De opkomst van de thought leader

Goed betaalde praatjesmakers

Hij reist de wereld rond en verschijnt in elk tv-programma: de thought leader. Hij is niet analytisch maar bijna evangelisch. Wars van mitsen en maren. De super-intellectueel. Luister naar mij en het komt goed.

Medium groene denk leider  krullen in hoofd

‘Herinner je je die scène uit Paolo Sorrentino’s film La grande bellezza waarin een mysterieuze man de sleutels blijkt te hebben van allerlei Romeinse paleizen en daar ’s avonds vrij rondloopt tussen de onaangedane Italiaanse prinsessen? Je denkt dat het filmische overdrijving is, maar nee, in het echte leven gaat het er precies zo aan toe.’

Aldus de hoofdpersoon uit Maxim Februari’s nieuwe roman Klont. Hij gaat verder: ‘Ik liep in die jaren met de sleutel op zak van de Metropolitan Opera, ik had toegang tot drie buitenhuizen, waarvan twee in eigendom van de familie Amoretti, groot geworden door de verkoop van maaltijdsoepen en nu intensief begaan met de intellectuele cultuur van het Avondland.’

Deze hoofdpersoon heet Alexei Krups. Hij is ‘lid van de intelligentsia, een nette meneer in een donkerblauw Fioravanti-pak die het belangrijk vond om grote lijnen aan te wijzen, en dan het liefst in de geschiedenis’. Krups is de intellectueel zoals je die kunt tegenkomen op Nexus-conferenties hier in Nederland, op boekenfestivals in Hay of Jaipur, of op het TED Talks-kanaal op YouTube. Zo een die aanstellingen heeft aan verschillende universiteiten op verschillende continenten. Fareed Zakaria, Niall Ferguson, Thomas Friedman, Sheryl Sandberg. Dat Krups kopieert en plagieert doet er even niet toe, het gaat erom dat hij over de hele wereld reist om hetzelfde heldere betoog te houden, in zijn geval dat de wereld die we elke dag meemaken bedreigd wordt door wat hij ‘de klont’ noemt, de schier onoverzichtelijke grote bal digitale informatie die de maatschappij voorgoed zou kunnen ontmantelen. Hij wint er prijzen mee, de elite omarmt hem.

‘Je moet weten wanneer de vruchten rijp zijn, zeggen de filosofen. Niet iedereen is dat talent gegeven, maar toch denk ik echt dat ik de vruchten op hun hoogtepunt wist te genieten. Toen ik wijn dronk met Eric Béaumard in de kelder van het George V zat ik aan tafel naast Francis Fukuyama. Ik kon hem aanraken, ik heb hem aangeraakt, ik heb zelfs verwonderd tegen hem gefluisterd dát ik hem aanraakte. Een half jaar later was die hele Francis Fukuyama vergeten en was ik het die aangeraakt moest worden.’

Dat Krups liegt en bedriegt is een gegeven in de roman. In werkelijkheid zullen de denkers van deze gewichtsklasse dat niet in die mate doen, wat niet wegneemt dat ze hun status en hun vliegschema ontlenen aan het feit dat ze voorzien in een schier oneindige behoefte, namelijk die van de denker die alles met een helder verhaal weet uit te leggen. Luister naar mij en het komt goed. Waarschijnlijk had Maxim Februari zijn roman net te vroeg af om de term erin te kunnen verwerken die sinds deze zomer wordt gebruikt voor de allesverklarende, in elk tv-programma opduikende, over de hele wereld reizende super-intellectueel: de thought leader.

De beste aanvliegroute om bij de thought leader uit te komen is via Antonio Gramsci (een van de voordelen van de #metoo-discussie is dat het in de opiniekaternen even niet meer over het wel of niet bestaan van cultuurmarxisme gaat, en dus kun je het over de erbarmelijke Gramsci hebben zonder in complottheorieën gezogen te worden). In november 1926 belandde Gramsci, krap 35 jaar oud, in de gevangenis. Kort daarvoor was er een aanslag op Mussolini gepleegd, die door de fascisten werd aangegrepen om noodmaatregelen te treffen en om talloze kritische denkers op te sluiten. Gramsci, de leider van de Partito Comunista d’Italia, was daar één van. ‘We moeten zijn brein twintig jaar verbieden te functioneren’, riep zijn aanklager. Dat lukte niet. In de gevangenis schreef hij door en stelde zijn ‘theorie der intellectuelen’ samen.

