Optimisten versus pessimisten

Goedgemutst ten onder

19 september 2019De Groene heeft zich aangesloten bij Covering Climate Now, een initiatief van de Columbia Journalism Review. Naast de publicatie van een aantal nieuwe verhalen brengen we ook een aantal eerdere klimaatstukken opnieuw onder de aandacht.

Hoewel half Nederland eerdaags best wel eens in zee zou kunnen verdwijnen, melden onderzoeksbureaus dat we een uitermate gelukkig volk zijn. Het geluk is voor de dommen, weet de pessimist.

Pessimisme is onuitstaanbaar en irritant. Maar het is ook onontkoombaar en zelfs onmisbaar. Het dient als broodnodige correctie op het optimisme. De optimist zegt dat alles een reden moet hebben. Op de simpele vraag waarom we bestaan, antwoordt de optimist dat we bestaan om gelukkig te zijn. Pessimisten ontkennen dat. Ze zeggen dat we gewoon bestaan. Punt uit. Er is verder geen enkele reden om te bestaan. Zo’n standpunt is ergerlijk, maar voorkomt teleurstellingen. Anders dan optimisten zijn pessimisten onschendbaar. Iemand die ervan uitgaat dat het slechtste – pessimus in het Latijn – altijd op de loer ligt, krijgt van zijn of haar medemensen te horen dat het zo’n vaart niet zal lopen, dat we niets hebben aan doemdenken en dat we beter het vizier voorwaarts kunnen richten. Daarom verdedigt de pessimist ook nooit het pessimisme. Hij weet dat het geen zin heeft. Altijd moet er in het slechtste en het zwartste, dat ons vanuit allerlei hoeken en gaten bespringt, wel een lichtpuntje te vinden zijn, hoe minuscuul ook.

Een interessant voorbeeld van deze houding trof ik recentelijk aan in het boek The Uninhabitable Earth van de Amerikaanse journalist David Wallace-Wells. Deze schrijver heeft geprobeerd de mogelijke schade van klimaatverandering minutieus in kaart te brengen. De lezer krijgt het ene horrorscenario na het andere voorgeschoteld: hele wereldsteden zullen onder water lopen, gebieden zullen zo warm worden dat niemand er nog kan wonen, nieuwe epidemieën zullen onvermijdelijk zijn en orkanen van een ongekende kracht zullen allereerst de zwaksten en uiteindelijk iedereen bedreigen. Wallace-Wells wordt niet moe om te benadrukken dat hij niets anders doet dan wetenschappelijke publicaties samenvatten. Een uitvoerig notenapparaat dient als bewijs, maar moet de lezer er ook van overtuigen dat hier geen apocalyptische of gnostische doemprofeet aan het woord is. Tot de lezer spreekt niets minder dan die wetenschap.

Toch geeft de auteur blijk van het besef dat diezelfde lezer misschien niet is opgewassen tegen zoveel wetenschappelijk verantwoord onheil. Iets voorbij de helft van het boek feliciteert hij de lezer die zo dapper is dat hij of zij alle ellende tot dusver tot zich heeft genomen. Zoiets is kennelijk een felicitatie waard. Al eerder legt Wallace-Wells uit dat hij, ondanks alles, een optimist is. Waarom? De aap komt snel uit de mouw. Hij blijkt de vader te zijn van een jonge dochter. In welke wereld, moet hij hebben gedacht, hebben de jonge ouders hun meisje neergezet? In een wereld waarin de mensheid, en zij dus ook, gaat werken aan het ‘grootste verhaal ooit’. Een verhaal, zo voegt hij eraan toe, dat ook zomaar goed af kan lopen.

