GONÇALO M. TAVARES, JERUZALEM

Goed scheef

Gonçalo M. Tavares, Jeruzalem, Vertaald door Harrie Lemmens, € 18,95

Gonçalo Tavares (Luanda, Angola, 1970), werd op z'n tweede door zijn ouders mee teruggenomen naar Portugal. De roman Jeruzalem (2005) is een van de vele boeken die hij publiceerde sinds zijn debuut (2001) en de eerste titel die van hem vertaald is. Die misleidende titel slaat volgens de uitgever op het onderzoek van de hoofdpersoon, zenuwarts Theodor Busbeck, naar de concentratiekampen.

Het zou een fundamentele ontdekking zijn wanneer de verschrikking een zekere historische stabiliteit zou bezitten. Als Theodor Busbeck die geschiedenis met behulp van grafieken in kaart kan brengen volgt daaruit misschien een objectieve formule met voorspellende waarde. Theodor wilde de geestelijke gezondheid van de geschiedenis achterhalen. Als de verhouding tussen goed en kwaad, ziek en gezond stabiel is, zijn de vooruitzichten voor de mensheid niet best; dan valt zelfs te voorzien welke volkeren het doelwit van massamoord zullen worden en welke zelf slachtingen zullen aanrichten. Want zoals elk individu kan ook een volk terreurontvanger of dader worden. Zijn studie versterkt zijn wetenschappelijk voorgevoel ‘dat zowel de collectieve geschiedenis als de kleine geschiedenis van een mens zich in de richting van een evenwicht tussen lijden en doen lijden bewoog’. Het resultaat is een boek in vijf dikke delen.

Dokter Busbeck denkt wat af, het is hem dodelijke ernst, zelfs als hij beweert dat de gezonde mens God wil vinden en dat iemand die God niet zoekt gek is. Het is zelfs geen ironie wanneer op dezelfde pagina van hem gezegd wordt dat hij bang was voor 'zijn buitengewone en vaak geprezen vermogen om gekken te begrijpen. Dat vermogen om binnen te dringen in vreemde hoofden…’ Zo wil hij ook het gekke deel van de geschiedenis begrijpen.

Ik had nog vrede gehad met die lichtelijk obscene theorie wanneer zulke gedachten deel hadden uitgemaakt van het portret van de man. Als die studie een hobby is, dan loopt hij danig uit de hand. Een sleutelzin lijkt dat de ombuiging van zijn onderzoek - van individuele waanzin naar de waanzin van het kwaad in de geschiedenis - plaatsvond onder invloed van zijn familie. Hij had het verkorven door te trouwen met een patiënte van twintig, de mooie schizofrene Mylia - je mag aannemen ook uit studieuze overwegingen: hij de vleesgeworden gezondheid, ; zij de labiliteit in persoon.

Het verhaal begint met Mylia, in zichzelf pratend over soorten pijn, ’s nachts op zoek naar een kerk. Als zij vanuit een cel Ernst opbelt, een voormalige medepatiënt in het gesticht met wie ze publiekelijk seks gehad heeft en daaraan een ongelukkig kind heeft overgehouden, staat de man net op het punt uit het raam te springen. In diezelfde nacht wordt het ongelukkige zoontje, dat dokter Theodor opvoedt, ergens in de buurt door een andere man gewurgd, een al even geschifte figuur. De vraag is dan of je bij zo veel persoonlijke rampspoed nog van kleine en collectieve geschiedenis respectievelijk waanzin kúnt spreken.

Tussen de dokter en de patiënte wilde het al van meet af aan niet boteren; niet duidelijk is of Theodor er voor zijn theorie wijzer van werd. Hij liet haar opnemen in een dure privé-kliniek, waar het ongelukje tussen Mylia en de medepatiënt Ernst plaatsvond, waarop hij zich prompt liet scheiden. Dan was er de confrontatie van arts Theodor en de directeur van het gesticht, in alles zijn tegenvoeter. Dokter Gompertz belichaamde de daadkracht tegenover de denker Theodor - dat wordt bekvechten. Als de denker van zijn stuk raakt door het bericht over de zwangerschap van zijn vrouw in de inrichting ziet de daadmens met genoegen dat zelfs de briljantste koppen worden beïnvloed door hun milieu.
Elk personage heeft een aandeel in de kettingreactie van dodelijke vergissingen in die nacht van 29 mei. Dan zou ik ook moeten vertellen waarom dokter Busbeck midden in de nacht zo hoognodig naar de hoeren moest na het zien van een foto van een vrouw met bloedneus en warrige vagina. Dat ene hoertje kan er ook niets aan doen zo min als het mannetje dat zij onderhoudt en zonodig iemand moet wurgen - het slachtoffer is dan toevallig het bij de dokter wonende zoontje van zijn ex-vrouw Mylia en haar medepatiënt.

Was het allemaal maar niet zo verschrikkelijk serieus gebracht. Zelfs zulke idiote elementen hadden, mits goed geroerd, een hilarisch ratjetoetje kunnen opleveren. Ik vermoed dat de scheefgroei in de roman begonnen is met het besluit van de schrijver de krankzinnigheid niet van binnenuit te beschrijven, maar met een klinische blik. Net zoals de man in zijn theorie over het lijden van de mensheid de hoogste objectiviteit nastreeft, naar hij zegt, heeft Tavares zijn stijl geabstraheerd, maar ook zijn personages laat hij zo denken en praten. Met als gevolg malle zinnen. Over Mylia: 'Mylia had pas een maand tevoren het Georg Rosenberghospitium verlaten voor een tweede poging in de buitenwereld, en haar blik was nog iets wat als het ware met de hand vervoerd werd, een blik zonder kracht, zonder snelheid.’

Vreemd, alles wat Lemmens in zijn nawoord over Tavares vertelt klinkt sympathiek, maar de roman lijkt me één grote vergissing: het verhaal wordt zo verteld dat alles er telkens net naast zit en dan zit het goed scheef.