In het spoor van Luis Vives’ Secours van den Aermen

Goedertierenheid van de staat

Onder invloed van het humanisme begonnen rond 1500 in de Nederlanden stedelijke besturen de armenzorg over te nemen van de kerken. Met in de hoofdrol de vroege Spaanse humanist Juan Luis Vives.

Medium pieter bruegel de oude de kreupelen

In 1526 verscheen in Brugge van de hand van de Spaanse schrijver Juan Luis Vives een boekje dat de faam heeft de kijk op armenzorg ingrijpend veranderd te hebben. Meer nog, volgens de Canon Sociaal Werk Nederland formuleerde Vives in dit boekje ‘als eerste op een systematische wijze de principes die ten grondslag liggen aan een activerende verzorgingsstaat’. Al lijkt dit wat overdreven, De subventione pauperum, in de (eerste) Nederlandse editie uit 1533 vertaald als Secours van den Aermen, is niet alleen een basistekst in het debat over liefdadigheid, maar staat ook voor een keerpunt tussen middeleeuwse en meer moderne gedachten over dit verschijnsel. Hiervoor zijn twee redenen. De ene is dat middeleeuwse liefdadigheid overwegend religieus van aard was en moderne liefdadigheid overwegend politiek is. De andere reden dat Vives’ boekje op de grens van twee werelden staat is dat het in het ene geval volledig om het goede hart van de gever gaat en in het andere geval ook om zijn plichten, dan wel om de rechten van de ontvanger.

In elk geval werden de gedachten van Vives destijds als zo vernieuwend ervaren dat zijn boekje op verschillende plekken werd uitgegeven (Parijs, Leuven, Straatsburg, Venetië, Bazel) en heel wat stedelijke besturen, ja zelfs de grootste machthebber van zijn tijd tot daden aanzette. In 1531 vaardigde Karel V, daartoe mede geïnspireerd door Vives, samen met zijn zuster Maria van Hongarije het eerste ‘Eeuwig Edict’ uit, een regeling voor het bestuur van Nederlandse gewesten en steden. Een van de daarin genoemde bepalingen heeft betrekking op de stichting van een ‘Gemene Beurs’, een armenfonds. Feitelijk was dit een eerste proeve van sociale wetgeving. Voorzover te achterhalen werd hieraan in elk geval in Gent (1535), Breda (1536), Antwerpen (1540), Leuven (1541) en Mechelen (1545) gehoor gegeven terwijl Brugge en Rijsel (Lille) mede naar aanleiding van Vives’ tekst al eerder actie hadden ondernomen.

Dat een armenfonds in de Middeleeuwen niet bestond, heeft minstens twee verklaringen. De eerste is van sociaal-economische aard. Bijna iedereen was destijds arm tot zeer arm en de weinige rijken hadden met de armen nauwelijks of geen contact. Steden bestonden natuurlijk wel, maar niet in de mate als vanaf de zestiende eeuw. De samenleving was agrarisch. De rijken konden het zich dus permitteren over de minder fortuinlijken de schouders op te halen.

Dat ze dit lang niet altijd en zeker niet al te openlijk deden komt – tweede verklaring – doordat de kerk op alle gebied het voortouw had. Dat gold zeker voor klassiek christelijke waarden als liefdadigheid en barmhartigheid. Alom werd dan ook naar dergelijke waarden verwezen, in literatuur, beelden, schilderijen, gebouwen, preken. Denk alleen maar aan de vele voorstellingen van Sint Maarten en de Barmhartige Samaritaan, aan de talloze ziekenhuizen die door weldoeners werden opgericht en aan de voortdurende nadruk in gesproken en geschreven teksten op de plicht om Christus na te volgen. Bij dit alles werd steeds de klemtoon op de weldaad van de gever gelegd. Dat die weldaad vaak ingegeven was door eigenbelang werd zelden met zoveel woorden gezegd. Maar zo was het wel. Rijken vermaakten een deel van hun erfenis aan een liefdadige onderneming vanuit de gedachte dat de betrokkenen voor hun zielenheil zouden bidden, dat zou voor een goede of in ieder geval betere eeuwigheid zorgen.