Elk mens, schreef Gramsci, is een intellectueel, maar niet elk mens heeft in de maatschappij de functie van intellectueel. Zoals hij het beschreef ontstonden intellectuele stromingen in het kielzog van opkomende sociale groepen die politieke en economische macht kregen. ‘De kapitalistische entrepreneur creëert de industriële techneut, de specialist in politieke economie, de organisator van de nieuwe cultuur, van een juridisch systeem et cetera.’ Deze specialisten (lees: intellectuelen) legden niet alleen een logische basis voor het handelen van de nieuwe dominante sociale groep, maar trokken ook een verbinding naar de oudere sociale groepen, waardoor ze het idee wekten dat de nieuwe orde een vanzelfsprekend gevolg was van wat er altijd al was geweest. Zo verzorgden ze de publieke culturele hegemonie van een heersende klasse. Vanuit Gramsci was er zeker een verwijt aan het adres van de intellectuelen, maar niet per se een beschuldiging: het was een organisch proces, een soort biologische wet, waarbij intellectuelen aansluiting zochten bij de tijdgeest.

‘We moeten zijn brein twintig jaar verbieden te functioneren’, riep Gramsci’s aanklager. Dat lukte niet

Gramsci’s brein hield het geen twintig jaar uit, overigens. Na elf jaar in de gevangenis was zijn lichaam uitgeput. Hij stierf op zijn 46ste.

Het is aanlokkelijk om Gramsci’s theorie naar het nu te trekken. Het is ook riskant. Voorop: context is alles. Gramsci schreef dit in tijden waarin het fascisme niet alleen ideologisch oprukte, maar ook de macht had om andersdenkenden in de cel te smijten en de sleutel kwijt te raken. Zulke macht zorgt ervoor dat mensen vanzelf anders gaan denken, zichzelf dwingen in hun hoofd politieke beslissingen goed te praten. Gramsci doorbrak zijn abstractie met concrete voorbeelden van Italiaanse politici die geconfronteerd met het fascisme hun koers wijzigden.

Dat neemt niet weg dat deze ‘functionele intellectuelen’ (dus het tegenovergestelde van vrijdenkende intellectuelen) een verschijnsel van een andere tijd zijn. Nu zijn ze er ook, kun je zeggen, alleen zoeken ze hun functie niet met het mes op de keel, maar met de hand op de knip. Gedreven door financiële kortingen op universiteiten en op opiniebijlagen, gestoord door teruglopende aandachtspannes van hun publiek, onder druk van toenemende polarisering in het publieke discours en geconfronteerd met afbrokkelende autoriteit van (kennis)instituties, is er de laatste jaren een nieuw soort intellectueel ontstaan, schrijft de Amerikaanse politicoloog Daniel W. Drezner in The Ideas Industry: How Pessimists, Partisans, and Plutocrats are Transforming the Marketplace of Ideas. Namelijk: de thought leader. De thought leader staat haaks op de publieke intellectueel, zoals Drezner het uitlegt. Publieke intellectuelen als Noam Chomsky of Martha Nussbaum zijn sceptisch en analytisch; thought leaders als Thomas Friedman en Sheryl Sandberg zijn optimistisch op het evangelische af. Publieke intellectuelen zijn van de mitsen en maren en de tegenstrijdige nuances; thought leaders verkopen ideeën die in slogans zijn uit te leggen en die de wereld direct moeten kunnen veranderen. Publieke intellectuelen schrijven lange stukken (met weinig plaatjes) in The New York Review of Books; thought leaders geven TED Talks.

Je ziet dit, simpel gezegd, terug aan boektitels. Friedmans bekendste boek heet bijvoorbeeld The World Is Flat en gaat over hoe globalisering de wereld heeft gelijkgetrokken; Sandbergs bekendste heet Lean In, een imperatief, over hoe vrouwen op de werkvloer naar voren moeten stappen om hun ruimte op te eisen.