Papa’s mogen dus geen pessimisten zijn. Politici ook niet. Misschien is dat een reden waarom die politici, als het om zaken als het klimaat gaat, de kop zo hardnekkig in het zand steken. Je krijgt immers geen handen op elkaar als je als politicus doemboodschappen verkondigt. Trouwens, precies dit leidt onder veel wetenschappers die zich met klimaatverandering bezighouden tot een afgrondelijk pessimisme over de aard van democratische politiek. Men kijkt vol verwachting naar maatregelen die mijnheer Xi de komende jaren in China zal gaan nemen om het klimatologische onheil te bestrijden. Hij kan immers daadkrachtiger ingrijpen dan onze zieltogende politici die zich altijd democratisch moeten verantwoorden. In tijden van een zich reeds voltrekkende klimaatcatastrofe is er geen reden blij te zijn met die inefficiënte democratie.

***

Papa’s mogen geen pessimisten zijn, schreef ik zojuist. Hoe zit het met de mama’s? Van het hele arsenaal filosofen of schrijvers dat doorgaans met pessimisme in verband wordt gebracht, kun je meestal één ding met zekerheid zeggen: ze hebben zonder uitzondering een problematische verhouding tot vrouwen. Je zou bijna geneigd zijn om niet de huidige klimaatperikelen als belangrijkste oorzaak te noemen van het pessimisme van deze mannen, maar de beroerde verhouding die ze hadden met vrouwen en, inderdaad, met hun moeders. Men leze de biografieën van dezulken als Schopenhauer en Nietzsche.

In het algemeen denkt de pessimist – en ik ga er nu even vanuit dat dit inderdaad een manspersoon is – dat de vrouw te dom is voor pessimisme. Een hoop mannen zijn ook te dom, maar de vrouw in het bijzonder. Neem de beroemde Oostenrijkse schrijver Robert Musil (1880-1942). Hij gaf in 1937 in Wenen een lezing over de domheid van zijn tijd. De dames in de zaal kregen op een gegeven ogenblik het volgende te horen: ‘Wij allen, echter vooral wij mannen en in het bijzonder alle bekende schrijvers onder hen, kennen die ene dame wel die ons beslist de roman van haar leven zou willen toevertrouwen omdat haar ziel zich klaarblijkelijk steeds in interessante omstandigheden bevond, zonder dat dit overigens tot succes leidt, want succes verwacht ze pas van ons. Is deze dame dom? Iets wat uit de veelheid van indrukken ons steeds weer influistert: ja, ze is dom!’

Musil is een buitengewoon gewaardeerd en subtiel auteur die het beroemde en sombere meesterwerk De man zonder eigenschappen schreef. Waar komt uitgerekend bij hem de wens vandaan om ferme taal over vrouwen te bezigen? De grote schrijver, die als geen ander de burgerij en het kleingeestige nationalisme van zijn tijd bekritiseerde, gaat helemaal los. Hij stelt onomwonden dat ‘wij mannen’ slechts uit beleefdheid en een bepaald gevoel voor recht niet zeggen wat we eigenlijk hardop zouden moeten zeggen, namelijk dat vrouwen gewoon te dom zijn. De grote schrijver wil kennelijk zelf met alle plezier het voortouw nemen. ‘Niets is zo dom als een kunstenares’, zegt hij even later. In zijn achteloze plezier vergeet hij gemakshalve dat hij door dit soort uitspraken net zo dom wordt als de burgerij die hij wenst te bekritiseren. Vrouwen, schrijft de Amerikaanse filosofe Avital Ronell in een bijtend commentaar, zijn kennelijk in staat een diep soort saamhorigheid tussen de mannenbroeders mogelijk te maken. Eensgezind roept het manvolk: we kunnen het erover eens zijn dat vrouwen dom zijn.