Een en ander veranderde in de latere Middeleeuwen. De rol van de kerk en de gedachten over het geloof veranderden. Steden groeiden. Er ontstond zoiets als een burgerij. De afstand tussen arm en rijk nam af. De bevolking nam toe. Zo ook de mobiliteit. In toenemende mate ontstond er een wereld van stedelingen die in de mensgemaakte omgeving hun weg moesten zien te vinden. Velen vielen tussen wal en schip. Hierdoor kampten vroegmoderne steden met een groeiend percentage zwervers, bedelaars en andere overtolligen. Wat daarmee, wat daartegen te doen?

Luis Vives behoorde tot een ongeordende groep Europese denkers die op het breukvlak van Middeleeuwen en moderne tijd botsten met de op dat moment dominante normen en vormen. Veelal wordt deze groep ‘humanisten’ genoemd. (Renaissance-)humanisten hadden in vergelijking met hun voorgangers en rivalen meer oog voor aardse (menselijke, humane) zaken, voor individu en samenleving, voor politiek en economie, voor heden en verleden, voor onderzoek, voor cultuur, natuur en andere zaken die niet per definitie in het teken van religie, kerk en eeuwigheid stonden. Humanisten oriënteerden zich daarom liever op klassieke dan op middeleeuwse teksten. Dit deden ze niet alleen omdat ze in de Oudheid geïnteresseerd waren, maar ook, en in sommige gevallen zelfs vooral (Erasmus!), omdat ze terug wilden naar de oorspronkelijke kerk. Net als de bijbel dateerde deze immers uit de Romeinse tijd.

Dergelijke gedachten waren ook eigen aan Juan Luis Vives, een man afkomstig uit een familie van bekeerde Spaanse joden. Omdat dergelijke bekeerlingen in het land van de Inquisitie hun leven niet zeker waren, emigreerden velen naar elders. Vives vertrok in 1509, zeventien jaar jong, naar Parijs, enkele jaren later naar Brugge. Uiteindelijk werd dit de stad waar hij zich het meest thuis voelde, waar hij zijn belangrijkste werken schreef en waar hij in 1540 stierf.

Gedurende een eeuw of twee was Brugge de belangrijkste stad van de Nederlanden geweest en een knooppunt tussen oost (Duitsland) en west (Engeland) en tussen noord (Scandinavische landen) en zuid (Italië, Spanje). Maar onder meer door de verzanding van zeearm het Zwin, een langdurig conflict met Maximiliaan van Oostenrijk, de concurrentie van Antwerpen en een crisis in de lakenindustrie raakte Brugge zijn vooraanstaande positie eind vijftiende eeuw kwijt. Men deed al het mogelijke om het tij te keren en dat leek aanvankelijk ook te slagen (met als gevolg een nieuwe stroom migranten), maar uiteindelijk waren de pogingen tevergeefs. Brugge zou er nooit meer bovenop komen. Voordeel daarvan is dat de stad niet in de vaart der volkeren werd opgenomen en tot op de dag van vandaag zijn toenmalige pracht heeft bewaard.

Steden kampten met een groeiend percentage zwervers en andere overtolligen. Wat daarmee, daartegen te doen?

Door het verval kampte Brugge begin zestiende eeuw met een wellicht nog groter contingent armen dan andere steden. Hoeveel dat er waren in het jaar dat Vives zijn boekje publiceerde, weten we niet. Door toeval weten we wel hoeveel het er achttien jaar later, in 1544, waren: 7696 op een bevolking van dertigduizend, bijna 25 procent dus. Overigens is dat geen opmerkelijk cijfer. Uit andere steden is een vergelijkbaar percentage bekend: gemiddeld een kwart van de stedelijke bevolking was arm.

Arm zijn was tot diep in de moderne tijd nog pijnlijker dan tegenwoordig. Letterlijk – arm betekende immers vaak ook ziek. Armoede was verbonden met kleine criminaliteit, de arme leed onder moordende concurrentie en worstelde met volstrekte uitzichtloosheid. Nogal wat armen uit de Zwinstreek, zo weten we uit aantekeningen van de Brugse hoofdleprozerie te Koekelare, deden hun best om voor melaats door te gaan. Dat bracht voordelen met zich mee. Je werd voorzien van een document en kreeg rechten. Nadeel was dat melaatsen verplicht werden bij elkaar te leven en lepra besmettelijk is. Maar blijkbaar was dat te verkiezen boven armoede zonder meer. Het tekent de wanhoop van destijds.

