Vijftig jaar Poetry International

Goedemorgen, schoonheid

Politieke betrokkenheid en anarchie, daarom draaide Poetry International in de beginjaren. Na een halve eeuw is er veel veranderd. De ervaring bleef: ‘Dat moment dat ineens het kippenvel vanuit je schouders over je nek liep.’

Martin Mooij (l) en C. Buddingh’ op het kantoor van Poetry International in De Doelen © Pieter Vandermeer

‘Een serieuze dichtbundel zou ik nooit kopen, maar de dichtregels op de Rotterdamse vuilniswagens zou ik voor geen goud willen missen’, schreef een columnist twee jaar geleden in de NRC. Ik schrik van het eerste deel van die zin. Dat is belachelijk – ik hoor te weten dat haast niemand een serieuze dichtbundel koopt. Dat weten ze ook bij Poetry International, en gelukkig weten ze het er al lang. Sinds 1988 rijden op hun initiatief de vuilniswagens in Rotterdam rond met dichtregels op hun flanken. ‘Alles van waarde is weerloos’ (Lucebert), ‘Onverwacht zonlicht is een gebeurtenis’ (Bei Dao) , ‘Hoe langer je leeft/ hoe korter het duurt’ (Jules Deelder), ‘Steden schuilen niet wanneer het regent’ (Joseph Brodsky) en, de houdbaarste, van de Oostenrijkse schrijfster Maxie Wander: ‘Goedemorgen, schoonheid’.

Van deze vijf dichters was alleen Wander nooit te gast op het festival dat in 1970 van start ging en dit jaar zijn vijftigste verjaardag viert. De anderen, de Nederlanders, de Chinees en de Rus, stonden meer dan eens op het podium van De Doelen of de Rotterdamse Schouwburg. Dichter, spotje erop, microfoon. Publiek (soms veel, soms weinig), vertaling, vroeger live voorgelezen, later simultaan geprojecteerd. Iedereen kon iedereen verstaan, alleen het echte raadsel bleef over.

Poëzie, wat is dat?
Kijk hoe die naakte woorden daar dansen!
Iedereen schaamt zich dood.

(Adrian Mitchell)

Misschien begon het allemaal met het bezoek van Allen Ginsberg aan Londen in 1965 en de grootse, eenmalige poëziehappening in de Royal Albert Hall: International Poetry Incarnation. Ginsberg, starnakel, fluisterde, schreeuwde, zong en fleemde, om hem heen lag het publiek tussen de bloemen, marihuanadampen en rondzwevende papieren vliegtuigjes. Simon Vinkenoog was erbij en werd zo gegrepen dat hij het jaar erop Poëzie in Carré organiseerde.

Johnny ‘The Selfkicker’ van Doorn danst in De Doelen tijdens Poetry International 1970 © Pieter Vandermeer

Misschien begon het met de oprichting van het tijdschrift Modern Poetry in Translation door dichters Ted Hughes en Daniel Weissbort, ook in 1965. Een tijdschrift waarin voor het eerst werk van (later) wereldberoemde dichters in vertaling verscheen – Zbigniew Herbert, Czeslaw Milosz, Miroslav Holub. Volgens de makers werd het blad gedragen door vertrouwen ‘in the social as well as the private value of poetry’ en poëzie en politiek gingen hand in hand omdat er werk gepubliceerd werd van dichters die in eigen land moeilijk konden publiceren. ‘The translation of poetry became important, almost political business’, schreef Hughes, die vervolgens het festival Poetry International London begon.

Of misschien lagen de echte wortels toch in Spoleto, Italië. Daar organiseerde componist Gian Carlo Menotti al vanaf 1958 het Festival dei Due Mondi, vol muziek, literatuur, theater en dans. Het publiek had er een stokoude Ezra Pound zien voorlezen en everyone nearly fainted. Ted Hughes kwam er, maar ook Adriaan van der Staay, directeur van de Rotterdamse Kunststichting. Die zag er dingen die hij in Nederland ook wel wilde.

