Goed boek, joost!

DE VOLKSKRANT verrichtte op vrijdag 29 augustus de aftrap. Met een even doelbewust als laaghartig schot knalde de bal recht in het gezicht van Joost Zwagerman. Het bloed spatte alle kanten uit. Diezelfde middag nog was het de beurt aan Het Parool en NRC Handelsblad om de aangeschotene, rollend over de grond van de pijn, links en rechts bijna dood te trappen.

Een week daarna verschenen er in Algemeen Dagblad foto’s van de partijtjes bij de opening van het literaire seizoen. Een triomfantelijk stralende Hella Haasse en Helga Ruebsamen die hun gezamenlijke Indische verleden vierden ten overstaan van de bij voorbaat juichende pers. Op een andere foto de breeduit stralende Fleur Bourgonje, naast haar trotse uitgever Emile Brugman. Ook een tevreden tuinfeestgrijns op de gezichten van Mai Spijkers en Tim Krabbé. En er was een foto van Joost Zwagerman, gemaakt bij de presentatie van zijn boek, aan het eind van de vrijdag waarop hij in elkaar getrapt was. Hij zat op het aanrecht van het Arbeidersperskeukentje. Het boek verbeten in de hand. Een strak gezicht. Je kon zien: Joost hield zich groot.
TOEN HET BLOED eenmaal geroken was, toonden de mediamensjes hun ware aard: die van hyena’s. Men liet de kudde doorrennen en concentreerde zich op het strompelende jong dat zich onbeschermd en angstig alleen nog maar verder in de nesten kon werken. De twee toverkollen Ruebsamen en Groenteman hadden de bijlen al geslepen en onder de stoel klaarliggen toen het nauwelijks herstelde hertejong Zwagerman op de televisie, naïef natuurlijk, nog krampachtig probeerde om een sympathieke indruk te maken. Eerst deden ze net alsof ze gewoon lieve tantes waren met geïnteresseerde vragen en mocht Joost beleefd opmerken dat hij het boek van Ruebsamen weliswaar niet uit had kunnen lezen, maar dat hij het zeer waardeerde. Je zag de kollen gniffelen, maar Joost zag het niet. Joost ontspande zich een beetje en toonde zijn kwetsbare rug. Toen gebeurde het. Hak! Hak! Hak!
Voor de hautain geboren Jaap Goedegebuure in HP/De Tijd was het toen alleen nog maar een kwestie van nagels uittrekken. Het eindakkoord was aan Michaël Zeeman, die de bulldozer startte om de lichaamsresten de destructor in te duwen.
IK HEB Chaos en rumoer twee keer gelezen. De eerste keer als drukproef, nog voor er een letter over geschreven was. Ik vond het typisch zo'n Zwagerman-boek dat je in één ruk uitleest, geen wonder van diepgang, wel vlot, handig van compositie, beetje bloedeloos, leuker naar het einde toe, waar alle lijntjes hilarisch samenkomen. Echt een boek voor het grote publiek, dat dol is op het gedoe rondom de grote literaire prijzen, maar beslist een stuk oprechter dan De buitenvrouw, waarmee Joost Zwagerman definitief doorbrak bij het leesvolk in de provincie. Af en toe noopten de vele bijna-verwijzingen naar het Nederlandse literaire wereldje tot een glimlach. Heerlijk voor bij het in slaap vallen.
De tweede keer dat ik Chaos en rumoer las, had de openbare terechtstelling door de immer ijverige mediawerknemers net plaatsgevonden. Nu pas openbaarde het boek zich werkelijk aan me. Chaos en rumoer bleek zo profetisch te zijn dat het er gewoon macaber van werd. Alles was namelijk al in dit boek beschreven: het literaire bedrijf als vraatzuchtig monster dat in grote haast en met ongekende onverschilligheid boeken naar binnen schrokt, uitbraakt wat niet te verteren valt, en eigenlijk altijd honger houdt. Nu pas zag ik dat Chaos en rumoer helemaal niet de lichtvoetige satire is die het zo geniepig voordoet te zijn. Het is veel beklemmender dan dat.