De term ‘thought leader’ is niet nieuw, maar wat Drezner origineel maakt, is dat hij de thought leader niet veroordeelt als een oppervlakkige variant van de publieke intellectueel, maar hem ziet als een gekke symbiose van de verlangens van zowel de elite als de intellectuelen om verantwoordelijkheid te dragen voor het publieke debat.

Ex-president Barack Obama laat zien hoe dit vanuit de intellectueel in zijn werk gaat. In zijn memoires The Audacity of Hope (2006), geschreven toen hij nog senator was, beschrijft hij hoe hij als opkomende politicus in Chicago steeds meer tijd ging doorbrengen in affluent gezelschap – partners bij advocatenkantoren, investeringsbankiers, hedgefundmanagers en durfkapitalisten. Bijna allemaal slimme, interessante mensen, schrijft hij, progressief in hun sociale opvattingen, bekend met het nieuws en met publiek beleid. Maar dit waren ook de mensen die achteloos tweeduizend dollar neerlegden om een veelbelovende politicus te horen spreken. Kortom, ze behoorden tot een klasse met bepaalde wereldbeelden. Ze geloofden in de vrije markt, ze hadden geen geduld voor vakbonden of protectionisme, konden weinig begrip opbrengen voor mensen die hun baan kwijtraakten door globaliserende krachten en gingen ervan uit dat een goed cijfer op je middelbareschooldiploma elke ongelijkheid kon oplossen.

Als gevolg, schrijft Obama, merkte hij dat hij bepaalde onderwerpen maar liet schieten, niet moeilijk wilde doen over bepaalde kleine beleidsvoorstellen. ‘As a consequence of my fund-raising I became more like the wealthy donors I met, in the very particular sense that I spent more and more of my time above the fray, outside the world of immediate hunger, disappointment, fear, irrationality, and frequent hardship of the other 99 percent of the population – that is, the people that I’d entered public life to serve.’

Het is denken omzetten in een manier van praten, een manier van debatteren, een manier van schrijven

Wat Obama beschrijft is een gramsciaanse manoeuvre, impliciet en onvrijwillig, waarin een intellectueel zonder dat iemand het direct aan hem vraagt zich toch verplicht voelt een bepaalde koers te varen om aansluiting te vinden bij de economische en publieke elite.

Vanuit die elite is er een andere werking, die weer door andere belangen een bepaald soort statisch denken afdwingt. Drezner geeft de case study van Clayton Christensen, hoogleraar aan Harvard Business School. Christensen is de man die eind jaren negentig de term ‘disruptive innovation’ bedacht, in zijn studie The Innovator’s Dilemma: When New Technologies Cause Great Firms to Fail (1997). Christensen stelde dat jonge ‘ontregelende’ bedrijven die door middel van nieuwe technologieën het speelveld radicaal omkeren een enorme voorsprong hebben op bedrijven die er al jaren actief op zijn. Uber is recent het perfecte voorbeeld. Dat heeft met zijn nieuwe, door technologie gedreven businessmodel een unieke concurrentiepositie op de bestaande taximarkt. Voor de opkomende techbedrijven in Silicon Valley was Christensens boodschap een schot in de roos, of tenminste een boodschap die precies aansloot bij de stemming onder de IT-jongens, want hij ‘conformed to a plutocratic worldview in which success favors the bold, risk-taking entrepeneur.’

Deze connectie tussen academicus en miljardenindustrie stelde Christensen in staat zijn ideeën tot een brand om te bouwen, een merk, op een manier waarop topatleten en entertainers dat ook zijn. Wie Christensen zei, zei disruptieve innovatie. Maar de omarming door Silicon Valley zorgde er ook voor dat Christensen geen kant op kon. De tech-elite financierde zijn lezingen, zijn Forum for Growth and Innovation aan Harvard, zijn eigen consultancypraktijk en een boutique investment firm. Aanvankelijk was Christensen een leider, iemand wiens ideeën voor de troepen uit leken te lopen. Maar gaandeweg werd hij een volger, iemand die zijn ideeën eindeloos bleef herhalen en precies zei wat corporate sponsoren wilden horen.

