Goede grammatica, geen literatuur

Volgens schrijftipgever Heidi Aalbrecht verstoren grammaticale fouten de ‘fictionele droom’ van de lezer. Maar volgens schrijftipontvanger Arie Storm heeft literatuur niet de taak de lezer in trance te brengen. Literatuur werkt juist als ze de wereld in kaart brengt zoals die is – inclusief kromme zinnen.

HEIDI AALBRECHT
SCHRIJFSTIJL: DE BASIS VAN EEN GOEDE TEKST
Augustus, 160 blz., € 15,-

PYTER WAGENAAR
VOOR DE VORM: TAALVRAAGBAAK VOOR SCHRIJVERS
Augustus, 272 blz., € 19,50

Dit stuk schrijf ik met trillende vingers. In elke zin kan een fout zitten, besef ik. Dat is normaal gesproken misschien niet zo erg, maar wel in dit stuk, want dat gaat over fouten. Grammaticale fouten, stilistische fouten, vaag taalgebruik. Ik merk dat ik korte zinnen schrijf. Dan is de kans minder groot dat ik een fout maak. Heidi Aalbrecht schreef een boek dat me behulpzaam kan zijn bij het vermijden van fouten: Schrijfstijl: De basis van een goede tekst. Ik vind het een aan te raden boek, maar ik word er ook bang van. Ze is streng, Heidi Aalbrecht: ‘(…) bij het schrijven liggen meer gevaren op de loer dan je wellicht denkt: kromme zinnen, botsende beeldspraak, een woordkeuze die plotseling uit de toon valt … Zijn letters, punten en komma’s nu vrienden of kwelgeesten?’ Dat soort opmerkingen maakt ze meteen al aan het begin. Probeer dan maar ontspannen te blijven. En ze doet ook direct twee dingen die ik niet zou doen: ze plaatst een spatie tussen het woord valt en die drie puntjes (andere namen voor die drie puntjes zijn: puntenreeks, beletselteken – dat soort kennis krijgen we ook van dit boek mee). Ik, en zo’n beetje alle literaire schrijvers en redacteuren met mij, plakken die drie puntjes vast aan de laatste letter van het eraan voorafgaande woord. Ik wil niet zeggen dat het fout is wat Aalbrecht doet; het is een kwestie van conventie. En het andere vreemde: Aalbrecht schrijft het woordje nu. ‘Zijn letters, punten en komma’s nu vrienden of kwelgeesten?’ Waarom? Ik vind dat nu te veel. Van mij mag dat weg. Over stijl valt te twisten, dat blijkt. Maar laat ik vooral eerst zeggen dat Aalbrechts taalboek wel leest als een roman; als een goede roman, een hilarische roman met gruwelijke trekjes. Dat komt doordat ze een bloedbad aanricht.
Aalbrecht geeft huiveringwekkende voorbeelden van fouten die zijn gemaakt door onbekende, maar ook door bekende schrijvers: Karin Amatmoekrin, Abdelkader Benali, Jessica Durlacher, Anna Enquist, Arnon Grunberg, Nelleke Noordervliet, Conny Palmen, Leon de Winter… Ze bakken er niets van. Ik ben blij dat ik er niet tussen sta. In de inleiding van haar horrorboek schrijft Aalbrecht dat missers niet worden getoond ‘om de schrijvers ervan aan de schandpaal te nagelen, maar om aankomende auteurs te behoeden voor dergelijke vergissingen, en ook om hun een hart onder de riem te steken: niemand is onfeilbaar’. Schandpaal nagelen, hart onder de riem steken; dat kan wel wat minder qua idiomatische uitdrukkingen. Maar goed. Zou dit echt haar motief zijn? Ik geloof haar graag, maar het bloedbad dat door haar wordt aangericht, is erg leuk om te lezen. Aalbrecht citeert bijvoorbeeld een van de onmogelijke zinnen van Benali en laat dat citaat volgen door de droge opmerking: ‘Wat is hier gebeurd?’ Nog leuker is het dat ze onverstoorbaar, als een schooljuf, enkele zinnen van Benali uit elkaar haalt en kalmpjes de enorme hoeveelheid fouten eruit vist. Het allerleukst is het dat ze zo’n meedogenloze exercitie als volgt afrondt: ‘Ontsporende zinnen hoeven overigens een literaire prijs niet in de weg te staan: met De langverwachte, waaruit het citaat afkomstig is, won Abdelkader Benali de Libris Literatuur Prijs 2003.’ De les die ze ons vervolgens voorhoudt, is raar. Je verwacht de definitieve afmaker, maar die komt niet. Dat Benali die prijs heeft gekregen, moet ons leren, zo stelt Aalbrecht opeens suffig, ‘dat je je niet te strak moet laten insnoeren in het keurslijf van de grammatica’. Ja, zo lust ik er nog wel een paar! Een andere conclusie ligt vanzelfsprekend meer voor de hand en zit ook dichter bij de waarheid: de jury was indertijd volkomen onbekwaam.
