Het Uruzgan-debat

Goede bedoelingen, stinkende wonden?

De Nederlandse militaire missie in de Afghaanse provincie Uruzgan is een kwestie van geloven. Geloven dat er eens iets moois uit zal voortvloeien. Ongelovigen kunnen redeneren wat ze willen, gelovigen luisteren niet.

d66-fractievoorzitter Alexander Pechtold had twee weken geleden niet op een pijnlijkere manier gelijk kunnen krijgen. Op dezelfde dag dat hij minister-president Jan Peter Balkenende ervan beschuldigde een eenzijdig pr-praatje af te steken over de resultaten van de Nederlandse militaire missie in Uruzgan, overleed in deze Afghaanse provincie de twintigjarige soldaat Tim Hoogland. Hij werd doodgeschoten door de Taliban. Hoogland was daarmee het zesde slachtoffer van vijandig vuur. Pechtold had zich tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen geërgerd aan de manier waarop Balkenende praat over de missie in Uruzgan. Hij schoot naar de interruptiemicrofoon, omdat de minister-president zich het liefst over ‘onze mannen en vrouwen’ uitlaat in bewoordingen als: ‘Ik ben bijzonder trots op wat ze doen, op de boodschap van hoop die zij daar uitdragen.’

Pechtold vond dat de minister-president ook moest melden dat er duizenden mensen omkomen, onder wie Nederlanders, dat Nederlandse militairen voor het eerst sinds Korea in de jaren vijftig van de vorige eeuw man-tot-man-gevechten voeren, dat de Taliban weer oprukken, dat ze scholen afbranden kort nadat deze zijn opgebouwd en dat ze de hoofdonderwijzer ophangen aan de boom naast die afgebrande school.

Het debatje tussen de minister-president en Pechtold tekent de manier waarop over de militaire missie in Uruzgan wordt gedebatteerd. De discussie daarover laait weer op, omdat het ernaar uitziet dat het kabinet gaat beslissen de aanwezigheid van Nederlandse militairen in Uruzgan te verlengen tot ergens na augustus 2008. Een debat over dit onderwerp lijkt nog het meest op een gesprek tussen gelovigen en ongelovigen over het bestaan van God: zij zullen nooit tot elkaar komen.

Kritische kanttekeningen bij een verlenging van de missie in de huidige vorm komen van mensen uit zeer verschillende hoek. Zo vroeg minister van Staat en oud-minister van Buitenlandse Zaken, de cda’er Peter Kooijmans, zich onlangs in een interview in de Volkskrant af of je in één en hetzelfde gebied zowel een oorlogsoperatie als een vredesoperatie kunt uitvoeren. Volgens hem komt dat schizofreen over bij de bevolking. ‘Ik geloof niet in de droom van een door ons opgelegde democratie’, aldus Kooijmans.

De Britse ex-diplomaat en Afghanistan-kenner Rory Stewart constateerde kortgeleden in NRC Handelsblad dat ‘het allerergste is dat de buitenlandse aanwezigheid tot grootscheepse Taliban-rebellie heeft geleid’. En Hans Achterhuis haalde, eveneens in NRC Handelsblad, de lessen over geweld aan van de filosofe Hannah Arendt en vroeg zich via haar af of een abstract doel op de lange termijn geweld op de korte termijn rechtvaardigt en of uit geweld wel macht van het volk, oftewel een democratie, kan groeien.

Dit soort argumenten wordt ook gebruikt in de Tweede Kamer. SP-leider Jan Marijnissen verbaasde zich bij de Algemene Beschouwingen over de maakbaarheidsparadox: ‘Partijen en politici die als het over binnenlandse politieke vraagstukken gaat de maakbaarheid van de samenleving bestrijden, denken dat we ver weg in het buitenland ingewikkelde en historisch beladen situaties wél naar onze hand kunnen zetten.’ d66’er Pechtold hield het kabinet voor dat geweld leidt tot het misverstand bij de Afghanen dat wij de bezetter zijn. GroenLinks-fractievoorzitter Femke Halsema vroeg zich af hoe je democratische macht voor een bevolking kunt willen, als je tegelijkertijd vecht met die bevolking.