Chaos en rumoer is een gevaarlijk boek. Daarom moest het met man en macht onschadelijk worden gemaakt. Door te zeggen dat Joost Zwagerman nog steeds op zoek is naar zijn onderwerp. Dat je er niet om kon lachen. Dat het niet genoeg over hemzelf gaat. Dat het traag is. Dat het niet ver genoeg gaat. Argumenten waarbij de gemiddelde mediaconsument denkt: daar zit wel wat in, dat klinkt bekend in de oren, laat ik voor de verjaardag van tante Mien maar niet het boek van Joost Zwagerman kopen, maar dat van Helga Ruebsamen, want dat gaat tenminste over haar eigen jeugd en heimwee naar vroeger en zo, heerlijk.
DE HOOFDPERSOON van Chaos en rumoer is iemand die er totaal niet toe doet. Een schrijver namelijk die te weinig boeken verkoopt. Een suf, narcistisch persoon bovendien. Hij is de koers kwijt. Zelfs zijn vrouw Karin neemt hem niet serieus, wat al gelijk blijkt uit haar laconieke reactie op zijn writer’s block waarvan hijzelf ook niet weet hoe het zomaar ontstaan kon zijn. En ach, wie neemt nu eigenlijk wel wat serieus? Zelfs de schrijver, opzettelijk lullig Otto Vallei genoemd, neemt zijn schrijverscarrière niet serieus. Hij stopt er maar mee, met schrijven. Alleen voor de vorm probeert zijn uitgever hem daarvan af te houden. Maar die uitgever is helemaal niet geïnteresseerd in literatuur, alleen in telefoontechnologie en het geluid van zijn eigen stem. Dan krijgt Otto Vallei een baantje aangeboden bij de radio. En ach, dat doet hij dan maar.
Er hangt een niet te harden sfeer van economische overdaad, lamlendigheid en volstrekte doelloosheid in het boek, en als gaandeweg blijkt dat alle personages ook nog eens niet meer zijn dan personages in weer een ander boek en op hun beurt weer verdubbelingen van elkaar worden, of uitsplitsingen, of vormgrappen, zo grijs, zo statisch, zo zonder enige inzet, dan moet het de lezer toch wel duidelijk worden dat er hier iets meer aan de hand is dan een poging tot satire. Hier wordt de wereld uitgedrukt na de ondergang van de wereld. Een totaal gefictionaliseerde wereld. Niets is meer echt. Niets doet ertoe. Zielloos zet men de ooit ingestudeerde, culturele bewegingen voort. Er worden boeken geschreven, toneelstukken, er komen tentoonstellingen, er worden films gemaakt. Er verschijnen eindeloos veel artikelen waarin alles nog eens nagekauwd wordt. En ook daarover verschijnen weer artikelen. Ook wordt een en ander elders nog eens samengevat. Meters en meters bedrukt faxpapier golven bij Otto Vallei naar binnen als hij radiojournalist is geworden. Meninkje zus, meninkje zo. En interviews met schrijvers. Hun wordt gevraagd wat hun boek met henzelf te maken heeft en of hun jeugd er ook in voorkomt. Omdat de cultuurmachine dat zo dicteert.
DE CULTUURMACHINE is de werkelijke hoofdpersoon van het boek. Bijvoorbeeld in de schets van de redactievergadering van het radioprogramma Chaos en rumoer, waarin grote stapels folders worden binnengedragen: de najaarsprospectussen van de uitgeverijen. Er wordt over gasten gesproken, waarbij de essentiële vraag is: ‘Bekt-ie wel goed?’ Ook persoonlijke akkefietjes spelen een grote rol bij het maken van de keuzen. Alles wordt gezegd in een doodse, mechanische sfeer. In ijltempo blijken de redacteuren drukproeven te hebben doorgelezen, zijn ze naar theatervoorstellingen geweest of hebben ze iets bij repetities opgesnoven, draaien een mening in elkaar en weten er nietszeggende programmacombi’s van te bakken. Een groepstentoonstelling van jonge seropositieve Haïtiaanse kustenaars, een nieuw boek van een reisschrijver, een kersverse toneelvoorstelling - er is zo een 'verhaal’ van gemaakt met een 'achterliggende filosofie’: ’“Het boeiende is dat Ithaka die tekst heeft omgewerkt tot een confronterende voorstelling over de culturele en sociale verschillen tussen Europa en Zuid-Amerika”, legde Willemijn nu uit. “Dat zou misschien kunnen aansluiten bij Gardenier èn bij de Haïti-tentoonstelling.”’