Van der Staay is de oprichter van het internationale poëziefestival in Rotterdam. Dat feit werd in de loop van de jaren enigszins ondergesneeuwd, want hij trok boekverkoper Martin Mooij aan als directeur en het werd diens naam die decennialang aan het festival verbonden zou raken. Mooij wás Poetry. Maar het was Van der Staay die de eerste editie op poten zette, die Hugo Claus, Simon Vinkenoog en Jules Deelder uitnodigde voor een pilotprogramma dat een eclatant succes werd en toen besloot dat ze van start konden. Het was ook Van der Staay die het festival zijn grondprincipe meegaf. ‘Poetry International wil gehoor geven aan de menselijke stem’, schreef hij. ‘Er zijn dichters, gekneveld of niet, wier stem sterker klinkt dan regeringsverklaringen.’

C.B. Vaandrager in de foyer van De Doelen © Pieter Vandermeer

Het bleef jarenlang een van de pijlers van het festival: ruimte en steun bieden aan dichters wier stem gesmoord werd, die in eigen land vervolgd of gevangengenomen werden vanwege hun werk. Niet alleen door ze hier uit te nodigen, ook door de oprichting van bijvoorbeeld de Poetry International Awards: een eregeld dat werd toegekend aan een vervolgde dichter. Of van het Breytenbach-comité nadat een van de trouwste festivalgasten, Breyten Breytenbach, in 1975 in Zuid-Afrika gevangen werd gezet.

‘De bucolische anarchie. De onbekommerde saamhorigheid’

Politieke betrokkenheid, anarchie en improvisatie, dat waren zo’n beetje de ingrediënten van de eerste jaren. Een handvol buitenlandse dichters, een aantal Nederlandse, een podium en wat inderhaast gemaakte vertalingen, dat was alles. Juist omdat de organisatie in het begin gebrekkig was, vertelde Mooij, ging iedereen zich ermee bemoeien en waren het de dichters zelf die bedachten dat ze wilden voorlezen in metrostations (Ernst Jandl) of in de haven (Adrian Mitchell). Pablo Neruda reed in een koetsje door Rotterdam en presentator Geert Lubberhuizen zorgde ervoor dat in 1974 tussen de dichtersvoordrachten door de standen van het WK werden meegedeeld. En toen tijdens de allereerste avond in De Doelen in 1970 nauwelijks publiek kwam opdagen in de grote zaal, verplaatsten de dichters zich naar de foyer, dat was gemoedelijker, en daar kwam het publiek uiteindelijk wél.

Wie jaarlijks tientallen dichters verzamelt in een overzichtelijke omgeving, ze samen laat optreden, eten, een hotel delen en vooral: een bar, die kweekt saamhorigheid en akkers vol anekdotes. Wie de publicaties over vijftig jaar Poetry doorstruint (verschillende boekjes door Martin Mooij; publicaties uit de vroegere Poetry International Serie van Meulenhoff; het zojuist verschenen In poëzie en oorlog van de nu scheidende directeur Bas Kwakman; de vele festivalpoëziebloemlezingen-met-inleidingen) struikelt over de verhalen. Over de tv-opnames de allereerste avond, die heel Nederland toonden dat er haast niemand in de zaal zat. Over de Letse Amanda Aizpuriete die meer dan tweeduizend gedichten uit haar hoofd bleek te kennen. Over de jonge Russische dichter Boris Ryzji die bij zijn voordracht te dronken was om op zijn benen te staan. Over Hans Faverey, die al zijn gedichten twee keer voorlas omdat hij wist dat iedereen ze moeilijk vond. Over de Keniaanse dichter Abdilatif Abdalla die niet met Elly de Waard op het podium wilde omdat ze een broek droeg en een hond in haar armen had. Over Rutger Kopland, die dagelijks naar Poetry belde om te horen hoe hij ervoor stond in de verkiezing voor de eerste Dichter des Vaderlands (en won, en toen weigerde). Het was saamhorig, er was vriendschap, er was kinnesinne. Judith Herzberg, in 1973 voor het eerst op het festival, herinnert zich hoe klein het de eerste jaren was. ‘De meeste dichters kenden elkaar, je zat allemaal in hetzelfde hotel en zelfs de man van het hotel maakte deel uit van zo’n week, een beetje zoals een conciërge op school.’ Volgens haar was zowel Van der Staay als Mooij ‘geheel bevlogen en bezeten. Zonder hen was het festival er niet geweest, was het nooit geworden wat het werd.’

