Booker Prize nominaties Monica Ali en Margaret Atwood

Goede woordkunst provoceert

Op 14 oktober wordt de Booker Prize uitgereikt. Genomineerden Monica Ali en Margaret Atwood benaderen hun lezers op zeer verschillende manieren. Dat maakt ook deze concurrentiestrijd tot een kunstmatige, tussen onvergelijkbare romans. En de literatuur verliest.

Dit is het jaar van David en niet van Goliath. Het waren omineuze woorden van Booker Prize-juryvoorzitter 2003 John Carey toen hij halverwege september de shortlist bekendmaakte. Afgevallen waren Grote Namen als J.M. Coetzee, Martin Amis en Graham Swift; debutanten als DBC Pierre (Vernon God Little), Clare Morrall (Astonishing Splashes of Colour) en Monica Ali (Brick Lane) mochten wel «doorgaan». Reden? De jury koesterde een voorliefde voor overtuigende vertellers. Dus weg met de ingewikkelde ideeënroman Elisabeth Costello van Coetzee, waarin een verhaallijn zou ontbreken, en met Amis’ provocerende roman Yellow Dog, toch al een «betwistbare» keuze voor de longlist, aldus de juryvoorzitter.

Wat een feest is het tegenwoordig om genomineerd te worden. De «afgevallen» schrijver kan nog een trap na krijgen ook. De grootste verliezer is de literatuur, die wordt verengd tot een kunstmatige concurrentiestrijd tussen onvergelijkbare romans.

Toch is nadere aandacht op zijn plaats voor twee van de voor de Booker Prize genomineerde romans, Brick Lane van Monica Ali en Oryx and Crake van Margaret Atwood (al Booker Prize-winnares met The Blind Assassin), omdat Ali en Atwood ieder voor zich een literaire houding lijken te representeren: de conventionele, alles en iedereen invullende, politiek correcte Ali-vertelling versus het raadselachtige apocalyptische Atwood-verhaal wortelend in de traditie van Huxleys Brave New World, Orwells 1984 en Paul Austers The Country of Last Things. Waarmee overigens niets negatiefs gezegd is over de andere genomineerden: Pierre, Morrall, Zoe Heller (Notes on a Scandal) en Damon Galgut (The Good Doctor).

Eind oktober maakt juryvoorzitter John Carey bekend of Monica Ali (1968) inderdaad de «gedoodverfde winnares» is of dat Atwood voor de tweede keer de Booker Prize wint.

Brick Lane is het verhaal van Nazneen, in Oost-Pakistan (later Bangladesh) geboren en in 1985 op achttienjarige leeftijd uitgehuwelijkt aan de veel oudere, dikbuikige Chanu. Ze komt terecht in Brick Lane in de immigrantenwijk East End-Londen (Tower Hamlets) waar ze zich, vol verlangen naar iets en iemand anders, verschanst in hoofddoek, koran en gezin. «We zullen in stilte lijden.» Ze zal zich neerleggen bij wat het lot met haar voorheeft. De lezer kan niet om de roman motto’s heen.

Monica Ali verschanst zich op haar beurt in Nazneen. Honderden bladzijden lang beschrijft ze de huishoudelijk-financiële en huwelijkse beslommeringen, als voorbereiding op welke explosie dan ook: 11 september 2001 of de repatriëring naar Bangladesh. Maar wat er ook gebeurt, Nazneen blijft even sloom, slaafs en afwachtend. Ook na de dood van haar zoontje, Chanu’s maatschappelijke Werdegang, de alarmerende brieven van haar zusje Hasina uit Bangladesh, Hasina’s «onthulling» dat hun moeder Amma zelfmoord heeft gepleegd, de geboorte van haar dochters of haar overspel met de pseudo-activistische «Bengaalse tijger» Karim. «Ik verwacht niets. Ik vraag niets.» Ali’s narratieve tempo is even traag als de voorspelbare karakterontwikkeling van Nazneen, haar woordkeus even kleurloos als Nazneens beperkte leventje. Nazneen wordt helemaal ongeloofwaardig als ze haar dochters niet steunt en blijft zwijgen wanneer ze zich uit alle macht verzetten tegen het reisplan van hun vader: terug naar Bangladesh.

Het probleem met deze roman is niet alleen dat Ali voor één vertelperspectief heeft gekozen zodat de lezer blijft hangen in het hoofd, in de repeterende gedachten van Nazneen. Die ene blik maakt het verhaal ook hopeloos voorspelbaar en roept een déjà vu-gevoel op. Nai paul, Rushdie, Kureishi, Zadi Smith en vele anderen zijn Ali voorgegaan als virtuozere vertellers. Het resultaat: het zoveelste overbekende relaas over een immigrantengezin. Brick Lane had meer schwung en scherpte gekregen als Ali regelmatig van vertellersblik was gewisseld; als zij de half analfabete brieven van Hasina (idee overgenomen van Alice Walkers The Color Purple) had vervangen door een écht tegenverhaal; als zij 11 september 2001 niet als een obligaat en vooral loos ritueel had ingelast maar als levensgevaarlijk literair projectiel of zelfmoordbom. Nu kabbelt het debat rond fundamentalisme en islam maar door en babbelt Ali heel onderhoudend via haar vlakke hoofdpersoon over de voors en tegens van geloof, half geloof en ongeloof; over het dilemma de «global jihad» aan te hangen of te strijden tegen lokaal onrecht. Brick Lane is geen lectuur waarbij de lezer op zijn hoede moet blijven. Nergens krijgt hij een steen naar zijn hoofd, nergens in het beperkte verhaal gebeurt iets wat hij niet al tienduizend woorden eerder zelf had bedacht. Geen gevaarlijke Bengaalse tijger te bekennen.