Die wanhoop laat zich ook aflezen uit cijfers over het grote aantal mensen dat de laatste uitweg koos: zelfmoord. Wordt zo’n daad ook tegenwoordig als vreselijk ervaren, destijds was er nauwelijks een pen die haar durfde te beschrijven. Zelfmoord werd als zo slecht gezien dat het regelmatig voorkwam dat de doden na hun daad door de straten werden gesleept of aan een paal werden gehangen en tentoongesteld. Ook werden hun bezittingen, voorzover aanwezig, verbeurd verklaard. Normaal begraven werden zelfmoordenaars al helemaal niet. Voor hen was heilige grond verboden terrein. Zij werden neergekwakt op een galgenveld of een andere plek waar zo weinig mogelijk mensen kwamen.

Niettemin werden in Brugge in de vijftiende eeuw (1385-1500) 81 zelfmoorden geregistreerd. De gevallen waarvan we het meest weten zijn niet die waar armoede in het spel was; de nabestaanden hadden geld genoeg om ervoor te zorgen dat de baljuw in zijn rapport andere redenen voor de dood opgaf. Maar van verreweg de meeste van die 81 gevallen weten we weinig tot niets. Zij zijn een nummer, meer niet. Er is weinig reden te veronderstellen dat achter die kale informatie iets anders schuilgaat dan doffe ellende, diepe armoede en vreselijke ziekte.

Het was dergelijke ellende die de grootbaljuw van Brugge, Lodewijk van Praet, ervan overtuigde dat er iets moest gebeuren. Maar wat? Alles stond en viel met een plan. Aan wie kon hij dat vragen? Het antwoord lag voor de hand.

Luis Vives had na zijn vertrek uit Spanje snel carrière gemaakt, vreemd genoeg niet door zijn geschriften maar door zijn contacten. Toeval speelde hierbij een doorslaggevende rol. In 1516 werd de Nederlandse Karel, zoon van een Oostenrijkse prins en een Spaanse prinses, koning van het Spaanse rijk. Vanaf dat moment stonden Spanje en de Nederlanden nauw met elkaar in contact. Dat contact legde een in de Nederlanden wonende Spanjaard geen windeieren. Het was mede om die reden dat Vives al in 1516 aan het hof van Karel in Brussel verbleef en het jaar daarop huisleraar werd van de Nederlandse edelman die in datzelfde jaar, twintig jaar jong, aangesteld werd als aartsbisschop van het belangrijkste Spaanse bisdom, Toledo. Eenmaal zo diep doorgedrongen in het hart van de Nederlandse elite kon Vives’ carrière niet meer stuk, en dat terwijl zijn eerste publicatie nog moest verschijnen, dat gebeurde in 1519.

Ondertussen raakte hij ook nog bevriend met belangrijke humanisten als Erasmus, Thomas More en Guillaume Budé en werd hij in 1522 zelfs aangesteld als huisleraar van de Engelse kroonprinses, de latere Bloody Mary. Weliswaar liep deze klus in het honderd omdat Vives in het conflict tussen Mary’s ouders de kant van de Spaanse Catharina koos (tegen de veel machtiger Hendrik VIII), maar op dat moment (1528) had hij het al zo ver geschopt dat het conflict hem nauwelijks nog kon deren. Te meer omdat hij ondertussen gepromoveerd was, in Oxford, en bekend stond als auteur van een groeiend aantal geschriften.

Verschillende daarvan baarden opzien vanwege hun vernieuwende gedachten – en dat in een tijd waarin de wereld om vele redenen, van beginnende Reformatie tot internationale ontdekkingen en van staatsvorming tot kunstzinnige experimenten, op z’n kop stond. Vives kon in die omgekeerde wereld blijkbaar goed uit de voeten. Hij dacht, modern gezegd, out of the box.

Armoede was verbonden met kleine criminaliteit, de arme worstelde met volstrekte uitzichtloosheid

Dat is ook precies wat de Brugse bestuurders van een geschrift over armoede verwachtten. Ze werden niet teleurgesteld, vooral niet omdat Vives zich in de lijn van het humanistische denken verzette tegen de gedachte dat liefdadigheid louter een kerkelijke of eventueel individuele aangelegenheid was. Ze was ook zaak van de staat, stelde hij. Maar Vives beperkte zich niet tot gefilosofeer. Hij deed ook concrete voorstellen. Zo stelde hij voor dat het stadbestuur twee schepenen (‘senatores’) benoemde die verantwoordelijk waren voor de armenzorg. Zij moesten om te beginnen maar eens inventariseren om hoeveel mensen het ging. Je ziet: humanisten waren praktisch en wetenschappelijk, niet kletsen maar doen, in dit geval: onderzoeken! Diezelfde schepenen hadden volgens Vives de taak bestaande instellingen te inspecteren en eventueel te hervormen.