Daarom zijn vrouwen uiteindelijk gelukkiger dan mannen. Een andere hartgrondige pessimist, Emil Cioran (1911-1995), verbindt de bekoorlijkheid van de vrouw met haar onvermogen tot pessimisme. Die bekoorlijkheid, zo stelt hij, moet je zien als een vorm van tevredenheid en zelfs als een vorm van geluk. Bekoorlijkheid kent immers geen afgrond of agonie. Vrouwen zijn gelukkiger dan mannen, niet omdat ze geen ellende meemaken maar omdat ze ondanks al die ellende vasthouden aan die bekoorlijkheid. Ook nu komt een aap uit de mouw: achter die bekoorlijkheid gaat, zo weten alle mannen, natuurlijk wel een soort achterlijkheid schuil. De vrouw is naïef en alleen hierdoor weet ze een soort ‘oppervlakkige evenwichtigheid’ te bereiken, waar tragische en gevaarlijke spanningen helemaal niet voorkomen. Vrouwen worden aldus gevrijwaard van pessimisme, omdat hun leven nu eenmaal minder diepzinnig en intens verloopt. Ze bevinden zich, in woorden van Musil, nu eenmaal niet in ‘omstandigheden’ die ‘interessant’ genoeg zijn.

***

Hoewel de pessimist zijn eigen positie nooit kan verdedigen – ook hij kan niet zonder lichtpuntjes – denkt hij wel van zichzelf dat hij slim is terwijl de meeste anderen, misschien zelfs alle anderen, dat niet zijn. Wallace-Wells verschilt hierin niet van Musil en Cioran. De journalist schrijft de domheid toe aan visie-arme politici, kortzichtige managers en onnadenkende consumenten. Allen lijden volgens hem aan een acuut gebrek aan verbeeldingskracht. Bij de andere twee schrijvers is het niet anders. Als de feminiene helft van de mensheid sowieso dom of naïef is, dan hoeven die enkele mannen die alles wel doorzien echt niet te rekenen op verlossing.

Maar hoe slim is de pessimist nou echt? Wie de wereld doorgrondt, opent de poort naar zijn eigen ongeluk

Maar hoe slim is die pessimist nou echt? Wie de wereld doorgrondt, opent de poort naar zijn eigen ongeluk. De Amerikaanse filosoof Eugene Thacker definieert de pessimist als iemand die een hekel heeft aan het woord ‘alsof’. We doen bijvoorbeeld net alsof we kunnen weten hoe het klimaat er over dertig jaar uitziet, we doen net alsof er technische oplossingen zijn en zelfs een sombere auteur als Wallace-Wells doet net alsof hij een bijdrage levert aan het grootste verhaal dat de mensheid ooit gaat vertellen en dat zijn dochter, straks in ieder geval een volwassen vrouw, gaat afschrijven. De lichtpuntjes, waar ik het eerder over had, zijn dus allemaal ‘alsofjes’. Ons hele leven is ervan doorspekt. Ik doe net alsof ik werken op een universiteit altijd leuk vind, alsof het altijd goed met me gaat of alsof ik daadwerkelijk geloof dat het met iedereen die ik liefheb goed zal komen. Optimisten koesteren die ‘alsofjes’. Pessimisten zien de ellende en de ondergang dapper in het oog. De prijs die zij daarvoor betalen, is een bodemloos ongeluk, dat ze echter als dappere mannen zullen dragen.

Er schuilt een subtiele moeilijkheid achter deze overwegingen die ons voorbij tamelijk kinderachtig seksisme voert. De Duitse filosoof Hans Blumenberg (1920-1996) beweerde ooit dat er in de moderne tijd een enorme kloof is ontstaan tussen kennis en geluk. Anders gezegd, in onze tijd is het niet langer gegarandeerd dat de bevrediging van theoretische nieuwsgierigheid tot geluksgevoelens leidt. Sterker nog, de ‘antithese van nieuwsgierigheid en levensgeluk’ zorgt ervoor dat veel mensen zich afwenden van alle vormen van wetenschap en waarheid. Als kennis betekent dat je de horror van klimaatverandering onder ogen moet zien, dan is het logisch dat veel mensen denken dat het voor hen niet hoeft. Zie daar de diepere reden waarom Wallace-Wells zijn lezers bedankt.