Uiteindelijk ging het mis. The New Yorker toonde aan dat zijn data schimmig waren en dat de bedrijven die hij ooit had aangewezen als de slachtoffers van technologische innovatie juist floreerden en de bedrijven die hij als vernieuwers had omarmd in sommige gevallen al failliet waren gegaan. Het is niet zo dat Christensens oorspronkelijke idee onjuist was, schrijft Drezner, maar doordat hij zich genoodzaakt zag het door de jaren heen zo vaak zo groot op te blazen, werd het onhoudbaar. Op Christensens Wikipedia-lemma is overigens niets van deze kritiek te vinden. Brands moeten hun reputatie immers goed in de gaten houden.

En er zijn ook genoeg kwaadwillende voorbeelden te bedenken van de zakenelite die de wereld van de denker binnendringt. Op Amerikaanse universiteiten worden de raden van bestuur steeds meer bezet door bankiers, onroerendgoedhandelaars en hedgefundmanagers, en worden lang staande protocollen tegen door industrie gefinancierde onderzoeken van tafel geveegd. Dit leidt weer tot een academisch klimaat waarin veel onderzoek gedaan wordt dat kennis oplevert die direct toepasbaar is in de markt. Denktanks worden steeds meer uitgesproken politiek. In een artikel in The New Republic verwoordde criticus David Sessions het als: ‘Modern plutocrats no longer use their fortunes to secure a legacy of contributing to public needs. Instead they weaponize their wealth.’ De intellectueel, op zoek naar een functionele rol, bewust en onbewust, gaat zo de denkbeelden en politieke opvattingen van de elite verwoorden.

Je kunt je afvragen hoe de term ‘thought leaders’ het best vertaald kan worden. Als ‘gedachteleiders’, ‘denkleiders’? Het klinkt beide lelijk. Sowieso is het de vraag hoezeer de schets van Daniel Drezner op Nederland van toepassing is. Nederland heeft niet zo veel plutocraten, de vermenging tussen het bedrijfsleven en de wetenschap zal hier minder intens zijn, voorlopig.

Maar de thought leader is vooral een stijlvorm van de intellectuele praktijk. Het is denken omzetten in een manier van praten, een manier van debatteren, een manier van schrijven. Het is: ‘Vijf redenen waarom deze wetgeving niet werkt’, of: ‘Dit is wat we moeten doen om zus en zo te voorkomen’. En die stijl kom je ook in Nederland tegen, zeker online.

De vraag is hoe onaantastbaar de denkleider is. In The Ideas Industry geeft Drezner de casus van Clayton Christensen als voorbeeld van de zelfregulerende kracht van de ideeënwereld: als bubbels te veel opgepompt worden, spatten ze uiteen. In een stuk deze maand op de site van The Washington Post kwam hij daar weer enigszins op terug. Hij gaf het voorbeeld van de sociaal-psychologe Amy Cuddy, die de term ‘power pose’ lanceerde: uit onderzoek zou blijken dat mensen die op een bepaalde manier staan of zitten – voeten op het bureau, rug recht – meer zelfvertrouwen krijgen, en zelfs fysiologische verschijnselen vertonen. Ze zouden meer testosteron aanmaken (dat geassocieerd wordt met zelfvertrouwen) en minder cortisol (dat geassocieerd wordt met angst). Het probleem, helaas, bleek dat er van het onderzoek niets klopte. Het was onreproduceerbaar.

Volgens de regels van de zelfregulering zou Cuddy’s bubbel moeten barsten, maar het tegendeel gebeurde, merkte Drezner. Haar TED Talk op YouTube werd steeds beter bekeken, Cuddy kreeg steeds meer verzoeken voor mediaoptredens. De backlash tegen haar onderzoek gaf haar wind in de rug. Waarom?

Om dezelfde reden als die waarom politici als Donald Trump in de VS onkwetsbaar lijken als ze betrapt worden op leugens. De ene partij schreeuwt moord en brand, waardoor de andere partij de leugenaar omarmt. De vijanden van mijn vijanden zijn mijn vrienden, dat principe. De intellectueel is zo een speelbal tussen twee polen die van de ene pool naar de andere gekaatst kan worden, zonder op de grond te vallen. Dat laatste is het grootste onderscheid tussen de oorspronkelijke publieke intellectueel en de opgeblazen thought leader. De echte intellectueel verliest het contact met de grond onder zijn voeten niet.