Toen Marijnissen over de missie in Afghanistan sprak als een mission impossible, kreeg hij van Balkenende als antwoord: ‘Als meerdere landen zeggen dat hun aanwezigheid in Afghanistan een mission impossible is, heeft dat als consequentie dat de missie stopt.’ Dat lijkt inderdaad de consequentie die aan een constatering dat iets onmogelijk is, verbonden zou moeten zijn. Maar niet voor Balkenende. Hij voegde eraan toe: ‘Waar is Afghanistan dan aan toe? (…) Ik ben trots op onze militairen die daar met alle risico’s veiligheid brengen, hoe moeilijk dat ook is. Maar wat gebeurt er als wij de mensen daar aan hun lot overlaten?’

Daarmee speelde Balkenende op het gemoed. Hij probeerde Marijnissen weg te zetten als iemand die de Nederlandse militairen veroordeelt en die de arme Afghanen niet wil helpen. De minister-president verdedigde zijn eigen opstelling met de verwijzing naar zijn goede bedoelingen: de Afghanen helpen. Durf daar maar eens tegen te zijn, tegen goede bedoelingen.

Maar het zijn niet de eersten de besten die er recent op hebben gewezen dat je militair ingrijpen niet slechts met een verwijzing naar goede bedoelingen mag verdedigen. vvd’er Joris Voorhoeve, minister van Defensie ten tijde van het Srebrenica-drama, zei onlangs in NRC Handelsblad dat ‘mededogen en verontwaardiging belangrijke maar niet voldoende voorwaarden zijn voor beleid’.

In Canada heeft de wetenschapper/politicus Michael Ignatieff toegegeven dat hij zich bij zijn steun voor de oorlog in Irak heeft laten leiden door zijn emoties. In zijn spijtbetuiging daarover schreef hij dat hij zich daardoor had laten afleiden van de moeilijke vraag: is het reëel wat wij in Irak willen bereiken?

Nederlandse politici moeten binnenkort beslissen hoe reëel het is wat Nederland met een langer militair verblijf in Uruzgan wil bereiken. En hoe lang dat verblijf dit keer dan zou moeten duren. Hier doemt een nieuw probleem op in de discussie tussen de gelovigen en de ongelovigen.

Bij het debat, begin 2006, over de huidige missie naar Uruzgan is nadrukkelijk de termijn van twee jaar genoemd. Toenmalig minister van Defensie, de vvd’er Henk Kamp, wees er onlangs in zijn eigen weblog nog eens op dat ‘het einde (van een missie – red.) alleen aan het begin goed geregeld kan worden’. Ook haalde Kamp in een recent interview de woorden aan die minister-president Balkenende had gebruikt tijdens het kamerdebat over de uitzending: ‘Over twee jaar zal de Nederlandse inzet worden overgenomen door andere Navo-landen.’

Het expliciet vastleggen van de termijn van twee jaar was mede bedoeld om in de Kamer een zo groot mogelijke meerderheid over de streep te trekken. Onlangs zei Balkenende echter dat dat ‘geen garantie was dat wij hoe dan ook zouden stoppen’. Wat zegt een toezegging van de minister-president over een termijn dan eigenlijk? Moet hij dit keer als hij wederom zou beloven dat een missie voor twee jaar is nog geloofd worden? Wat is dan wel een garantie dat de militaire missie ooit zal stoppen?

Balkenende vraagt degenen die kritisch staan tegenover de militaire missie wat er met de Afghanen gebeurt als Nederland ze aan hun lot overlaat. Dat is echter de verkeerde vraag aan de verkeerden gesteld. Hij is degene die samen met het kabinet een vraag moet beantwoorden: op welke termijn wil het kabinet welk doel bereiken in Afghanistan, hoe realistisch is dat gezien de huidige omstandigheden in dat land en de historie van dat land en hoe verhoudt zich dat doel tot het geweld dat ervoor wordt gebruikt dan wel dat het tot gevolg heeft.

Tim Hoogland was het recentste Nederlandse slachtoffer in Uruzgan. Hij had gekozen voor een militaire loopbaan, inclusief de gevaren die daarbij komen kijken. Maar het is de politiek die besloot tot de missie in Uruzgan. ‘Onze mannen en vrouwen’ hebben niets aan een politiek van goede bedoelingen. Die kan stinkende wonden maken.

De politiek moet net als Hoogland dapper durven te zijn als de situatie daarom vraagt en dan de moed hebben om te zeggen: wat wij wilden bereiken, lukt niet. Ook al is de achterliggende boodschap voor het thuisfront daarmee: jullie geliefden zijn voor niets gestorven. Dat is niet iets om trots op te zijn, maar beter dan trots zijn op nog meer gesneuvelde militairen, en gesneuvelde Afghaanse burgers.