Waar Aalbrecht echt verstand van heeft zijn die taal- en stijlfouten. In prettig tempo laat ze die de revue passeren. Connie Palmen: ‘Ik liep te voet naar school.’ (Connie wordt trouwens door Aalbrecht in de literatuuropgave met een y gespeld, wat een fout is van Aalbrecht.) Karin Amatmoekrin: ‘(…) de vrouw door wiens lichaam ik de wereld in ben gekomen’. Dat moet natuurlijk ‘wier’ zijn. Minder duidelijk is het volgende geval: ‘Appels plukte ze die dag in een soort trance.’ Deze zin komt uit de roman Emoticon van Jessica Durlacher. Aalbrechts commentaar luidt: ‘Wat is “een soort trance”? In hoeverre verschilt die toestand van een echte trance? Zulke vragen halen de lezer uit zijn eigen trance – de betovering is verbroken. Om dat te voorkomen, moet je als auteur altijd de moeite nemen om de beste formulering te zoeken.’ Ik begrijp wat Aalbrecht bedoelt, maar er doemen meteen ook enkele vragen bij mij op. Zou het, zoals Aalbrecht impliciet suggereert, werkelijk zo zijn dat Durlacher niet genoeg haar best heeft gedaan? Of kan Durlacher gewoon niet beter? En over welke lezer heeft Aalbrecht het? Durlacher heeft, voorzover mij bekend, heel veel lezers. Die raken allemaal betoverd door haar proza; ze vinden het prachtig! Ze laten zich door niets uit hun trance brengen, en zeker niet door Durlacher, integendeel, zij lijkt mij bij uitstek een auteur die lezers met haar proza als het ware onder narcose weet te brengen en naar een andere, meer dromerige wereld weet te voeren. Misschien bedoelt Aalbrecht dat Durlacher geen literatuur schrijft. Maar dat schrijft ze niet. Bovendien belanden we dan in een erg ingewikkelde discussie (die we overigens inderdaad niet uit de weg hoeven te gaan).
Je kunt het boek van Aalbrecht ook omgekeerd benaderen. Ze biedt namelijk tevens voorbeelden aan van schrijvers die het wél goed doen. En dat zijn, helaas, over het algemeen geen overtuigende voorbeelden. Ik zie bijvoorbeeld niet wat er zo, en de volgende term is van Aalbrecht, spetterend is aan de openingsalinea van de roman De engelenmaker van Stefan Brijs. Die alinea begint als volgt: ‘Sommige inwoners van Wolfheim beweren nog altijd dat ze eerst het driestemmige gehuil van de baby’s op de achterbank hadden gehoord en pas later het motorgeluid van de taxi zelf die het dorp binnenreed. Toen de taxi voor de oude dokterswoning aan de Napoleonstrasse 1 halt hield, stopten de vrouwen prompt met het vegen van de stoepen…’ – nu ja, enzovoort. Ik vind die openingsalinea voornamelijk raar en, welja, eigenlijk infantiel. Je weet nu al dat je niet de namen en adressen gaat krijgen van die ‘sommige inwoners’ en ‘het motorgeluid van de taxi zelf’ is een onhandige formulering. Die hele alinea is eigenlijk waardeloos. Ook zoals die eindigt vind ik niet fraai: ‘Dat was op 13 oktober 1984. Een zaterdagmiddag. In de kerktoren luidde op dat ogenblik de klok driemaal.’ Vreemde zinnetjes die een eigenaardige spanning creëren, namelijk de spanning van een goedkope griezelroman. Aalbrecht schrijft dat de alinea als een nachtkaars was uitgegaan (ze heeft werkelijk een stevige voorkeur voor spreekwoordelijke uitdrukkingen!) wanneer de alinea als volgt zou eindigen: ‘Dat was op zaterdag 13 oktober 1984 om drie uur ’s middags.’ Ik zeg: dat was veel en veel beter geweest, veel volwassener, veel literairder. En zo is er meer aan te merken op de voorbeelden die Aalbrecht ons voorhoudt als navolgenswaardig. Zo vindt zij dat we allemaal Marcel Möring zouden moeten lezen, geloof ik. ‘Een beeld dat klopt en tegelijk origineel is, (…) wekt misschien wel jaloezie: zo simpel, zo treffend verwoord, zo goed gevonden!’ schrijft ze. En dan haalt ze aan hoe Möring het vallen van de avond beschrijft: ‘In de trein zag ik de kleur uit het land trekken.’ Ik heb lang naar deze zin gestaard. Ik vind hem niet goed. De kleur trekt niet in de trein uit het land maar buiten de trein; dat ‘zag’ is indirect en lelijk; en, en dat vind ik het belangrijkst, kleur trekt helemaal niet uit het land, het wordt donker – dat is een wezenlijk omgekeerd proces. Goed schrijven is moeilijk, nóg moeilijker dan Aalbrecht lijkt te beseffen.
