Opheffer

Goede eigenschappen

Ik kijk in de spiegel, wat voor een schrijver altijd een gevaarlijke zin is om mee te beginnen. Ik zie mijn vader, wat niet wonderlijk is, maar ook mijn moeder. Even later komt – uit meligheid – mijn dochter naast me staan. «Lijk ik op jou?» vraagt ze. Ik weet het niet. Ik zie mijn moeder. Als mijn dochter spreekt, hoor ik mijn moeder ook.

Ik heb net mijn dochter een stukje uit een brief voorgelezen die mijn vader mij ooit stuurde.

«Sommige zaken zijn te simpel. Zo kun je een reeks goede eigenschappen noemen: nederigheid, solidariteit, rechtvaardigheid, behoedzaamheid et cetera. Daarna kun je zeggen dat het een mens zou sieren als hij daaraan voldeed. Als hij nederig was, solidair, rechtvaardig, behoedzaam et cetera. Vervolgens kun je ernaar streven dat een mens zo wordt, middels voorbeelden, verhalen, analogieën, noem maar op. Je kunt zelfs een politieke partij oprichten waarin mensen met dezelfde prachtige eigenschappen zich verenigen. Die gedragingen zijn dan toetssteen van je politieke handelen.

Het gaat echter fout als je al die prachtige eigenschappen via de politiek wil afdwingen. Je kunt niet per decreet solidariteit eisen en er straf op zetten als je niet solidair bent. En dat wil het communisme. En daarom ben ik het met het communisme niet eens. Zeker niet met dat communisme van jou. Je verwijten kan ik daarom ook niet serieus nemen.»

«Wat heb je opa verweten?» wil mijn dochter weten. Ik weet het niet meer precies.

«Ik vond opa een rechtse zak. Een materialist. Met een verkeerd antwoord op de Tweede Wereldoorlog. Ik verweet hem dat hij een goedkope ideologie had. De oorlog in Vietnam speelde in die tijd een rol.»

«Je lijkt op opa… ik lijk op jou», stelde mijn dochter toen vast. Dat was de reden dat ik in de spiegel ging kijken.

De «reeks van goede eigenschappen» doolt door mijn hoofd. Ik lees in de krant dat een functionaris van Nuon een extra bonus krijgt van acht ton terwijl zijn bedrijf verlies lijdt en er mensen moeten worden ontslagen. Is dat onethisch? Wellicht, maar volgens wie? Zou ik een ethiek hierover willen afdwingen en door middel van een wet of een verordening willen stellen: dit mag niet, mijnheer van Nuon, want dit hoort niet? Moet die Nuon-directeur solidair zijn met zijn werknemers? Waarom zou dat moeten als hij het zelf niet wil zijn? Stel dat de hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer zegt dat hij mij acht keer meer geld wil betalen dan zijn duurste chef, zou ik dan zeggen: nee, dat wil ik niet, ik ben solidair met de redactie van De Groene? Dat hangt dan van mijn overige verdiensten af. Als ik zou moeten leven van De Groene zou ik er geen bezwaar tegen hebben om acht keer meer te krijgen. Ik zou dan niet solidair zijn met de redactie, denk ik. Ik heb een huis, hypotheek, ik wil eigenlijk ook wel boeken kopen en mijn dochter leuk laten studeren.

Maar ik zou ook zomaar wel solidair kunnen zijn, gewoon, uit eigener beweging. Ik kan me best voorstellen dat een schrijver voor De Groene afziet van een salaris omdat hij domweg wil meedoen met het blad.

Mag je – als ik die acht keer salaris ontvang – mij dat dan verwijten? Als je het mij niet mag verwijten, waarom zou je het dan wel die Nuon-functionaris kunnen verwijten? Ik kom daar niet goed uit.

Mijn dochter wel. Ze vindt die man van Nuon gewoon een zak. Dan is de vraag: mag je politiek gezien paal en perk stellen aan dit soort gedrag?

Mijn dochter knikt. Ik schud mijn hoofd.

«Ik geloof niet meer in solidariteit», zeg ik.

«Dat komt doordat jij niet van mensen houdt», zegt ze.

Dat klopt. Die «reeks van goede eigenschappen» bestaat feitelijk uit luchtbellen, maar op een of andere manier kan ik dat niet uitleggen.

Rechtvaardigheid, solidariteit, nederigheid, dienstbaarheid, vrijheid: het waren eigenschappen, aandoeningen, woorden waar mijn vader ook in geloofd had en met name was dat geloof hem in de oorlog afgenomen.

Mijn vader leed, net als ik nu, waarschijnlijk onder de paradoxaliteit van deze begrippen. Je hebt godverdomme een atoombom en oorlog nodig om democratie te krijgen, of om een andere oorlog te voorkomen. Je zult je vrij en onafhankelijk moeten gedragen om nog iets van solidariteit in een samenleving te krijgen. Je zult geweld moeten gebruiken, godver domme, om een geweldloze samenleving te behouden.

Het zijn zinnen die mijn dochter niet wil horen.

We kijken samen naar het nieuws rondom de dood van de paus. Zoals gebruikelijk ontwikkel ik een woede. We hebben hier te maken met een totalitair regime, een dictator, een man die zijn mond vol had over fatsoen maar wiens weinig solidaire onfatsoen als het gaat om de Derde Wereld domweg wordt ontkend. Was de paus maar gewoon «heilig», was hij maar het sprookje, kon ik zijn zinnen maar op een hoger niveau interpreteren, dan vond ik hem zelfs aardig, maar hij oefent invloed uit. En dat wilde hij ook. Was hij maar «slechts» katholiek, dan was er niets aan de hand en wilde ik hem wel eens ontmoeten.

Mijn dochter lacht om mijn geraaskal.

Dan kijken we naar het congres van D66, en weer word ik kwaad. Ik hoor gedraai, ik hoor «politiek», ik hoor slapte, venijn, af en toe iets wat me bevalt.

Die reeks van goede eigenschappen… Wie durft te zeggen dat hij ze heeft, dat hij ernaar leeft, dat hij ze van harte ondersteunt? Wie durft te beweren dat hij weet waar die eigenschappen precies uit bestaan?

Ik kijk in de spiegel.