Met Oryx and Crake van Margaret Atwood is iets heel anders aan de hand. Deze Apocalypsroman — zich afspelend aan de Amerikaanse oostkust na «de woeste dagen van de legendarische dotcom-zeepbel», na een ecologische ramp en na een wereldwijde dodelijke virus epidemie — daalt angstwekkend diep af in de «morele beerput» die mens heet. We lijken voorbij goed en kwaad, voorbij computer spelletjes als Kwiktime Osama.

Met hun stiekeme genengeknoei hebben een paar idealistische maar wereldvreemde wetenschappers willens en wetens een ramp veroorzaakt. Atwood introduceert de laatste mens in de gedaante van «Sneeuwman», die in een boom probeert te overleven te midden van de groenogige «kinderen van Crake» en van gemanipuleerde nieuwe dieren: wolvijnen, konunks en varkuiven. In deze raadselachtige en dreigende omgeving probeert Sneeuwman zijn eigen weggeslagen verleden weer woord voor woord terug te halen.

Sneeuwman, vroeger Jimmy geheten, reconstrueert het verhaal waarin hij zijn eigen moeder, die zich verzette tegen de grenzeloze transgenetica, kwijtraakt. Hij probeert zijn vreemde vriend en vaderverrader Crake, de allergrootste transgeneticus die de bouwstenen van het leven verstoort, te doorgronden. Die tocht naar het verleden loopt parallel aan een echte, spannende overlevingstocht langs de kust terug naar «Paradice», de wetenschappelijke vesting waar het genengegoochel onder leiding van Crake (en met behulp van reclameman Jimmy) grote hoogten en rampzalige diepten bereikte. Uiteindelijk dreigt de wereld ten onder te gaan aan afgunst, fanatisme en wantrouwen. Het ideale, harmonische mensenpark blijkt een jungle vol roofzucht.

Atwood is een meester in het stap voor stap en schoksgewijs onthullen van waar het haar werkelijk om gaat. In Oryx and Crake wil ze niet minder dan een alternatief genesisverhaal vertellen: «Alle verhalen beginnen met chaos». Ook Oryx and Crake. Sneeuwman is een gehavende Adam zonder Eva (zijn geliefde Oryx gaat aan de dwingende utopist Crake ten onder), een «woordmens» die leest en dus een verleden heeft. In tegenstelling tot zijn «vriend» Crake koestert hij het onvolmaakte in de mens. «Juist de vingerafdrukken van de menselijke onvolmaaktheid hadden hem vroeger geraakt, de tekortkomingen in het ontwerp: de scheve glimlach (…), de moedervlek, de blauwe plek.» Crakes kinderen zijn het resultaat van een genenmanipulatie die alle problematische menselijke verhoudingen wilde uitbannen: racisme, seksuele onderdrukking en ander machtsvertoon. Maar hoe de genen ook werden herordend, de nieuwe mensen bleven dromen. En wie droomt, schept (afgods)beelden, blijkt ontvankelijk voor religie en kunst, voor een verleden en een hiernamaals, voor de zonde «en dan slavernij en oorlog».

Waar Monica Ali in haar keurige Brick Lane de lezer in slaap laat dommelen, schudt Atwood hem wakker. Haar apocalyptische vertelling vermengt doemdenken en hoopvol dromen. In haar roman is de menselijke maatschappij een monster met lijken en puin als gevolg. Telkens weer maakt de mens dezelfde verachtelijke vergissingen «en ruilde winst op de korte termijn in voor pijn op de lange duur».

En de woordkunst dan, die hopeloos overbodige activiteit? Pas op voor de kunst, want zodra de mensen aan kunst gaan doen, komen we in de problemen. Dat credo van Crake de fundamentalistische utopist is het motto van Margaret Atwood. Goede woordkunst propageert niet, maar provoceert, wekt onrust, houdt zich niet aan afspraken en ontluistert. Onderhoudende kunst luistert naar de lezer en spreekt hem niet tegen, zodat hij zich dood kan amuseren.

Monica Ali

Brick Lane

Vertaald door Paul van den Hout

Uitg. Prometheus, 428 blz., € 19,90

Margaret Atwood

Oryx en Crake

Vertaald door Tinke Davids

Uitg. Bert Bakker, 377 blz., € 19,50