Die antithese heeft niet altijd bestaan. Integendeel. Toen de oude Griekse filosoof Anaxagoras (500-428 voor Christus) eens de pessimistische vraag werd gesteld of hij er de voorkeur aan gaf geboren of niet geboren te zijn, antwoordde hij dat hij vanzelfsprekend aan het eerste de voorkeur gaf. Op de vraag waarom, gaf hij het volgende antwoord: ‘Om de hemel te kunnen beschouwen en de ordening van het heelal.’ De mens was ooit een contemplator coeli, een beschouwer van het hemelse. Dat was voldoende voor een permanent soort geluksgevoel.

Het is opvallend hoe Blumenberg dat geluksgevoel psychologisch verklaart. Juist omdat de mens nooit in staat zal zijn die kosmos te doorgronden of te begrijpen, kan hij zijn bestaan rechtvaardigen. Juist omdat die kosmos zo onbereikbaar is, ontstaat de magnetische kracht die ervan uitgaat en daarmee komt ook het inzicht dat dit sieraad – ‘kosmos’ is ook het Griekse woord voor sieraad – ons iets biedt wat het leven niet kan bieden. De antithese van onze tijd, die tussen nieuwsgierigheid en levensgeluk, was bij de Grieken onbekend. Ze zagen een heel andere antithese, namelijk die tussen wereldoptimisme en levenspessimisme. Dat voor de Grieken het leven van ieder mens diep en diep tragisch was, daarover zijn boeken volgeschreven. Grieken – dat waren doorgewinterde morele pessimisten. Ze compenseerden dat met een overdonderend metafysisch optimisme. Juist voor wezens die geen makkelijk leven hebben, komt de kosmos als een soort mazzeltje. ‘De kosmos’, schrijft Blumenberg in Die Genesis der kopernikanischen Welt (1975) ‘is het gelukje voor de mens, ook al is ze niet voor de mens.’

Het was bij de Grieken dus omgekeerd aan hoe het bij ons was ons. Waar de moderne mens ervoor kan kiezen de wereld niet te willen zien om zo het kleine levensgeluk in stand te houden, daar kiezen de Grieken ervoor de wereld wel te zien, omdat dit het enige antwoord is op een leven dat onvermijdelijk tragisch gaat verlopen. Aan het begin van de moderne tijd schreef Blaise Pascal (1623-1662) dat ‘de stilte van de oneindige ruimtes hem angst inboezemde’. Hij gaf er de voorkeur aan om in zijn kamer te blijven zitten. Alle problemen van de mensheid vloeiden immers voort uit het feit dat de mens niet stilletjes in zijn kamer kon blijven zitten. Zoiets zouden de Grieken nooit hebben beweerd. Wij zijn wat dat betreft niet langer hun erfgenamen, maar die van Pascal.

Enigszins chargerend zou je kunnen zeggen dat we wereldpessimisten en levensoptimisten zijn geworden. In termen die ik eerder gebruikte: we weten metafysisch pessimisme naadloos te koppelen aan moreel optimisme. Geen wonder dat we ons graag blijven afwenden van de wereld om onze eigen leventjes in ieder geval nog enigszins te beschermen. Terwijl de zeespiegel steeds verder stijgt en mensen als Wallace-Wells verkondigen dat Amsterdam eerdaags in de zee zal verdwijnen, melden onderzoeksbureaus dat we een van de gelukkigste volkeren op de planeet zijn. De pessimist weet echter beter: het geluk is voor de dommen.

Nu zal de lezer mij voorhouden dat waar de Grieken misschien nog een kosmisch sieraad zagen, wij niet meer zoiets fraais zien. De wetenschap is veranderd. Wat we nu zien, zo maakt Wallace-Wells duidelijk, is dreiging en horror. Als één ding door de hedendaagse wetenschap duidelijk wordt gemaakt, dan is het wel dat we steeds minder van de wereld begrijpen en dat ze een plek is die er niet voor ons is. De oude paradox dient zich keer op keer aan: hoe meer we weten, hoe minder we weten. Dit is waarom religieuze mensen vanouds een wantrouwen hebben tegen mensen die pretenderen de wereld wel te kunnen begrijpen. Steeds weer kom je dit oude thema in de religie tegen: scientia _auget__ dolorem_ – weten vermeerdert de smart.

