Goede bedoelingen

Een kunstenaar is bemoeizuchtig.

Destijds heette het dat hij zijn ‘engagement’ moest tonen. Hij moest zich uitspreken over alles wat er in de samenleving gebeurde.

Dat deed hij ook, alleen is er in de loop van de tijd iets in dat engagement veranderd.

Een kunstwerk bestaat tegenwoordig vaak alleen maar uit een hoeveelheid goede bedoelingen. Anders gezegd: de goede bedoeling is het belangrijkste.

Laatst was ik bij een toneelstuk dat weer uitlegde dat het kapitalisme de schuld was van alles, en die boodschap was zo nadrukkelijk dat het spel daaronder leed. Ik raakte niet overtuigd.

Ik heb dat vaak wanneer louter goede bedoelingen als kunstwerken worden gepresenteerd.

Het kan een persoonlijk iets zijn, maar ik kan er slecht tegen, omdat de Goede Boodschap niet de consequentie is van een reeks dramatische handelingen, maar doel en uitgangspunt. Voor mij hoeft kunst niet grensverleggend te zijn, maar als de kunstenaar wil laten zien dat hij een nobel mens is, dan wil ik eigenlijk al niets met zijn kunstwerk te maken hebben. Dan wordt het kunstwerk een aaneenschakeling van strijdliederen. De goede bedoeling als esthetische norm is tamelijk vervelend; het is vaak preken voor eigen parochie en mondt meestal uit in een vorm van kitsch omdat wij dienen te applaudisseren voor de weldenkendheid die het artistieke onvermogen moet maskeren.

Cabaretiers hebben er regelmatig last van.

Natuurlijk, je hebt een kapstok nodig om je witzen aan op te hangen, maar de leukste grappen zijn toch de slechtste grappen. De grappen waarom je eigenlijk niet moet lachen omdat ze tamelijk ‘ver’ gaan, omdat ze je denken een andere kant op sturen.

Waarom wil Dieudonné door een groep van ­weldenkenden gehaat ­worden?

Laatst hadden we het over Dieudonné, die Franse cabaretier die antisemitische grappen maakt en daarvoor ook gearresteerd is, wat mij trouwens tegen de borst stuit. Maar ik wil hem zien. Ik haat antisemitisme, maar ik wil begrijpen wat hem drijft. Ik ben bang dat zijn Goede Bedoelingen in feite niets anders zijn dan de andere kant van de Goede Bedoelingen van onze cabaretiers. Ik kan me namelijk niet voorstellen dat een weldenkende cabaretier antisemiet is. Het zal wel, maar ik wil dat ontdekken. Doorgronden. Misschien maakt het mij iets duidelijk over antisemitisme of racisme.

Waarom wil hij door een groep van weldenkenden – waaronder ik mezelf schaar – gehaat worden?

Maar ja – waarom wilde Céline dat? Waarom vond Reve het noodzakelijk te flirten met racistische uitspraken?

Ik vind het een vorm van intellectualisme om dat uit te zoeken. En dat is de reden dat ik voor een totale vrijheid van meningsuiting ben.

Die vrijheid moet ook het meest abjecte over het voetlicht kunnen brengen. Als het niet bevalt, zal het door gebrek aan belangstelling vanzelf sterven.

Ik hoor uit Frankrijk dat Dieudonné geen volle zalen trekt. Er mag dan over zijn grappen gegniffeld worden, maar populariteit op grond van zijn kunde bereikt hij niet. Wat hij doet, is natuurlijk ook een vorm van engagement. Slechte bedoelingen zijn ook bedoelingen.

Maar het blijft noodzakelijk om ervan op de hoogte te blijven. Ook om het te kunnen bestrijden. Niet door iemand die louter tekst gebruikt in het gevang te zetten, maar om er iets beters tegenover te stellen of je af te vragen waarom hij succes heeft, of waarom hij eerder aan de andere kant stond.

Hetzelfde geldt voor de schrijver Houellebecq.

Waarom is dat laatste boek goed of niet goed? Hoe verhoudt zich dat met zijn stijl? Vrijheid van meningsuiting is onnodig in rustige tijden en in gemeenschappen waarvan de leden elkaar met rust laten. Maar als er strijd dreigt, als de woorden misbruikt worden of hun definities verliezen, dan heb je die vrijheid van meningsuiting nodig. Wanneer alles verandert, veranderen namelijk ook de begrippen en daar moet dan steeds weer over worden nagedacht.