Remco Campert in De Doelen © Pieter Vandermeer

Volgens K. Michel, die vijf keer deelnam als festivaldichter en wel dertig jaar als bezoeker, was het ook vanaf het begin heel slim opgezet. ‘De dichters arriveerden in het weekend, terwijl de openingsavond pas op dinsdag was of zo. Dan werd er samen gegeten en werd iedereen in een bus geladen voor uitstapjes. Bij een lunch, ik herinner me Schoonhoven, aan de Lek, begon dan Seamus Heaney opeens een gedicht voor te dragen, waarna zijn vrouw, zangeres, inviel met fantastische liederen. Zoiets verbroedert wel, ja.’ Op zondag was er dan tuinfeest bij havenbaron Ludo Pieters, begunstiger van het festival. Gedenkwaardige middagen waarbij dronken dichters in het zwembad sprongen, lagen te zoenen in het struikgewas of hun eerste kater van de week uitsliepen op het gras.

Festivalfotograaf Pieter Vandermeer maakte er jarenlang foto’s. Van een dansende Geert Lubberhuizen naast Mischa de Vreede in bikini, van Jules Deelder met zijn nog kleine dochtertje Ari op schoot, van Les Murray die als een beeld van Henry Moore op het gras gedrapeerd ligt. En van Remco Campert in gesprek met Gerard Reve. ‘Maar Reve werd nooit uitgenodigd om te lezen op het festival’, zegt Vandermeer. ‘Die was te rechts.’

Campert schreef over het festival, inclusief tuinfeest, in zijn novelle Ohi, hoho, bang, bang of het lied van de vrijheid en hoewel de ironie dat hele boek voortstuwt – ‘These things happen when poets and alcohol meet’ – geeft het een beeld dat overeenkomt met wat ook Kwakman schrijft over de begintijd: ‘De bucolische anarchie. De onbekommerde saamhorigheid. Het nauwelijks zichtbare publiek. Het festival als de stolp waaronder een internationale familie van dichters en gelijkgestemden zich, afgezonderd en losgezongen van de realiteit, een week lang veilig waant.’

In de tuin van Ludo Pieters met onder anderen Adriaan van der Staay, Czeslaw Milosz en Bert Schierbeek © Pieter Vandermeer

Voor het publiek was het anders, dat kon zich laten verrassen en onderdompelen. In 1998 schreef Jan Gielkens in de NRC over hoe dat was – en hoe het in essentie altijd bleef. ‘Poetry International, het jaarlijkse dichtersfestival in Rotterdam, bestond al een paar jaar toen ik in juni 1976 voor het eerst ging kijken. Ik hoorde er het Russische orgel Andrej Voznesenski en het Amerikaanse drankorgel Gregory Corso, de stille Roemeense geweldenaar Marin Sorescu en het Turkse nijlpaard Fazil Hüsnü Daglarca.’

Fotograaf Vandermeer, die samen met Tineke de Lange de festivaldichters portretteerde, heeft ze haast allemaal aan zijn lens voorbij zien gaan: Pablo Neruda, Octavio Paz, Joseph Brodsky, Allen Ginsberg, Günter Grass, Breyten Breytenbach, Elizabeth Bishop, Wole Soyinka, Bei Dao, Derek Walcott, Carol Ann Duffy, Lars Gustafsson, Tomas Tranströmer, Czeslaw Milosz, Shrinivási, Umar Bin Hassan. Alle Nederlandse dichters: van Buddingh’, Bernlef en Brassinga tot Ter Balkt; van Komrij tot Kouwenaar, Peeters tot Perquin, Schippers tot Stitou, Wigman tot Wilmink.