Iedere poging om de wereld vanuit een coherente invalshoek te begrijpen, loopt op niets uit. Ook de pessimist weet dit. Daarom mijdt hij ook iedere coherentie. Ze is een vals ‘alsof’. Eerder zei ik al dat de pessimist zichzelf niet kan verdedigen. Hij weet dat zijn positie onhoudbaar is. Of het nu over het klimaat gaat, over de natuur van vrouwen of over de ijdelheid van het weten, alles wat hij zegt kan moeiteloos worden verworpen. En toch zegt hij het. Sterker nog, hij gelooft dat er een waarheid zit in wat hij zegt. Of liever, hij hoopt dat in wat hij zegt een residu van waarheid schuilt.

De moderne mens kan ervoor kiezen de wereld niet te willen zien om zo het kleine levensgeluk in stand te houden

Waarheid? Hoop? Het ergerlijke van pessimisten is dat ze een geheime relatie tot die waarheid claimen en die vervolgens ontzeggen aan de optimisten. Daarom zijn optimistische denkers als Steven Pinker of, dichter bij huis, Maarten Boudry of Ralf Bodelier, ook zo verontwaardigd over de pessimisten. Ze worden door die laatsten steevast afgeschilderd als naïevelingen of zelfs als leugenaars die voortdurend met ‘alsof’-trucjes komen. Helemaal aan het einde van zijn Verlichting nu (2018), een grote lofzang op humanisme en optimisme, roept Pinker zijn lezers letterlijk op het pessimisme te mijden: ‘Verwar pessimisme niet met diepzinnigheid of wijsheid: problemen zijn onvermijdelijk, maar ze zijn ook op te lossen, en pessimisme is een goedkope poging om serieus te worden genomen.’ Maar wil iemand die bewust kiest voor incoherentie wel serieus worden genomen? Optimisme is veel serieuzer dan pessimisme. Aan vrede, liefde en begrip, redeneert Pinker vlak na de zojuist geciteerde passage, is niets grappigs. Ernst is de schaduwzijde van het optimisme.

De pessimist maakt er gehakt van. Hij gaat te werk met een totaal gebrek aan discipline. Zijn schrijfstijl is niet voor niets bij voorkeur aforistisch. In een wereld die onvermijdelijk de slechte kant uit gaat en die doof is voor onze wensen, is de zinrijke spreuk het enige wat iemand nog vermag te zeggen. En hij kan het zeggen zonder dat hij rekening hoeft te houden met wat hij gisteren zei. De eerder genoemde Cioran lapt alle coherentie aan zijn laars. ‘Wie bekommert zich’, schrijft hij, ‘over een idee dat we een dag eerder hadden? Na iedere nacht zijn we niet meer dezelfde, we belazeren de kluit als we de klucht van continuïteit blijven spelen. Het fragment, hoewel ongetwijfeld een teleurstellend genre, is wel het enige eerlijke.’

Hoe ergerlijk is dit? Cioran verwerpt ieder pretentie van coherentie, maar claimt tezelfdertijd een moreel superieure positie: eerlijk zijn en erkennen dat we nooit hetzelfde denken als gisteren en zelfs dat we niet zijn wie we gisteren waren. Er is achter alles wat we tegen de dove werkelijkheid inbrengen geen subject, geen persoon of geen auteur. Dit zijn allemaal humanistische ‘alsofjes’: personages in een stupide klucht. Elk bezwaar dat de zojuist genoemde optimistische filosofen inbrengen tegen het pessimisme galmt in deze leegte. Er is geen tekst en er is geen persoon tegen wie je iets kunt inbrengen. Dat ontslaat de pessimist van de verplichting zichzelf te verdedigen. Dit is de immuniteit van de pessimist. Ik bedoel dit ook letterlijk: voor hem geldt dat hij geen (im) plicht (munis) heeft om zichzelf te helpen. Ook geen plicht om anderen te helpen. Deze onschendbaarheid is wat hem wezenlijk onderscheidt van optimisten en waarom hij volgens hen zo’n ellendeling is.