Hanneke Groenteman. Michaël Zeeman. Arjan Peters. Hans Goedkoop. Robert Anker - ze moeten feilloos hebben aangevoeld dat zij die invullende figuren zijn waar Chaos en rumoer over gaat. Ze voelden zich aangesproken zoals op hun beurt de redacteuren in het radioprogramma Chaos en rumoer zich ieder voor zich aangesproken voelden toen de sleutelroman Het hart aan de rand van de stad van succesauteur Ed Waterland verscheen. Het is dan zaak niet de handschoen op te pakken en als man (of als vrouw) de strijd aan te gaan, maar achterbaks de toon van de in principe toch neutrale literatuurpaus aan te heffen. In het boek Chaos en rumoer, maar ook in het grote of kleine spel dat wij de werkelijkheid noemen gaat dat precies zo.
Dus murmelt Michaël Zeeman nog net dat hij zich niet aangesproken voelt als een van de onontkoombare cultuurverpakkers wanneer het in Chaos en rumoer gaat over de 'oedeemkobold’ die op de tv een half uur met 'twee probleemdrinkende academici uit Amsterdam-Zuid over een baksteen uit de Balkan’ zit te praten. Uiteraard wordt helemaal niet op tafel gelegd dat er al tien jaar een vete bestaat tussen Zwagerman en Zeeman, die begon ten tijde van een nogal warrige oorlog tussen maximalen en hermetische dichters, in haat ontaardde toen het ging over een gevalletje van sexual harassment van een wederzijdse vrouwelijke kennis, inmiddels ook auteur. Nee, dan wordt er duur gedaan. Dan zegt Michaël Zeeman: 'Stilistisch is het slap. Dat is duidelijk.’ Ja hoor.
HANNEKE Groenteman op haar beurt doet net alsof het boek helemaal niet gaat over de zo zwaar mee- en invoelende radiotantes. Zijzelf was jarenlang de presentatrice van het radioprogramma Ophef en vertier waarnaar Chaos en rumoer gemodelleerd werd en zet dezelfde los-praterige formule voort in haar tv-programma Plantage. Als het in Chaos en rumoer gaat over mensen die wel of niet 'iets hebben’ met een bepaalde auteur, dan gaat het precies over die machtige figuren binnen de cultuurmachine als Hanneke Groenteman. Maar daar dus geen woord over uit de mond van Hanneke Groenteman zelf als ze de nietsvermoedende Joost Zwagerman te gast heeft. Ze pakt hem waar hij zich niet verdedigen kan - dat hij nooit zijn kop heeft kaalgeschoren en onder een brug heeft geslapen, bijvoorbeeld. Of ze noemt hem postmodern. Dat is eigenlijk altijd wel afdoende. En die arme Joost, in zijn zenuwen maakte hij het er alleen nog maar erger op, door in het programma van Hanneke Groenteman het woord 'eclectisch’ te laten vallen. Hanneke Groenteman: 'Eclectisch? Dat soort woorden zeggen mij niks, hoor.’ Een typisch populistische opmerking waarmee ze het studiopubliek makkelijk op de hand kreeg. Joost Zwagerman probeerde tot het einde toe de confrontatie te ontwijken en glimlachte schuldbewust. Wat je zag was angst. Geen prettig gezicht. Je zag dat Joost Zwagerman Otto Vallei was geworden.