Zijn portretten stralen vrijwel allemaal een grote rust uit en dat terwijl hij de dichters uit de wandelgangen moest plukken om kort in zijn gelegenheidsstudiootje te laten zitten. ‘Maar dat ging vanzelf goed. De meeste dichters zijn aardige mensen, die werken wel mee. Brodsky bijvoorbeeld werd omstuwd door andere schrijvers die met hem meeliepen tot in de kleedkamers, tot ik zei: als ik op jullie pen zou zitten kijken, kun je toch ook niet schrijven? Weg jullie, bromde Brodsky toen – en ik maakte een mooie foto. Seamus Heaney ook: hij had net de Nobelprijs gekregen en kwam over voor één avond. We konden het altijd goed vinden, omhelsden elkaar stevig. Nadat hij had voorgelezen zei hij tegen alle aanwezige journalisten: ik moet eerst even met de fotograaf mee.’ Wat hij zelf zegt dat hij probeert, lijkt hem meestal gelukt te zijn: achter de ogen komen. De foto’s die hij maakte van de jonge Antjie Krog en Anna Enquist zijn sereen en krachtig, de terugkaatsende blik van Breytenbach spreekt voor zich.

Weinig vrouwen in het begin, maar ze waren er wel: Friederike Mayröcker in de eerste jaren en verder vooral Nederlandse dichters: Hanny Michaelis, Neeltje Maria Min, Sonja Prins. Gaandeweg werden het er meer. Bij het 25-jarig jubileum waren tien van de veertig dichters vrouw en dat percentage groeide zeker vanaf eind jaren negentig. Sommige Nederlandse dichters hoorden tot de vaste entourage. In het begin de Rotterdammers Buddingh’, Vaandrager en Vroegindeweij, altijd Deelder, jarenlang Gerrit Komrij en Remco Campert. De Vijftigers keerden steeds terug (alleen Vinkenoog niet!), Kopland trad elf keer op, net als Judith Herzberg. Jonge dichters waren er ook altijd, al was het maar vanwege de uitreiking van de Buddingh’-prijs voor poëziedebuten, vanaf 1988.

‘Als ik nu aan Poetry denk, denk ik aan die stem van ­Brodsky’

Internationaal groeide de reputatie van Poetry. Een goed georganiseerd festival met dichters van hoog niveau, in een vrij land. ‘In een rijk land ook’, zegt dichter Arjen Duinker, die een paar keer op Poetry maar ook op veel andere festivals in de wereld stond (‘omdat ik altijd goeie vertalers heb gehad, dat is wel noodzakelijk wil je een kans hebben in het buitenland’). Hij was bijvoorbeeld in Medellín, op het immense poëziefestival in Colombia dat ooit werd opgericht als tegenwicht voor het dagelijkse geweld en dat sterke idealen en morele uitgangspunten heeft, maar natuurlijk geen geld. ‘Daar komen dichters omdat er het gevoel heerst dat poëzie betekenis heeft. In Nederland komen ze omdat de poëzie goed is, maar ook omdat alles goed georganiseerd is. Ik zat in Rotterdam ooit tijdens het slotdiner bij de Chinees naast de Mexicaanse dichter José Emilio Pacheco: ik heb zelden iemand zó zien eten.’ Volgens Duinker verschillen alle festivals erg van elkaar. Het ene is goed vanwege de keuze van de dichters, het andere vanwege de sfeer en de vriendelijke organisatie, het derde vanwege de entourage – ‘in Colombia lees je in een gigantisch theater of bij de ingang van een reusachtige fabriek; in Albanië heb ik ooit gelezen aan de voet van een standbeeld voor drie boerenfamilies; in Melbourne sta je midden tussen de jonge performancedichters.’

Vertaalproject Poetry International 1991 met Willem van Toorn (l), Bert Schierbeek (m) en Yang Lian © Robert de Hartogh

Wat in die internationale context precies de identiteit van Poetry is, is niet zomaar te zeggen. Kwakman benadrukt dat het de kwaliteit is, dat Poetry heel kritisch selecteert – maar dat doen vergelijkbare festivals in Londen en Berlijn ook. Het is hoe dan ook de historische reputatie: Poetry was een van de eerste, Mooij was een dichtersvriend die gasten vaak liet terugkeren, de politieke steun van de eregelden deed het aanzien goed. In de jaren negentig was Poetry in Rotterdam bovendien een van de grotere festivals, met zo’n veertig buitenlandse dichters en (later) slammers per jaar, een aantal dat inmiddels bijna gehalveerd is, onder andere door de bezuinigingsperikelen in de cultuursector.

