De kunst van het citeren

Goede sier

Intellectuelen hebben altijd graag grote denkers geciteerd. Ook dat pronken met andermans veren is aan modes onderhevig. Eerst was het Freud, toen een tijdje Fromm, dan weer Sartre of Wittgenstein. Als je maar «erudiet» leek.

In 1960 waren de intellectuelen — wie dat ook mogen zijn — verrukt over de film Psycho van Alfred Hitchcock. Althans, als je de kranten uit die tijd leest. De film was gemaakt naar de roman van Robert Bloch, die midden jaren vijftig geobsedeerd raakte door de moordenaar Ed Gein — in het boek zou hij Norman Bates komen te heten — die niet alleen zijn moeder, maar ook de vriend van zijn moeder had vermoord. Bloch schreef een macaber verhaal dat Hitchcock aansprak. Maar Hitchcock, die gevoelig was wat betreft de tijdgeest, zag heel duidelijk het tekort in de roman van Bloch. Een tekort dat hij in de film wilde verklaren, namelijk: hoe was de ziel van Norman Bates zo verwrongen geraakt dat hij zijn moeder wilde vermoorden en bewaren?

Hitchcock maakte daartoe gebruik van een truc waar hij al eerder succes mee had gehad: hij laat Freud opdraven. De oude Sigmund. Althans, een psychiater. (Hitchcock deinsde er ook niet voor terug om zijn acteurs die psychiaters moesten spelen te modelleren naar Freud, compleet met baard, pijp en Duits accent.) Bij Psycho is het wel heel erg — het verpest zelfs de film een beetje. Aan het eind — het verhaal is al afgelopen — komt er plompverloren een psychiater de film binnenwandelen, met pijp goddank, die Norman Bates analyseert — volgens Freud. De man was eigenlijk verliefd op zijn moeder… we gruwden, maar begrepen het.

Freud. De naam alleen al deed de voorhoofden glimmen.

In de jaren zestig nog springlevend. Thans alleen nog in zwang bij vriendelijke oude dametjes in de Concertgebouwbuurt in Amsterdam en bij amateur-kunsthistorici.

Freud stond voor «eruditie», met Freud kon je alles verklaren, wie Freud kende, begreep iets van de moderne tijd.

Na de Tweede Wereldoorlog had men vooral in Nederland een probleem. Du Perron en Ter Braak waren dood, de intelligentsia was nog te jong om haar stem te laten horen en de maatschappij was nog te verzuild om kritiek met gezag te laten doordringen. De jonge Willem Frederik Hermans schrijft in die tijd over film en over Amerika en leest, uiteraard, Freud. Andere jonge kunstenaars en schrijvers trekken naar Parijs, zoals Campert, Vinkenoog en Kousbroek, omdat hier niets te vinden was en «het» daar gebeurde. Wat dat «het» is, is altijd moeilijk te omschrijven, maar je ziet het effect ervan langzaam doordringen. Daarover straks.

Feit is dat men in die jaren «een verklaring» zocht. Een verklaring voor Hitler, een verklaring voor de oorlog, een verklaring voor het eigen gedrag, een verklaring voor het verzet en het gebrek aan verzet.

Freud hielp daar maar ten dele.

En juist in die jaren zie je dan ook een herleving van het marxisme. Want met Marx kon je heerlijk elk maatschappelijk verschijnsel verklaren. Marx en Freud samen leverden natuurlijk de perfecte combinatie op om de grote vragen te beantwoorden: wie was Hitler, wat dreef hem, waarom was hij antisemiet, waarom was Duitsland antisemiet en waarom waren de Duitsers zoals zij waren? Vaders en moeders werden op de divan gelegd, en zij niet alleen: hele naties moesten eraan geloven en gingen in psychoanalyse.

Kennen we hem nog: Erich Fromm, de Amerikaanse, marxistische psychiater. Freudiaan. Kon het mooier? The Fear of Freedom — in Nederland vertaald als De angst voor de vrijheid; de titel van het boek geeft perfect weer wat de essentie is van zijn betoog — ging als warme broodjes over de toonbank. En na de Fear kwam de Escape for Freedom, ook al een warm broodje, want inderdaad als je bang bent, wil je vluchten… Fromm, de grote Psychiater en Marxist en al snel een leidende figuur. Hij analyseerde zelfs in zijn boeken Freud. Dat liet hij helaas na bij Marx; alleen diens «mensvisie» analyseerde hij. Een voorbeeld van zijn manier van schrijven en denken: «Marx zag veel duidelijker in dan Freud dat het bewustzijn het produkt is van de speciale levenspraktijk die kenmerkend is voor een bepaalde maatschappij of klasse. (…) Ook al denkt de mens dat hij bepaald en gedreven wordt door zijn eigen ideeën, in werkelijkheid wordt hij gedreven door machten achter zijn rug om waarvan hij zich niet bewust is.»