Kleine fouten vind ik eerlijk gezegd helemaal niet zo erg. Ik probeer ze wel te vermijden. Naast het boek van Aalbrecht verscheen in dezelfde reeks Voor de vorm van Pyter Wagenaar. Dat is ook een handig boek, er wordt meer in stilgestaan bij het echte komma- en puntenwerk. Wagenaar schreef niet echt een leesboek, maar meer een opzoekboek; het bevindt zich inmiddels standaard in de buurt van mijn bureau (waar zich overigens ook nog wel andere taalboeken bevinden). Verder is er de redacteur die me – hopelijk – voor het een en ander behoedt. Ik houd me er kortom mee bezig, ik beschouw het als een onderdeel van mijn vak, maar ik laat de angst voor het maken van fouten mijn schrijfplezier niet vergallen. En schrijfplezier genereert leesplezier.
Aalbrecht staat stil, zoals we zagen, bij de betovering van de lezer. Volgens mij sluit de enigszins primitieve opvatting die hieruit spreekt aan bij wat Renate Dorrestein in haar schrijftipboek Het geheim van de schrijver in navolging van de Amerikaanse auteur en schrijfdocent John Gardner ‘de fictionele droom’ noemt. Dorrestein parafraseert Gardner: ‘We lezen een paar woorden, zegt Gardner, en ineens zitten we niet meer onder onze eigen schemerlamp, maar in een trein die door Rusland dendert, of in een Italiaans dorp waar iemand onhoorbaar huilt terwijl de regen op zijn dak klettert.’ En, zo vervolgt Dorrestein: ‘De lezer mag niet uit deze “fictionele droom” ontwaken doordat hij op dingen stuit die vragen bij hem oproepen. Binnen de logica van de fictionele droom moet de motor geruisloos lopen en mag er geen radertje haperen.’
Volgens mij geven Gardner en Dorrestein in het oude geschil van wat literatuur en wat lectuur is onbedoeld een perfecte omschrijving van wat – nota bene – lectuur is: die doet je wegdromen, die zorgt ervoor dat je wordt verplaatst naar een omgeving waar je nu niet bent, die doet je alles vergeten. Als ik lees, zit ik het liefst onder mijn eigen schemerlamp en tegelijkertijd in die trein die door Rusland dendert; ik verdwijn niet naar een Italiaans dorp waar iemand onhoorbaar huilt terwijl de regen op zijn dak klettert, maar ik lees er eventueel wel graag over.
Ik denk dat literatuur de fictionele droom geregeld doorbreekt, dat literatuur misschien überhaupt niet zo veel met dromen of met trance te maken heeft – met nachtmerries, hooguit. Literatuur heeft het vermogen onze kijk op de wereld te veranderen, heeft zelfs het vermogen de wereld te veranderen, maar dat gaat niet lukken als we tijdens het lezen vergeten op welke wereld we zijn. Shakespeare stapelde in zijn stukken terzijde op terzijde, liet zijn acteurs constant in dialoog treden met hun publiek, creëerde dromen terwijl hij liet zien dat het dromen waren, deed kortom niet noemenswaardig zijn best om de kijker (of de lezer) onder narcose te brengen, hij doorbrak voortdurend de fictionele droom – en Shakespeare is dan ook een van de schrijvers die onze wereld en ons beeld ervan hebben gevormd tot wat die nu zijn.
Ik merk dat mijn vingers nog steeds een beetje trillen, maar dat neemt al af. Ik heb genoten van het boek van Heidi Aalbrecht, maar op enkele wezenlijke punten ben ik het er niet mee eens. Schrijvers moeten grammaticale en semantische en al dat soort fouten zien te vermijden, natuurlijk. Maar ze hebben niet de taak de lezer in trance te brengen. Literatuur werkt juist als ze de lezer op scherp zet, als ze de lezer wakker schudt. Als ze al met al de wereld in kaart brengt zoals die is – want dat is de enige manier om paradoxaal genoeg iets toe te voegen aan die wereld en haar te veranderen. Dat zal nooit een wereld zijn waarin geen kromme zinnen of botsende beeldspraak voorkomen; maar daar kunnen we wel van dromen.

Beide boeken zijn verschenen in de serie De Schrijfbibliotheek van uitgeverij Augustus. Daar zal ook een herdruk verschijnen van De kunst van het schrijven van John Gardner (224 blz., € 24,90). Van Het geheim van de schrijver van Renate Dorrestein verscheen een midprice-editie bij uitgeverij Contact (248 blz., € 12,50)