Het is zeker ook de inmiddels volledig internationaal georiënteerde presentatie, de grote aandacht voor vertalingen. In het begin werden die vaak ter plekke en op het laatste moment gemaakt. Dichter-vertaler Jan Eijkelboom nam zijn eigen typemachine mee naar het festival om erop te werken, resultaten werden per dag gestencild en tot krantjes of boekjes ‘geraapt’. Tijdens het festival werd aanvankelijk met live vertalingen gewerkt; pas later met projecties.

Judith Herzberg: ‘Op een keer was een Chinese dichter aan het voorlezen, in de grote zaal. Iedereen zat keurig te luisteren, heel stil, tot er opeens iemand in het publiek als enige hard begon te lachen. Ik keek wie dat was: ook een Chinees. Die had iets gehoord dat niemand verder begreep. Grapjes kun je bijna niet vertalen.’

Dat zullen veel vertalers haar niet nazeggen en in zijn boek veegt ook Kwakman het aforisme van Robert Frost, ‘poetry is what get’s lost in translation’, resoluut van tafel: er gebeurt juist veel spannends wanneer je poëzie gaat vertalen. Het kan zowel rampzalig als inspirerend uitpakken. Zo stormde dichter Robert Anker ooit briesend het kantoor binnen om zijn beklag te doen over zijn vertaler (‘I have to smoothen it up’ had die gezegd; ‘Jij smoothent helemaal niets up’, riep Anker) terwijl aan de andere kant Judith Herzberg het ‘doorfluisterspel’ bedacht, een gedicht dat in estafette van de ene naar de volgende taal vertaald werd en weer terug naar de begintaal. Omdat tijdens Poetry zo zichtbaar werd hoe door het proces van vertalen betekenissen konden verschuiven. Voorbeeld van het resultaat van zo’n doorfluistering met Kouwenaars gedicht ‘men moet’: ‘men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters/ een harnas aanmeten’ werd ‘eenmaal nog moet men zijn zonen moed inspreken/ niet meer met hun meisjes te breken’.

In 1994 vierde Poetry zijn 25-jarig jubileum, groots, meer dan veertig festivaldichters traden op, Martin Mooij ontving een prijs, de koningin kwam. Twee jaar later werd Mooij opgevolgd door Tatjana Daan. Niet zonder strubbelingen, Kwakman vertelt in zijn boek hoe Mooij haar aanvankelijk aan een klein tafeltje achter zijn bureau wilde wegmoffelen, zoveel moeite had hij met het loslaten van ‘zijn’ festival. Daan herinnert zich dat hij zichzelf tegen die tijd als ‘de god van Poetry beschouwde en misschien zelfs als de god van de poëzie tout court’, wat het hem haast onmogelijk maakte een opvolger te accepteren. ‘Gelukkig was ik aangenomen om het roer om te gooien en omdat er al zoveel jaren een zelfde koers werd gevaren zag ik daarvoor allerlei mogelijkheden. Voor mij was het dus een dankbare taak.’

Tatjana Daan pakte door en veranderde binnen een paar jaar veel aan het festival. Het politieke moest eraf, het naar binnen gekeerde ook. ‘Ik trof een festival aan dat grote dichters had weten te programmeren maar een onderonsje was geworden en zijn subsidie dreigde te verliezen. Ik wilde literair hoogwaardige en publieksgerichte programma’s maken en tegelijk twee waardevolle eigenheden van het festival behouden, waarmee Poetry zich internationaal onderscheidde: de vertaalprojecten en de aandacht die er aan de vertalingen werd besteed. De simultane projectie van de vertalingen werd standaard. En alles werd ook in het Engels vertaald. Door dat laatste werd Poetry interessant voor een internationaal publiek, later ook virtueel dankzij Poetry International Web.’

Dat web, een nog steeds bestaand en dit jaar vernieuwd digitaal poëzieplatform, zette Poetry voor poëzielezers wereldwijd op de kaart. Kwakman vertelt hoe Daan en Arnolda Jagersma hun idee geplugd en omarmd zagen op een grote VN-conferentie in New York, alsof de toekomst van de poëzie opeens in Rotterdamse handen lag. Het was broodnodige digitale vernieuwing. In later jaren breidde Daan, samen met de toenmalige redacteuren Erik Menkveld en Janita Monna en partners NRC Handelsblad en nps, de activiteiten van Poetry uit met verdere maatschappelijke initiatieven: Gedichtendag en de Dichter des Vaderlands, geïnspireerd op de Engelse National Poetry Day en de Poet Laureate.