Nog steeds is er een uitzinnige Fromm-cultus in Amerika, Zwitserland en Italië. Fromm was exemplarisch in die tijd. En in zijn kielzog komen die marxistische, psychologiserende visionairen die we zo goed kennen: Horkheimer, Loewenthal, Adorno en natuurlijk… Marcuse met zijn «ééndimensionale mens»…

God, wat hebben we die man aanbeden.

Wanneer je een van deze intellectuelen citeerde, was je stuk al vanzelf een serieus te nemen bijdrage.

De Nederlandse intellectuelen woonden ondertussen Parijs uit. Ze kwamen in aanraking met de Franse filosofen. Ze zaten uiteraard te borrelen in Les Deux Magots of in La Coupole. En daar zagen ze die invloedrijke, kleine, schele man: Jean-Paul Sartre, vaak begeleid door Mevrouw Simone de Beauvoir. Sartre moet in die tijd bezig zijn geweest psychiatertje te spelen op niemand minder dan de misdadige schrijver Jean Genet, die daarna eigenlijk geen boek meer kon beginnen en er een levenslange haat jegens Jean-Paul op na heeft gehouden. Sartre, de filosoof van het existentialisme, de man die afzag van de Nobelprijs en liever zelf, op zestigjarige leeftijd, ging colporteren met linkse tijdschriften. De man van 1968. «On n’arrête pas un Sartre», zei Generaal De Gaulle, die daarmee liet zien dat hij zijn klassieken goed kende en verwees naar die andere Franse filosoof, Voltaire, die de vrijheid van meningsuiting misschien wel duidelijker op zijn banier had staan dan Sartre. Sartre die richting gaf aan het denken van Daniël Cohn Bendit en Rudi Dutschke. Sartre die zijn Marx goed kende, zoals blijkt uit zijn Kritiek op de dialektische rede.

Sartre in Nederland had een enorme invloed. Zangeresjes deden O la la Parijs na, Liebeth List zong in zwarte coltrui als Juliette Greco, en op het toneel kregen we de stukken van Sartre te zien. We spraken over «existen tiële problemen». Een uitspraak als: «De hel, dat zijn de anderen» van Sartre kon je altijd gebruiken.

De wereld leek volmaakt, met Freud, Marx en Sartre en al hun uitleggers.

Was er werkelijk iemand die Sartres filosofie begreep? Was er werkelijk iemand in Nederland die Het Zijn en het Niets van hem had gelezen?

Ik betwijfel het, want het is, hoe we er ook voor gevallen zijn, toch orakeltaal.

De Beauvoir was eigenlijk in alles beter dan haar kameraad: ze schreef beter, dacht helderder en kon daadwerkelijk de dilemma’s die bij het existentialisme zo belangrijk zijn artistiek vormgeven. Zij zou echter alleen populair worden — en daar is ze nog steeds terecht niet weg te slaan — bij de voorvechtsters van de grote emancipatiegolf in de jaren zestig. Als vrijgevochten vrouw kun je nog steeds met enig gezag De Beauvoir citeren. Haar Amerikaanse vriend en andere grote liefde, Nelson Algren, past trouwens precies in het beeld van die tijd: een communistische, Amerikaanse schrijver over Het Leven Zelf, alles verklarend aan de hand van, uiteraard, Freud.

Wanneer komt de omslag?

Eigenlijk na 1968. De Vietnamoorlog vindt zijn einde, we bezoeken met grotere regelmaat Moskou en zien dat het communisme alleen maar ongelukkige mensen en grote woonblokken veroorzaakt en de studenten, intellectuelen, van de jaren vijftig raken getrouwd en krijgen een baan.

Wie was nu mode om te citeren?