Achter de aforistische schrijfstijl, waaraan de pessimist meestal de voorkeur geeft, gaat dus een koele verwerping van gemeenschappelijkheid schuil. De pessimist voelt zich alleen en verwerpt het menselijke. Om aforismen te begrijpen moet je, aldus Nietzsche, ophouden mens te zijn en koe worden zodat je erop kunt kauwen en herkauwen. Daarom doet het goede aforisme ook altijd pijn. Ze komt van iemand die zichzelf niet wil verdedigen, die geen coherentie nastreeft en die ook nog eens een soort superioriteit opeist en doodleuk beweert dat weten en willen weten onzinnig zijn. Daarom is het pessimisme, zoals Eugene Thacker aangeeft, de meest juiste filosofie, maar ook de meest onbehulpzame. Steeds weer schreeuwt de schrijver van het aforisme zijn gelijk van de daken, maar mensen kunnen er niets mee. Als geen ander weet hij het, maar hij blijft zich uitputten in de incoherente taal waarin hij excelleert.

***

In zowel het pessimisme als het optimisme zit iets genadeloos. Omdat de optimisten het in de wereld – in de politiek (‘we gaan de wereld beter maken!’), in het management (‘we lossen het op!’) of in de technologie (‘we lossen alles op, zelfs het probleem van de menselijke sterfelijkheid!) – voor het zeggen hebben, denk ik dat er af en toe wat bad attitude nodig kan zijn, al was het alleen al om te veel zelfgenoegzaamheid de kop in te drukken. In die zin is pessimisme toe aan een zekere herwaardering.

In een wereld die door pessimisten zou worden bestuurd, zou ik uit een ander vaatje tappen en waarschijnlijk het optimisme onder de aandacht brengen. Maar de wereld wordt niet door pessimisten bestuurd. Zo’n wereld kun je je niet eens voorstellen.

Pessimisme kan geen levensvorm zijn. Een bad attitude is niet iets wat je permanent nastreeft in het leven. Het zou je boosheid, somberte, defaitisme of cynisme omzetten in een soort geperverteerde levenskunst. Als geluk, zoals de pessimist beweert, niet het doel van het leven kan zijn, dan kan ongeluk dat ook niet zijn. In dat fabelachtige inzicht dat het leven, zeker op kosmische schaal, gewoon is wat het is, schuilt de pessimistische onschendbaarheid.

De Duitse filosoof Odo Marquard (1928-2015) beweerde dat de mens een compensatiewezen, een homo compensator is. Dat inzicht is de voedingsbodem van zijn levenslang volgehouden scepticisme. Het laveert steeds tussen optimisme en pessimisme in en weigert zich aan het een of het ander te binden omdat het weet dat beide elkaar voortdurend moeten compenseren. Je kunt het ook anders zeggen: de optimist kan niet samenvallen met het beste (optimus), zoals de pessimist niet kan samenvallen met het slechtste (pessimus). Ze hebben elkaar nodig. Niet dat optimisten en pessimisten dat altijd begrijpen. De eersten zijn geneigd om goed te praten wat verkeerd is en de laatsten om verkeerd te praten wat goed is. In het eerste geval spreekt Marquard van het ‘ontkwaden van alle kwaden’ (Entüblung der Übel). In het tweede geval zou je moeten spreken van het ‘ontgoeden van al het goede’, maar hierover heeft de Duitse filosoof het niet. Hij wijst er slechts op hoe gemeen en onbarmhartig (ruchlos) beide houdingen zijn als ze zich weigeren te laten compenseren door de ander.

Een glas water, zo weet de scepticus, is niet half vol of half leeg. Het is beide tegelijk.


René ten Bos is hoogleraar filosofie van de management- wetenschappen aan de Radboud Universiteit. Hij was van 2017 tot 2019 Denker des Vaderlands.