Goed verhaal

Het regent zoals het alleen in oktober kan regenen: dun, nagenoeg onzichtbaar, geen druppels maar een nevel en je wordt er langzaam maar heel zeker drijfnat van.

Er miezeren geluiden mijn huis binnen, mensengeluiden. Boze geluiden. Er staat vast weer iemand verbolgen te telefoneren met een ander verbolgen iemand. Mensen doen dat graag op straat, waar iedereen ze kan horen, en dan praten ze graag heel hard, zodat iedereen ook nog weet wat ze precies zeggen en hoe verbolgen ze wel niet zijn.

Een lang gesprek. En het klinkt steeds grimmiger. Alsof iemand echt kwaad is.

Na tien minuten kan ik er niet meer omheen denken en kijk ik naar buiten. Er staat geen beller te bellen. Op rechts zie ik een gestalte. Ik doe de deur open en zie ze staan: een groepje jonge mannen, twee in jacquet en tegenover hen een stuk of zeven in broek en overhemd. Op een rijtje staan ze, met gebogen hoofd. Hun schoenen zijn goed gepoetst – allemaal hebben ze zwarte schoenen – en ze kijken naar de neuzen ervan.

Deemoedige blik. Geslagen honden. Betrapte kleuters. Schuldig zijn ze, aan iets.

De zeven worden toegesproken door de twee andere jongens, want dat zijn het, jongens. Ze worden toegeblaft. De mantel uitgeveegd. Ze krijgen zogezegd op hun donder, hun lazer en hun kop.

Het zijn feuten. En de twee manteluitvegers zijn ouderejaars. Zo gaat dat bij het corps. Ze wonen hier vlakbij en volvoeren hun rituelen graag op straat. Dat hoort erbij. Het corps is gegrondvest op tradities, rituelen en spel. Het grote afzeikspel, bijvoorbeeld, dit, hier.

Ze staan drie meter van mijn deur vandaan. Normaal doen ze het verderop, op de brug over de Singel, maar misschien was die bezet door een andere groep feuten plus ouderejaars-afzeikers.

Alleen de pratende mannen hebben een paraplu. De luisterende jongens worden nat. Ook hun gepoetste schoenen. Die hebben ze moeten laten glimmen zo hard ze konden, anders kregen ze daar ook weer straf voor. Overal krijg je straf voor als je nog niet zo goed weet hoe het moet en je jezelf overlevert aan andere mensen, van wie je denkt dat ze wél weten hoe het moet.

Het gaat over grote dingen, hier.

Ze worden verder uitgescholden.

‘En hoe komt dat allemaal? Het komt doordat jullie geen goed verhaal hebben!’ blaft de afzeiker.

‘Jullie hebben gewoon geen goed verhaal! Jullie zijn niks. Waardeloos.’

Er hangen plotseling twee mensen uit het raam. Nou ja, over de vensterbank hangen ze, en ze schudden hun hoofd. Op driehoog aan de overkant.

‘Kunnen jullie niet ergens anders gaan staan?’

De straffende jongen aarzelt. Alsof hij even niet weet wat hij precies aan het doen is. Wat was het ook al weer? O ja, ik sta hier een ritueel te voltrekken, waarbij ik de baas speel en hij de ondergeschikte is. Waarbij ik het voor het zeggen heb en hij alleen maar mag luisteren. Dat is goed voor hem. Voor later. Daar wordt hij een man van. Een goed gebekte man. Die niet over zich laat lopen.

Het gaat gewoon verder.

‘Want als je geen goed verhaal hebt, dan heb je niks. En dan ben je niks. En dan word je ook nooit iets.’

‘Hé! Ga effe verderop staan, hé!’ Dat zegt de man, een boze man.

‘Ja! Ga effe verderop staan. Hé!’ Dat zegt zijn vrouw, zijn boze vrouw.

Ze roepen het met een Brabants accent. Dat vind ik een lelijk accent, bijna net zo lelijk als Utrechts of Amsterdams.

De feuten blijven hun schoenen bestuderen, en de tweede ouderejaars neemt het nu over.

‘Jullie weten best dat jullie waardeloos zijn. Je moet een goed verhaal hebben, dat hebben we jullie al honderd keer uitgelegd.’

‘Hé! Hé klootzak!’

‘Klootzak!’

‘Hé! Als jullie nu niet maken dat je wegkomt, dan ben ik de politie!’ zegt de man in het raam.

‘Ja, precies, de politie!’ zegt de vrouw.

Precies. De politie bellen, dat is het laatste wat je doet in normale omstandigheden, dat wil zeggen als het geen moord of doodslag is waarvoor echt werkelijk agenten nodig zijn die de boel beschermen. De politie bellen voor jongens die een spel doen, dat doe je alleen maar als je ook de politie belt wanneer iemand zijn vuilniszakken een halve meter te ver naar links zet.

Maar de Brabanders gaan de politie bellen. Waarom stoot dat accent van die mensen mij zo af? Waarom stoten die mensen mij zo af, nu, hier? Doen ze niet gewoon hun eigen burgerplicht? Volvoeren ze niet hun eigen ritueel, hier, nu?

Ik vind het een lelijk ritueel, geloof ik.

Deze mensen representeren de voortdurend toeschietende dorpsgeest, de geest die wil dat alles in orde is, dat alles op een rijtje staat, op het juiste tijdstip op het juiste rijtje. Niet te vroeg. Niet te laat. En niet voor mijn deur. En een rijtje jongens die een spel doen, dat is niet het rijtje dat ze bedoelen.

Ik herinner me dat deze zelfde mensen mij ongeveer op mijn hoofd spuugden, een keer, vanaf driehoog, vroeg op een ochtend, omdat ik een paar stoelen op de stoep zette die als grofvuil zouden worden opgehaald. Dat had ik namelijk afgesproken. Daar betaal je belasting voor (smiley). De vrouw liep donkerrood aan terwijl ze me toeriep (‘buurman!’) dat ik die troep maar voor mijn eigen deur moest neerzetten.

Vond ik geen goed verhaal. En je moet een goed verhaal hebben. Als je op het goede moment het goede verhaal weet te vertellen, ben je niet afhankelijk van onvoorspelbare omstandigheden, dan heb je de boel in eigen hand.

Wees paraat. Heb je verhaal klaar.