegante brogues heeft laten aanmeten om zijn gekloofde hoeven aan het gezicht te onttrekken. Onder dit vernieuwde exterieur schuilt echter een klassieke Duivel, een sadistische adjudant van God (zie de 'Proloog in de Hemel’, ontleend aan het bijbelboek Job), die het alleen om die ene ziel te doen is.
Goethe heeft al zijn niet geringe talenten in de strijd geworpen om van Mefistofeles een kleurrijk figuur te maken. Die mag allerlei illusionistische trucs uithalen (zijn opkomst als zwarte poedel!), en fraaie volzinnen declameren ('Bloed is een heel bijzonder sapje’). Mefisto zet het drama in beweging door Faust mee te slepen naar allerlei plaatsen waar 'het echte leven’ zich afspeelt en waar de meisjes zijn. Zelf vertoont hij echter geen ontwikkeling en hij valt geen moment uit zijn rol. Wat zich in Mefistofeles afspeelt, komen we niet te weten.
Het gaat om Faust. Als toeschouwer vraag je je af: waarom laat die Faust zich zo makkelijk verleiden? Wat bezielt hem om zo'n idioot contract aan te gaan? Wat wil hij bereiken? En dat is ook precies de bedoeling. Mefistofeles is het zwarte achtergronddoek waartegen de ambitie en de wankelmoedigheid van Faust des te beter uitkomen.
Zo zijn praktisch alle Duivels die ik ooit in de literatuur ben tegengekomen. Ze hebben, om het maar eens hoogdravend te zeggen, geen innerlijk leven. De verpakking moet het doen. In de beste gevallen is die verpakking inderdaad onvergetelijk. Heel fraai is bijvoorbeeld de Mysterious Stranger uit het gelijknamige verhaal van Mark Twain, die het vermogen blijkt te bezitten om uit klei levende poppetjes te boetseren. Voor de ogen van een paar jongetjes verrijst een compleet dorpje, vol bedrijvige mensjes en levende have - tot de Vreemdeling er genoeg van heeft en het hele zaakje achteloos platstampt.
Maar het kan nog beter. Mijn favoriet onder de literaire duivels is de Woland, die Michail Boelgakov laat optreden in De Meester en Margarita. Woland begint de roman als een standaardduivel, die hier en daar wat koppen laat rollen, maar gaandeweg ontwikkelt hij zich tot een veel interessanter personage. Zo staat Woland toe dat zijn acties ter discussie worden gesteld - door mensen die hij hoogacht. Hij is sadistisch, maar niet tegen slachtoffers van het sovjetsysteem (zoals de Meester, die opgesloten zit in een oord voor krankzinnigen). Hij kent de bureaucratie op zijn duimpje, en gebruikt die kennis om gehakt te maken van de schrijftafelmoordenaars. Omgekeerd heeft hij groot respect voor de Ware Liefde die de titelhelden bindt, en zijn hele missie in Moskou lijkt tot doel te hebben om de Meester weer met zijn Margarita te verenigen (al moeten ze daarvoor eerst besluiten om samen te sterven).
Deze Woland is kortom geen conventionele Duivel. Boelgakov heeft de speelruimte voor zijn personage aanmerkelijk verruimd. De oude Marcion zou, denk ik, zeer verguld zijn geweest met Boelgakovs schepping: precies de Kwade God van de gnostici, de God der Wrake uit het Oude Testament.
De mogelijkheden om een interessante Duivel te construeren zijn daarmee nog niet uitgeput. De traditionele Duivel speelt twee rollen: de ironische Verleider en de cynische Beul. In de Romantiek verscheen kortstondig een derde type op het toneel: de trotse Rebel.
De grondslag voor de Rebelse Duivel werd gelegd door Vondel (in zijn drama Lucifer, uit 1654) en door John Milton (Paradise Lost, 1667). In beide dichtwerken weigert Lucifer, de Stadhouder der Engelen, de creatie van Adam en Eva te aanvaarden. Hij vreest dat de nieuwe speeltjes zijn plaats in zullen nemen naast Gods troon, en dat hij voor deze upstarts zal moeten gaan werken. Lucifer komt - hoewel hij weet dat hij niet kan winnen - in opstand, een oorlog tussen de Engelen breekt uit, tot de Rebel (in Miltons versie) met kanonnen uit de hemel wordt geschoten.