Met Sartre kon je eigenlijk niet meer aankomen. Freud daarentegen behield zijn waarde, want die had nog steeds iets literairs. Marx werd aan een kritische blik blootgesteld. De Franse filosofie raakte uit, Engeland raakte in. Bertrand Russell zag je geciteerd worden: Has Man a Future. (1961). Cambridge was geen Parijs en daarom duurde het waarschijnlijk zo lang totdat hier Russell en zijn kompanen geciteerd werden. Cambridge was saai. De problemen — Vietnam, de Koude Oorlog, dreiging van atoomoorlog — konden niet meer opgelost worden met Marx, Freud en het existentialisme. Voorzichtig werd hier in Nederland begin jaren zeventig naar de Moral Science Club gekeken met zijn leden Popper, Russell, Moore en… Wittgenstein. Al in 1946 — lees het prachtige boek De vloek van Wittgenstein van David Edmonds en John Eidinow — was het tot een ontploffing gekomen tussen Popper en Wittgenstein, twee filosofen, beiden uit Wenen afkomstig, beiden joods, beiden in Cambridge docerend, de een van arme komaf, terwijl de ander een vader had die misschien wel de rijkste man van Wenen was. De Nederlandse intellectuelen — wel links, maar geen marxist — gingen daar ook kijken. Het is misschien wel de Nederlandse columnist Piet Grijs geweest (Hugo Brandt Corstius) die Popper voor een groter publiek toegankelijk heeft gemaakt. Hij schreef over de colleges die hij bij Popper had gelopen in Hollands Maandblad en Vrij Nederland, en dat inspireerde Karel van het Reve weer om Popper te lezen en te bestuderen. (Lees Karel van het Reves Afscheid van Leiden.) Later zou Van het Reve met grote regelmaat naar Popper verwijzen. Karl Popper — An Essay on Man — had ook een politieke visie, schreef over de democratie en waarom die «nastrevens waardig» was — zo zei hij het — en hij kon wel de politiek-maatschappelijke vragen beantwoorden waaraan toen behoefte was.

Popper, de falsificatietheorie… heel goed, maar onmogelijk… je kunt er nog steeds goede sier mee maken.

En dan, in de jaren zeventig, zie je de opkomst van Wittgenstein. Het is uiteraard Willem Frederik Hermans geweest die hier al in 1964 mee begonnen was met een stuk in Podium, Wittgenstein’s levensvorm. In 1966, ’67, ’68, ’70, ’77, ’78, ’79, ’84 en ’90 zou hij grote artikelen over Ludwig Wittgenstein schrijven en ten slotte zou hij diens Tractatus zelfs vertalen.

Wittgenstein, de filosoof die tot twee keer toe — en met succes — heeft geprobeerd, «de filosofie kapot te maken», kan eigenlijk nog steeds met enig recht geciteerd worden. Het zijn met name politici die er elke keer weer blijk van geven dat ze niets van zijn werk hebben gelezen of begrepen. Nu is dat ook — moet er eerlijk bij worden gezegd — wel voorstelbaar. Zelfs Hermans moest erkennen dat hij niet alles snapt van Wittgenstein. (Daarom kun je hem ook altijd citeren.)

Wittgenstein is nog steeds vers. Wie Wittgenstein heeft gelezen, haalt het niet in zijn hoofd om Freud of Marx, laat staan Sartre erbij te halen. Hoogstens kun je de filosofen van de Weense Kring noemen, wil je indruk maken.

Wie moet een intellectueel nu citeren?Laten we eerst eens kijken naar de problemen van nu.

De sociaal-democratie ligt op haar achterwerk; het liberalisme is een zelfvernietigende weg opgegaan en de christen-democraten hebben een opleving die, nu God echt zoek is, meer lijkt op een zwanenzang. We vrezen de islam, het decadente kapitalisme, de exodus uit de arme wereld en aids. Het kapitalisme vernietigt vrolijk verder. De jeugd denkt alleen maar aan neuken, hossen en de kwaliteit van cannabis en leest geen krant meer. Het is, wat het altijd is geweest, een zooitje. De grote wapens zijn zinloos, want mensen gebruiken zichzelf als wapen of verzamelen een miljoen oude horloges om met de lichtgevende wijzerplaten een vuile atoombom te maken.

Toch tikt er nog ergens een klok die waarschijnlijk verbonden is met wat dynamiet. Wat te doen? zei Lenin.

Wie het weet mag het zeggen?

Als ik De Groene goed heb gevolgd, moet ik nu Noreena Hertz en Naomi Klein noemen. Zijn zij de helden van deze tijd? De antiglobalisten? Tja, daar hoor ik toch wel weer heel erg veel Marx. En als ik nu naar de Palestijnen kijk en luister, dan hoor ik toch weer heel veel Marx. En als ik naar Iran en Irak kijk, dan hoor ik toch ook weer veel Marx, ik denk niet dat die Naomi Klein of Noreena Hertz zullen citeren.

Of gaat het weer over Het Kwaad in de wereld? Tja, dan zie je dat buiten de grachtengordel Hannah Arendt nog steeds wordt bejubeld, terwijl binnen de grachtengordel (Hilhorst in de Volkskrant evenals Kees Schuijt in dezelfde krant) Michael Ignatieff (vooral met Blood and Belonging) wordt geciteerd.

En wij hier in Nederland, met onze problemen?

Wie citeren wij nog steeds het meest?

Marx!

Er zou nu een ouderwetse psychiater dit artikel moeten binnenlopen om dat te verklaren.