Goed en fout in ruanda

Als zich in Afrika conflicten voordoen, overspoelen de grote media het publiek met oppervlakkige en sensationele berichten en ruimen ze pas plaats in voor een serieuze analyse als het kwaad is geschied. Zo kregen ze pas door dat Somalie geen decor voor westerse zelfopoffering was toen operatie Restore Hope al lang en breed was gestrand. De westerse en Zuidafrikaanse wapenleveranties aan de Unita-rebellen in Angola zullen pas aan de kaak worden gesteld nadat de burgeroorlog aldaar is uitgewoed. Zal de ware toedracht in Ruanda ook pas worden belicht als het land volledig is doodgebloed?

Als media al over de vereiste middelen beschikken voor een goed verslag uit Afrika, dan gebruiken ze die nauwelijks. Zwarte Afrikanen komen maar zelden aan het woord. Waarom neemt bijvoorbeeld geen tv-zender de moeite om Ruandezen te vragen naar hun mening over de gebeurtenissen? Drommen verslaggevers wachten op naburige vliegvelden de aankomst van gevluchte westerlingen af en duwen elke blanke een microfoon onder de neus. En dat terwijl in de vluchtelingenkampen in Tanzania, Burundi en Uganda driehonderdduizend Ruandese vluchtelingen opeengepakt zitten. De meeste dagbladen komen niet verder dan wat afgehakte-hoofdenverhalen omdat hun correspondenten emotioneel niet tegen de omstandigheden zijn opgewassen.
Al te vaak laten verslaggevers hysterici aan het woord, die al evenmin zinnig commentaar leveren. Time opent met een missionaris wiens verbeelding als een ruiter van de Apocalyps op hol is geslagen: ‘Er zijn in de hel geen duivels meer over. Die zitten allemaal in Ruanda.’ Der Spiegel brengt een reportage uit het vluchtelingenkamp Benako, net over de Tanzaniaanse grens. Het blad laat een Tutsi-vluchteling aan het woord die kennelijk totaal gevoelloos is, want hij 'spreekt als een voetbalfan die vertelt over de nederlaag van zijn elftal’. De verslaggever beschrijft hoe veel vluchtelingen bij het overschrijden van de Tanzaniaanse grens hun kapmes hebben moeten afgeven. Het komt niet bij hem op dat zij die misschien bij zich droegen als bescherming. Ze zijn Hutu en dus heeft hij zijn conclusie al klaar: het zijn moordenaars 'die voor de wraak van de Tutsi zijn gevlucht’.
Het kan ook anders. Het dagblad Liberation laat vanuit datzelfde kamp een Hutu en een Tutsi aan het woord die elkaar al kenden van voor de staatsgreep van 6 april, omdat ze beiden deel uitmaakten van de democratische oppositie. Democratische oppositie, in dat godvergeten land vol duivels? Jazeker. Ruanda is een land waar vooruitstrevende Hutu, Tutsi en Twa jarenlang samen bouwden aan een multi-etnische staat. En ze hadden hun doel bijna bereikt. De Hutu-president Juvenal Habyarimana, in 1973 dank zij een militaire staatsgreep aan de macht gekomen, was dit jaar eindelijk onder de binnenlandse en internationale druk bezweken en had toegestemd in een machtsdeling tussen de Hutu-meerderheid en de Tutsi-minderheid. Hij keerde op 6 april per vliegtuig terug uit Tanzania, waar hij een conferentie had bijgewoond die een einde moest maken aan de conflicten in zijn land, toen zijn toestel werd neergehaald door zijn eigen presidentiele garde.
Deze garde is uitsluitend samengesteld uit Hutu, die veel te verliezen hebben bij een machtsdeling en een toekomstige democratisering. Dank zij wapenleveranties en militaire instructeurs uit Frankrijk en Zuid-Afrika zijn deze extremistische Hutu uitstekend uitgerust en getraind. Onmiddellijk na de aanslag nam een groep Hutu-militairen de macht over en verklaarde dat de moord op de president het werk was van het Ruandees Patriottisch Front (RPF), dat grotendeels uit Tutsi bestaat en sinds 1990 heeft getracht om Habyarimana te verdrijven. Het was doorgestoken kaart. Binnen een kwartier na de dood van de president zwermden groepen Hutu-jongeren uit over de straten van de hoofdstad. Ze behoorden tot milities die door de militairen waren getraind en gingen te werk op grond van dodenlijsten. Een van hun eerste slachtoffers was de Ruandese premier, mevrouw Agathe Uwilingyimana, zelf een Hutu en een belangrijke steunpilaar van de democratisering.
Hoezeer de confrontaties nadien ook uit de hand zijn gelopen en leden van alle stammen zich schuldig hebben gemaakt aan wreedheden, de kern van het probleem is de elite van Hutu-militairen die de macht niet wil afstaan en alle middelen - inclusief etnische haat - inzet om zich te handhaven. In de woorden van de Ugandese president Yoweri Museveni: 'Sommige lidstaten van de internationale gemeenschap beseffen niet dat de Ruandese regering genocide gebruikt om de oppositie op te ruimen.’ Nu het vermoedelijke dodental als gevolg van de militaire confrontaties en de politieke en etnische afrekeningen tot tweehonderdduizend is gestegen, kan de buitenwereld niet langer werkeloos toezien. Ook Museveni roept op tot internationale interventie, maar benadrukt dat men niet dezelfde fout moet maken als in Somalie: 'Het is een groot gebrek van de internationale inspanningen dat ze niet gebaseerd zijn op rechtvaardigheid. Men vraagt zich niet af wie in dit geval goed is en wie fout. De problemen worden alleen maar toegedekt als rotte eieren onder een deken, en zolang de stank er maar niet doorheen dringt is het probleem opgelost.’