Gods terugkeer

Je jaagt als journalist je leven lang achter de primeur aan waar die hele klotewereld van zal opkijken. Deze week had ik, na veertig jaar gesappel, eindelijk beet. De terugkeer van God, de Heer der Heerscharen, dat is toch geen klein bier, zeg nu zelf. En dan te bedenken dat ik daar, bij de Nieuwe Muziekhandel, niet eens voor mijn krant - het ‘Dwaallicht van het Noorden’ - was, maar particulier.

Ik was, net als die andere duizenden Rolling Stones-fans, druk met m'n ellebogen in de weer toen ik Hem plotseling zag. Vraag niet hoe ik Hem herkende. Het is een kwestie van intuïtie, iets waar wij, verslaggevers, nu eenmaal een neus voor hebben. Hij zag er enerzijds uit als een ouwe hippie, anderzijds straalde Hij nog zoiets als authentieke bevlogenheid uit, een attitude die bij de hippies van het eerste uur allang in hasjiesjrook is opgegaan. Ik scheen de enige te zijn die Hem herkende. ‘De eersten zullen de laatsten zijn’, riep hij, in een poging de aandacht te trekken. Niettemin, zijn uitstraling was dusdanig dat een deel van de mensen zich tot een ordelijke rij formeerde, precies dat deel dat even later voor een gesloten kassa zou komen te staan.
Hun woede richtte zich nu op Hem. Men begon Hem bont en blauw te slaan. Zijn incasseringsvermogen bleek echter bovenmenselijk. Uiteindelijk zakte hij toch door de knieën en raakte bewusteloos. 'Voorzichtig jongens’, riep ik tegen het ambulancepersoneel, 'jullie hebben er geen idee van wat een kostbare vracht jullie vervoeren…’
Een uurtje later was ik er getuige van hoe Hij, in het VU-ziekenhuis, uit Zijn coma ontwaakte. Er was van Zijn uitstraling weinig meer over: van naam noch herkomst wist Hij zich iets te herinneren. Daar ging m'n primeur, godverdomme! De mensheid is dus zijn God kwijt, een onderwerp dat ik nauwelijks durf aan te roeren, in de wetenschap dat het mij m'n baantje zou kosten. Gisteren zag ik Hem terug. Hij stond voor de Hema de Daklozenkrant te verkopen.