Goede mensen

Lange tijd had ik boven mijn bureau de opwekkende tekst hangen ‘du kannst, denn du sollst’, of was het nu ‘du sollst, denn du kannst’ – zo lang naar gekeken en dan toch nog de essentie kwijtgeraakt – maar inmiddels hangt er alleen nog een in kapitale hanenpoten geschreven ‘hou op’.

Voor het geval ik ook de essentie van deze boodschap zou dreigen te vergeten, heb ik er nog eentje elders aan de muur hangen, ik hoef mijn bureaustoel maar een kwart te draaien: ‘stop ermee’. Ik ben terug bij af kennelijk, toen ik mezelf als twintiger bij de les dacht te moeten houden via handgeschreven briefjes op tafel. Als ieder leven gekenmerkt zou moeten worden door een leidend principe, dan zou dat bij mij het verlangen naar een leidend principe zijn. Waarschijnlijk dat ik daarom zo ontvankelijk was voor bevrijdingsbewegingen, met de nadruk op was.

In de film L’avenir, nu in de bioscoop te zien – ‘ga er naar toe’ – worstelt een docente filosofie met veranderende tijden. Ik heb er ademloos naar zitten kijken, wat mij betreft zat ik er nu nog naar te kijken. Zijn er Franse films waarin Isabelle Huppert níet de hoofdrol speelt? Ik geloof het niet, maar ik vind het niet erg. Huppert is een genot om naar te kijken, vooral omdat haar leeftijd haar niet aan te zien is, op een heel andere manier dan dat voor bijvoorbeeld Julianne Moore geldt. Beiden lijken in ieder geval in niets op die afschrikwekkende vrouw van middelbare leeftijd die niemand wil worden, al vlindert Huppert in L’avenir wel érg borst- en billoos door het leven. Dat is Frans, denk ik dan maar.

Hou op, dus. Waarmee?

Met onrust, dat allereerst. Met het onmogelijke te willen. O help, denk ik driekwart van de tijd. Ik ben niet met mezelf meegegroeid.

Het boek dat Huppert – in de film heet ze Nathalie – haar favoriete student aansmeert is De radicale verliezer, van Hans Magnus Enzensberger, en ik vraag me af of het toeval is dat ik dat geschrift ook sinds jaar en dag voor het grijpen op mijn bureau heb staan, naast de essays van Montaigne en de leerstellingen van Epicurus. Het grootste deel van de dag lees ik overigens op het moment de biografie van Barry Hay. ‘Je hoeft niet alles te begrijpen’, luidt het motto van Enzensberger, ‘maar een poging kan geen kwaad.’ In zijn boekje, dat de omvang heeft van een flink essay, doet Enzensberger een poging de psychologie van de zelfmoordterrorist te doorgronden. Op zich ging het mij niet zo om die terrorist, maar meer om het onderliggende mechanisme dat Enzensberger heel precies blootlegt en ontleedt. Krenkingen en beledigingen zijn voor ieder mens aan de orde van de dag, maar bij sommige mensen laait het vlammetje onblusbaar op, met tot gevolg (zelf)haat, agressie, geweld. Ik blijf nu al veel te lang bij dit essay hangen, het mooie van L’avenir is juist dat niets wordt gezegd over het hoe en waarom; de suggestie is alleen dat waar de student in zijn biologische boerderijtje nog volop gelooft in de revolutionaire kracht van het collectief, de docente moet zien te berusten in het feit dat ze er zowel privé als op het werk steeds meer alleen voor komt te staan.

'Ik wil niet die toekijkende vrouw zijn'

Een goeie van Epicurus vind ik deze: ‘Wij moeten op niemand jaloers zijn.’ Oké, hij voegde daar nog iets aan toe: ‘Goede mensen verdienen geen afgunst, en slechte mensen berokkenen, naarmate het hun beter gaat, alleen maar meer schade aan zichzelf.’ Ik weet niet hoe oud Epicurus was toen hij dit bedacht, maar er spreekt veel innerlijke rust uit.

Een van de vele saillante momenten in de film is als de docente blijft logeren op die boerderij, en ’s avonds laat vanuit haar kamertje de donkerte in staart en de student en zijn vriendin nog een wandeling ziet maken. Geanimeerd, verstrengeld. Ik had het achteraf met een vriendin over die scène, die er geloof ik hardop bij had gekreund.

‘Ik wil niet die toekijkende vrouw zijn’, zei ze. ‘Ik wil degene zijn die dat bos in loopt.’

Stop ermee. Asjeblieft.

En dus vond ik het mooi, zoals Huppert daar stond. Pijnlijk, maar zoet pijnlijk. Net zoals ze eerder die avond het hartstochtelijk gediscussieer van de radicalinski’s volgde. Ze weet wel beter, op zoveel fronten, maar is daar gewelddadig noch verzuurd door geraakt. De krenking ligt permanent op de loer – een hijger in de bioscoop, een troostboeket bloemen op tafel, de afdeling marketing van haar uitgeverij – maar lijkt uiteindelijk geen vat op haar te krijgen.

Alsof ze al wat langer van die briefjes boven haar bureau heeft hangen.