‘Niemand zet vraagtekens bij de statuten die opgesteld zijn door de stichters van de liefdadigheidsinstellingen’, schreef Vives, ‘maar er is geen twijfel mogelijk dat de nalatenschap op de best mogelijke manier verdeeld moet worden.’ Het lijkt een evidentie. Het is het niet. Want door de inmenging van de staat werden bestaande instellingen aangepakt. Dat maakte zittende bestuurders, vaak afkomstig uit kerkelijke gelederen, niet vrolijk. Vooral niet omdat Vives, geheel in de lijn van Erasmus en andere ‘protestanten’, vraagtekens zette bij de goedertierenheid van monniken, priesters en anderen die nauw bij de kerk betrokken waren. Er was, aldus de boodschap, meer eigenbelang in het spel dan zij deden voorkomen.

Vives ging nog verder en stelde voor de individuele en kerkelijke regelingen voor armenzorg van de stad als één geheel te zien. Goede organisatie, lees centralisatie door de overheid, zou in het voordeel van allen zijn. Dat was vanzelfsprekend tegen het zere been van kerk en particulieren.

Maar niet alleen instellingen en hun bestuurders, ook de armen moesten volgens Vives aangepakt worden. Wie ziekte veinsde moest gestraft worden. Werken was verplicht. Wie niets kon, werd opgeleid. Niemand mocht tussen wal en schip vallen. Ook kinderen niet. Ze moesten een vak leren, onderwijs krijgen, leren vroom te zijn. Ook dat moest weer door de plaatselijke overheid gecontroleerd worden. Middelen hiertoe waren er volgens Vives voldoende, het ging er vooral om die middelen beter en efficiënter in te zetten.

Niets vreemds zouden wij zeggen. Toch werd het destijds wel als zodanig ervaren, vooral omdat het goed paste bij de protestantse kritiek op het kerkelijk monopolie, bij het humanistische vertrouwen in opvoeding en bij de gedachte dat de staat een ordenende functie had. Vandaar ook dat de opvattingen van Vives in de protestantse landen, de noordelijke Nederlanden voorop, relatief veel effect sorteerden. Althans…

In 1577 stelde de stadssecretaris van Leiden, Jan van Hout, beroemd vanwege zijn optreden tijdens het enkele jaren tevoren plaatsgevonden beleg, een Armenrapport op. Het was bedoeld als discussiestuk voor de vroedschap en bevatte tal van praktische voorstellen, zoals de oprichting van één fonds waaruit alle armen bedeeld moesten worden. Dat fonds moest beheerd worden door de stad. Ook meende Van Hout, zeer ‘liberaal’, dat de zorg niet alleen voor protestanten maar ook voor katholieken bedoeld was. Verder verzette hij zich tegen misbruik in de traditionele armenzorg en tegen bedelarij. Wie niet wilde werken, moest gestraft of verbannen worden. Wie van de maatregelen misbruik maakte, werd hard aangepakt.

Hoezeer het voorstel van Van Hout ook lijkt op dat van Vives, directe invloed is nooit bewezen. Beide mannen waren humanisten. Zij deelden dus een wereldbeeld en hadden vermoedelijk ook veel van dezelfde teksten gelezen. Meer is niet bekend.

Wel bekend is dat de voorstellen van Van Hout (en dus eventueel ook van Vives) vanaf de laatste decennia van de zestiende eeuw in steeds meer Hollandse steden aanvaard werden, met als gevolg een afnemende rol van de diaconie en een toenemende rol van het stadsbestuur. Je kunt deze verandering toeschrijven aan ideeën als die van Vives. Maar vermoedelijk is het juister om te stellen dat de denkbeelden van Vives passen in een ontwikkeling waarin de rol van de politiek toenam en die van de kerk afnam. Het duurde nog lang tot de verhoudingen daadwerkelijk omgedraaid waren, maar het begin van de omkeer ligt duidelijk ergens aan het begin van de zestiende eeuw, bij het humanisme en het Secours van den Aermen van Luis Vives.


Beeld: Pieter Bruegel de Oude, Kreupelen, 1568. Olieverf op paneel, 18x22cm (Louvre)