Goed mikken

Onlangs werd mij kwalijk genomen dat ik het had over Jappen, als ik over mijn ouders in Indië en de Tweede Wereldoorlog sprak.

Dat zou discriminerend zijn.

Thuis hoorde ik niet anders dan over ‘de Jappen’ spreken. Het was ‘de Japse sergeant,’ ‘de Japse Keizer’. Een enkele keer had mijn vader het wel over een ‘Nipponner’. Of een ‘Nipponees’. Of dat discriminerend is, weet ik niet eens, maar het was depreciërend bedoeld.

De man met wie ik discussieerde en wiens ouders ook in Japanse krijgsgevangenschap had gezeten, zei dat hij er ‘overheen’ was en daarom niet meer sprak over Jappen, maar over Japanners.

Ik zei tegen hem dat ik er niet overheen was, omdat ik niet wist waar ik me overheen moest zetten, dat ik, als ik dat had ontdekt, wat me onwaarschijnlijk leek, me er ook niet overheen wilde zetten en dat ik tot dan heel keurig ‘Jappen’ bleef zeggen als het ging over mijn ouders en de Tweede Wereldoorlog. Het waren jappenkampen, geen Japanse kampen of interneringskampen.

De man, wiens ouders in ‘Japanse interneringskampen’ waren opgevangen, en ik, wiens ouders door de Jappen waren gemarteld, kwamen niet tot een vergelijk. In een staartje van de discussie hoorde ik nog iets over racisme, rechts, PVV, et cetera, maar om niet al te veel terug te treiteren zei ik dat ik dat ‘interessant’ vond klinken, en dat ik me in die groeperingen toch eens wat meer ging verdiepen.

Hoe weet je nou van jezelf of je aan iets een onbewuste hekel hebt of niet?

Scheldwoorden zijn sneeuwballen. Je gooit ze, ze spatten uit elkaar en als ze goed zijn gemikt kunnen ze pijn doen. Het zijn de laatste wapens als je verder ontwapend bent.

Generaliseer ik? Kom ik een Japanner in mijn werk tegen, dan zal ik in mijn woordgebruik niet discriminerend zijn, ook niet als ik zoiets zou bespreken met mijn familieleden. Tenzij hij of zij mij wil knevelen.

En als het nou een geleerd essay is?

Dan hangt het ervan af. Ik zou het omzeilen. Wie conflictvermijdend is, is vaak braaf. Als ik zou beginnen met een persoonlijke invalshoek zou ik ‘jappenkampen’ gebruiken, verder niet. Het ligt trouwens ingewikkeld, want de ‘Japse soldaten’ waar mijn vader mee te maken had waren Koreaanse huurlingen, waarvoor de gegijzelden geen scheldwoord hadden, althans die noemden ze ook ‘de Jap’. (Het vreemde is trouwens dat mijn vader zich wel ergerde aan discriminatie binnen het kamp, maar dan aan de Engelse soldaten die Japanners en Chinezen over één kam schoren en overduidelijk een minachting hadden voor de ‘Eurasians’ (de Indo’s, zoals mijn vader).

Ik vraag me weleens af of ik ‘onbewust’ een hekel heb aan Japanners. Daar ben ik tenslotte mee geïmpregneerd. Je hoort tegenwoordig vaak dat mensen ‘onbewuste vooroordelen’ hebben. Ik heb geen idee of ik die bezit. Hoe weet je nou van jezelf of je aan iets een onbewuste hekel hebt of niet? Vermoedelijk stik ik van de vooroordelen. Soms weet ik niet waarom ik iemand zomaar antipathiek vind. Ik zie daar geen patroon in. Maar hebben we de beleefdheid niet uitgevonden om onverklaarbare antipathie geen rol te laten spelen? Daarin lijk ik op mijn hond die soms zomaar tegen een andere hond blaft. Ik zou graag eens naar Japan reizen. Aan Engelsen heb ik ook geen hekel. Integendeel. Ik zou best Engels willen zijn. Of Frans. Of Italiaans (heel graag zelfs). Wat betreft volkeren met een kleurtje ben ik wel bevooroordeeld. Ik heb een behoorlijk percentage verse Chinese en Indiase genen. Maar in mijn genen-portemonnee zitten wel meer vreemde munten.

Ik zou weer geen Ghanees willen wezen. Om de eenvoudige reden dat ik niet weet wat ik me daarbij moet voorstellen. Een Japanner zou ik ook niet willen zijn. Het eten en drinken in hun Japanse all-inclusiveverblijf vonden mijn ouders behoorlijk tegenvallen.