Onder Daan werd het festival gestroomlijnd, opengebroken en verder geprofessionaliseerd. Ruimte voor anarchie bleef er altijd wel een beetje, ook later. Tijdens een avond over ‘Het Heilige Boek’ in 2004 trok Jules Deelder publiekelijk van leer tegen de organisatie die hem bij dat thema niet had uitgenodigd, waarop hij driftig begon voor te lezen uit zijn bundel Bijbelsch: ‘want voorwaar ik zeg u dat geen/ dichter ooit zwaarder geschapen/ de Zangberg afdaalde dan hij/ met een lul van hier tot Den Haag’.

Toen Daan in 2003 naar Frankrijk vertrok werd ze opgevolgd door Bas Kwakman, die gestudeerd had aan de Rietveld Academie en nieuwe samenwerkingsprojecten met beeldend kunstenaars op poten zette. Hij trok in 2011 de organisatie van de VSB Poëzieprijs aan, die gekoppeld werd aan Gedichtendag en later de Poëzieweek. Wat bleef waren de optredens en vertaalprojecten, de zoektocht naar muziek die écht iets toevoegde, maar ook de subsidieperikelen en de wisselende bezoekersaantallen, het gemier om bestaansrecht. Wie zijn boek leest krijgt gaandeweg een visioen van een over de ganse aardbol vertakt netwerk van poëziefestivals vol hunkerende dichters, zichzelf feliciterende directeuren, onvertaalbare morele uitgangspunten en tegenstrijdige uitgangspunten. De blik van binnenuit. Maar hij schrijft ook, bijna ontroerend, over wat hij aantreft in andere landen, bijvoorbeeld op het grote festival in Colombia: ‘Hier in Medellín is de poëzie een halszaak. De stad bruist van dichters en politici die over elkaar heen buitelen, de krantenpagina’s vonken van poëzie en ik word, ondanks al mijn reserves, mijn ideeën over de rol van poëzie en mijn ergernis over alle eendimensionale, pamflettistische politieke verzen op dit festival, jaloers op een wereld waarin poëzie er werkelijk toe doet. Op de overtuiging dat poëzie iets kan veranderen.’

De manier waarop poëzie ertoe doet op een festival als het Rotterdamse is anders. Als ik rondvraag, lijkt het vooral de ervaring die de meesten hier cruciaal vinden. Remco Campert, die jarenlang samen met Geert Lubberhuizen de grote zaalprogramma’s presenteerde en de ‘Poetry National’-avonden samenstelde, zegt: ‘Als ik nu aan Poetry denk, denk ik aan die stem van Brodsky. Dat galmende, Russische geluid. Dat kippenvel.’ Fotograaf Vandermeer buigt zijn hoofd voorover als ik vraag wat het meeste indruk op hem maakte in al die jaren: ‘Dat moment dat ineens het kippenvel vanuit je schouders over je nek liep.’ Tot de beste herinneringen van Tatjana Daan behoren ‘al die momenten dat je betoverd en met gespannen aandacht zat te luisteren en diezelfde betovering en gespannen aandacht ook in het publiek voelde.’

In de recente bloemlezing De mooiste gedichten van de wereld schrijft voormalig Dichter des Vaderlands Anne Vegter over de verpletterende indruk die een optreden van de Canadese dichter Anne Carson tijdens Poetry op haar maakte. ‘Aan tafel, achteraf, kon ik Carson bijna aanraken maar ik durfde natuurlijk niet. Ik durfde nauwelijks te eten in haar buurt. Ik was een groupie geworden. Een kinderlijk machteloze bewonderaar. Ik moest het allemaal nog lezen en leren. Schrijven en leven. Heel af en toe is poëzie ontwrichtend. Voor minder moet het maar niet.’


poetry.nl/nl/festival; poetryinternational.org; De menselijke stem: 25 jaar Poetry International, Walburg Instituut, 1994; Bas Kwakman, In poëzie en oorlog: Vijftig jaar Poetry International, De Arbeiderspers, 2019; De mooiste gedichten van de wereld: 50 dichters kiezen hun favoriete gedicht uit de schatkamers van Poetry International, Podium, 2019