IN HET BEGIN VAN de negentiende eeuw wordt deze Rebel de held van een generatie jonge Engelse schrijvers. De tragische heroiek van Lucifer spreekt ze aan: hij heeft in ieder geval geknokt voor wat hij waard was. Jolly good fight, old chap. Maar waarom kwam hij eigenlijk in opstand? Hier presenteerden ze een innovatie waar zelfs de moderne agnostische lezer nog van opkijkt en die buitengewoon schokkend moet zijn geweest voor de orthodoxe christenen uit die tijd. 'Wij, zielen die hun onsterfelijkheid durven gebruiken’, zegt Lucifer in Byrons drama Cain, 'wij, zielen die de Almachtige tiran in zijn eeuwige gezicht durven kijken, en hem vertellen dat zijn kwaad niet goed is! (…) Goodness would not make Evil; and what else hath he made?’ Deze Duivel verwijt God de fouten in Zijn schepping. Hij rebelleert uit teleurstelling: de Grote Baas heeft de klus niet zo perfect geklaard als de volgeling had verwacht.
Shelley draait de schroeven nog wat aan in zijn Essay on the Devil and Devils: hij laat God op sadistische wijze wraak nemen. Juist omdat Lucifer slechts het goede wilde, dwingt God hem 'te doen wat hij het meest verafschuwde’: de Duivel spelen. 'Hij wordt voor altijd gekweld door mededogen en liefde voor hen die hij verraadt en ruineert. Hij is als een man die door een tiran gedwongen wordt om zijn eigen bezittingen in brand te steken, op te treden als{ (…) aanklager van zijn liefste vrienden en meest nabije verwanten, om dan hun beul te worden en ze de meest subtiele en langdurige martelingen aan te doen.’
Dit is een idee met een geweldige dramatische kracht. Deze Duivel is van geheel andere orde dan typen als Mefistofeles. De Rebelse Duivel is geen decorstuk, maar de diep-tragische held van een opera. Helaas, die opera is nooit geschreven. Dit fascinerende personage stierf uit met de Romantiek.
In de voetsporen van Shelley, Keats en Byron zouden we eens kunnen bekijken wat er nog meer te maken valt van de Rebel. Wat voor Duivel krijgen we bijvoorbeeld wanneer we de Rebel combineren met de Verleider? Iets als een Mefistofeles, die zijn verleidingskunsten aanwendt om de mensheid te winnen voor zijn revolutionaire doeleinden. De uitdaging is dan om te formuleren wat zijn idealen zijn. Wil hij toewerken naar een Nieuwe Mens? Is hij een aanhanger van radicale eugenetica? Of schuilt in deze oude bok misschien de grondlegger van een nieuwe pacifistische wereldreligie?
Explosiever is de combinatie van Rebel en Beul. Dat wordt namelijk een Duivel die de mensheid met ijskoude minachting bekijkt en zonder enige scrupules zijn eigen doelen nastreeft. De vriendelijkste versie die ik daarvan kan bedenken is een Groene Duivel, die meer houdt van de buizerd dan van de mens, en de das prefereert boven de auto. Van zo'n ecologisch angehauchte slang is misschien nog enige compassie met de mensheid te verwachten. Maar voor hetzelfde geld belanden we bij een Duivel die heeft besloten dat de aarde beter af zou zijn zonder mensen. Zo'n Duivel zie ik wel voor me: een heertje met horentjes op zijn kop die de woeste en ledige aarde doorwandelt, om te bekijken hoe de natuur al het werk van mensenhanden weer afbreekt. De apen houdt hij nauwlettend in het oog, want daar is het allemaal mee begonnen. Maar verder is hij tevreden. Het fabeldier heeft wraak genomen op de wezens die hem in het leven riepen. De Draak heeft Sint Joris verslagen.
Een probleem kwelt hem nog: hoe krijgt hij die vervloekte mensentaal uit zijn kop ?