TOEN WAREN de grootste klappen al uitgedeeld. Bijvoorbeeld door criticus Arjan Peters, die steevast te vinden is tussen de 'vaasjes’ drinkende en over zichzelf orerende 'zuipschrijvers’ in dat café aan het Spui, die scherp worden beschreven in Chaos en rumoer. Wie met Arjan Peters de vaasjes meedrinken, dat valt precies in de Volkskrant terug te lezen: het zijn de schrijvers met de mooie recensies. Je zou wensen dat het niet zo plat lag. Maar zo ligt het nu eenmaal. Zwagerman stuurde Otto Vallei regelrecht naar het einde van een literaire carrière: 'Otto had het na twee afmattende avonden voor gezien gehouden; voor hem geen status als zuipschrijver. Een béétje jammer had hij dat wel gevonden. Want die cafés mochten er dan uitzien als miserabele spelonken, er werd wèl druk gelobbyd en genetwerkt.’
Dat alles zal Arjan Peters niet leuk gevonden hebben. In zijn wekelijkse boekenstukje voor de kunstpagina van de Volkskrant vertelde hij voor straf een keer of vijf na elkaar dat het boek van Zwagerman te traag is. Hij kan het zelf korter vertellen, zegt hij. Nu is dat natuurlijk een argument van niks - wat wordt er nu helemaal verteld in dat boek Genesis? God schept de wereld en daarna gaat het mis. Zie je wel, kan veel korter! Het kan namelijk altijd korter. Bovendien, het betreffende hoofdstuk is bij Zwagerman maar vier bladzijden lang, dus zo stoer is dat nu ook weer niet om dat in één alinea na te vertellen. Maar er is iets veel ergers aan de hand: Zwagerman weet in zijn hoofdstuk de tergende traagte, de passiviteit, de irritante lulligheid, de onzekerheid, de zelfhaat, maar ook de diep gewortelde onhandigheid van Otto Vallei navoelbaar te maken. Iets wat uit de oubollig-ironische, gevaarloos gemaakte samenvatting van Arjan Peters verdwenen is.
Er staan schitterende zinnen in het gewraakte hoofdstuk. Zinnen die de lamlendigheid en de absurditeit van dat moment uitdrukken, een moment waarin de voortgang in willekeur uit elkaar dreigt te vallen, iets waarvan trouwens in het hele boek sprake is. Voor de goede verstaander: 'De lokettiste kauwde plotseling op iets. Ze keek even onder haar stoel. Otto vermoedde daar een hond.’ In een andere alinea geeft Joost Zwagerman aan hoe de verinnerlijkte truttigheid van Otto Vallei uitloopt in dwangneurotische angst als het gaat over hoe een badge wel of niet op het T-shirt vast te prikken. De lollige samenvatter Arjan Peters saneert dat allemaal gehaast weg. Hij leest het boek als een aanval op het literaire circus en stelt dat er geen slachtoffers vallen. Alsof het daar om zou gaan.
Ik sla een willekeurige pagina op in Chaos en rumoer en lees iets over de aarzelende, amorfe, al te herkenbare Otto Vallei, dat gelijk alles over Arjan Peters zegt: 'Was het een titel als een nekslag? Hij wist het zo gauw niet. Hij kon er maar moeilijk aan wennen dat je in een werkkring op afroep overal een mening over diende te hebben. Achteraf ontdekte hij steeds meer voordelen van het schrijverschap. Een ervan was dat je je kon ontdoen van meningen alsof je een ongewenste hand van je schouder af sloeg. Een schrijver had smaak en inzicht - maar meningen, nee.’
Arjan Peters drijft zelf een handeltje in meningen en hij weet niet anders of een roman, dat is een mening. Hij is, precies als de afgestorven personages in Chaos en rumoer, dol op even handzame als lege uitdrukkingen: 'bondig formuleren’, 'dwingende problematiek’. Maar hij heeft nooit ingezien dat het in literatuur wel eens zou kunnen gaan om het uitdrukken van verschillende dingen door elkaar bijvoorbeeld, traag ook wel eens, geen mening maar eerder een weergave van een stemming of het uittekenen van een psyche, of de onhandige bewustwording van het absurde van alles. Of om dingen die misschien nog wel onbestemder zijn. Zoals een lokettiste die plotseling begint te kauwen en dan onder haar stoel kijkt. En Otto Vallei die zich afvraagt of daar een hond ligt. Je ziet ze ineens voor je en weet niet goed wat daar nu weer van te denken. Kortom: Goed boek, Joost! Laat ze allemaal maar in de stront zakken.