Maarten Doorman

Goedkope kritiek op de critici

De tegenstelling tussen kunst en het echte leven is zo langzamerhand, door de afkalvende autonomie van de literatuur, wat oudbakken.

Een beetje kwaadaardigheid, ik houd er wel van. Toen Rutger van der Hoeven beweerde dat de literaire kritiek blind was voor de politiek en voor de wereld waarover menige roman iets had te melden, verbaasde ik me. Ik pakte de in zijn ogen waarschijnlijk meest elitaire boekenbijlagen van datzelfde weekend er meteen bij, uit NRC Handelsblad en de Volkskrant, en liet zien dat bijna alle recensies zijn kritiek logenstraften. Vervolgens vroeg De Groene Amsterdammer Hans Goedkoop om een reactie. Goedkoop schreef ooit overtuigende kritieken voor NRC Handelsblad, maar werd de literatuur moe omdat er niets meer van zijn gading bij zat. Hij verlangde van de literatuur ‘verhalen die mijn leven veranderen’ en ving bot. Gelukkig wist de redactie van dit weekblad de motor van de teleurgestelde criticus weer even aan de praat te krijgen. Volgens Goedkoop ‘pluis ik recensies in de kranten door’ en vind ik ‘toch maar mooi’ verwijzingen naar de werkelijkheid. ‘Kippig’ tuur ik ‘van de fictie naar een werkelijkheid in de verte’. Waarna ik onder critici geschaard word die niet met argumenten komen ‘maar verdachtmakingen rondstrooien’ om Rutger van der Hoeven, Hans Goedkoop en andere ‘gewone lezers’ buiten te sluiten, weg te houden uit wat Van der Hoeven ‘het literaire Pantheon’ noemde.

Goedkoop beweert met recht dat de literatuur haar autonomie verliest en zich steeds minder kan verschansen in de ivoren toren van het modernisme. Dat heeft hij onder meer uit een boek van mij, De romantische orde (2004), zoals hij me eens heeft verteld. En nu gaat hij het mij uitleggen! Hij heeft daar trouwens kunnen lezen dat dit verwijt aan de literatuur al behoorlijk oud is. Edmund Wilsons prachtige Axel’s Castle (1931) beukte bijvoorbeeld al in op een levensvijandig modernisme bij Proust, Yeats, Joyce, T.S. Eliot en Valéry.

Die hele tegenstelling tussen kunst en het echte leven en de maatschappij is zo langzamerhand wat oudbakken, juist door die afkalvende autonomie van de literatuur. Natuurlijk zijn er nog altijd accentverschillen in de kritiek: Arjan Peters (de Volkskrant) let eerder op vorm en stijl, Elsbeth Etty en Arnold Heumakers (NRC Handelsblad) weer meer op de inhoud en maatschappelijke betekenis van een roman.

Net als Goedkoop en Van der Hoeven vind ik persoonlijke zeggingskracht en maatschappelijke relevantie van literatuur belangrijk. Het ging echter om de vraag of de kritiek die over het hoofd ziet, en dat weten beiden niet aannemelijk te maken. Philip Roths vorig jaar verschenen Alleman is een klein, fijnzinnig maar snijdend boek over ouderdom en dood en dat las ik in veel recensies terug. Het is een verhaal dat het leven kan veranderen. En de maatschappelijke relevantie van literatuur kwam in de besprekingen van afgelopen weekeinde opnieuw uitvoerig aan de orde.

Ik ontken niet dat veel kritiek een gevoel van urgentie ontbeert en zich louter op personages focust, dan wel op de vorm van een roman. De historische, filosofische en inderdaad, maatschappelijke context ontbreekt te vaak in een slaapverwekkend administreren van wat er allemaal verschijnt. Het kan en moet altijd beter. Maar de vooringenomenheid en het goedkope veroordelen van de literaire kritiek stuit mij nog meer tegen de borst.

Groene-redacteur Rutger van der Hoeven beklaagde zich op 16 maart over de literaire kritiek, die geen oog zou hebben voor wat romans over politiek en maatschappij te melden hebben. Hoogleraar kunstkritiek Maarten Doorman ontkende dit (6 april) en vond bovendien de eis overtrokken dat kritiek en romans die werkelijkheid moesten weergeven. Dat was volgens oud-criticus Hans Goedkoop (20 april) onzin: leven en literatuur hebben alles met elkaar te maken, anders is het met de literatuur gedaan. Doorman reageert.

Maarten Doorman, Paralipomena: Opstellen over kunst, Filosofie en literatuur. Bert Bakker, 239 blz., € 21,95