Goede morgen!

Zeven dagen geleden is meneer Panday, m'n Hindoestaanse overbuurman, overleden. Vanmorgen - het moet tegen zessen zijn geweest, want mijn ochtendblad viel, even nadat ik was opgestaan, op de deurmat - moest ik naar het toilet, een en ander in verband met mijn prostaat, en ik merkte dat het licht van Pandays slaapkamer, een licht dat zijn weduwe, volgens de oude traditie, heeft laten branden, plotseling uit was.

Hoort dat zo? vroeg ik mij af. Of heeft de realiteitszin van mevrouw Panday over de te verwachten hoogte van de elektriciteitsrekening het gewonnen van de oude zeden en gewoonten? Is de traditie überhaupt op den duur bestand tegen de voortschrijdende vernuchtering van mens en samenleving?
In dit soort gedachten verzonken klopte ik mijn plassertje met extra zorg af, want in verband met voornoemde kwaal wil daar nog wel eens een druppeltje aan blijven hangen. Ik raapte de krant van de mat, trok mijn kamerjas aan, ontstak de bureaulamp in mijn werkvertrek en begon te lezen. Eerst de koppen. Ook vandaag voorspelden zij niet veel goeds. Vervolgens verdiepte ik mij in de details. Een internationale hulporganisatie, zo blijkt, heeft foto’s gemaakt van twintigduizend Ruandese kinderen die hun ouders zijn kwijtgeraakt. Twintigduizend foto’s om de familiehereniging te bewerkstelligen! De foto’s zijn geëxposeerd in het Museum of Modern Art in Los Angeles. Complete waanzin, mompelde ik.
Waar bleef de samenhang? Als naast de traditie straks ook maar niet de nuchterheid het loodje legt! Ik keerde naar mijn bed terug en trok de deken ver over mijn hoofd.