Luisteren hoe huizen ademen van Arie Storm

Goedschiks of kwaadschiks

Je kunt het Arie Storm niet verwijten dat hij graag over zichzelf schrijft: Storm is nu eenmaal een machtig fascinerend figuur. Iedereen in de Nederlandse letteren heeft een mening over hem, for better or worse.

Medium ariestorm

En dus weet de goede verstaander wanneer Storm zijn nieuwe roman Luisteren hoe huizen ademen begint met ‘Het verleden, wat moet je ermee – in dit geval: het verleden van een schrijver, radiopersoonlijkheid, literair recensent en universitair docent van middelbare leeftijd?’, meteen met wie ze van doen hebben.

Over August Voois, zoals de hoofdpersoon heet, wordt verteld dat hij de reputatie heeft meedogenloze recensies te schrijven (net als Storm in Het Parool), dat hij getrouwd is met Alice, een redactrice van een uitgeverij (net als Storm), dat hij werkt aan een biografie van een schrijver (Storm werkt aan een Kellendonk-biografie). In de eerste hoofdstukken zit Voois thuis wat te werken, kijkt uit het raam, praat met zijn vrouw, kijkt samen met zijn vrouw uit het raam. Het verleden zit hem dwars, een paar vage herinneringen waarvan hij niet weet waarom ze zo vastzitten in zijn hoofd, maar ondertussen heeft Voois een nog grotere hekel aan het heden in het algemeen, aan de literaire cultuur in het bijzonder: ‘Mensen schreven liever dan ze lazen, maar áls ze lazen, dan wilden ze boeken lezen die ze zelf zouden kunnen schrijven. En de boeken die ze zelf zouden kunnen schrijven vertelden over hun ellende, in de vorm van een bekentenis, altijd in de vorm van een bekentenis. (…) De allerslechtsten waren in zekere zin de allerbesten.’

Waarom Storm zich zo overgeeft aan gratuite cultuurkritiek is niet duidelijk, zoals het ook niet duidelijk is waarom Storms Tros Nieuwsshow-_collega’s nauwelijks gecamoufleerd zo nadrukkelijk worden afgezeken (Mieke van der Weij is een vriendelijke mevrouw, waarom kiest Storm niet iemand van zijn eigen formaat?). Het is niet de enige vraag die wordt opgeroepen; waarom bedenkt Storm August Voois als hij na negentig pagina’s ineens in de ik-persoon de lezer toespreekt en zegt dat Voois slechts een autobiografisch verzinsel was?; waarom schrijft Storm zo plotloos?; waarom, als dit een zelfportret is, heeft hij de scherpe randjes van zijn imago afgehaald? Want Storm heeft inderdaad de reputatie bikkelhard te zijn, maar ook borderline corrupt: dat hij de auteurs die zijn vrouw redigeert standaard anderhalve ster extra geeft en alle auteurs met enig commercieel succes bij voorbaat anderhalve ster minder, waarbij zijn vaak cabareteske toon je het idee geeft dat hij leedvermaak beleeft aan het leed dat hij zelf aanricht. Nu zijn reputaties zelden gebouwd op louter feitelijke juistheden, en in interviews ontkent Storm zo hardnekkig dat er ook maar iets van waar is (O.J. Simpson is er niets bij), dat je zou denken dat hij dit vast wel zou hebben verwerkt in het personage Voois. _Luisteren hoe huizen ademen is dus iets anders dan ‘gewoon’ een zelfportret, of eigenlijk is het heel wat meer dan dat.

Wie Storms recensies leest (voor de volledigheid: Storm besprak allebei mijn romans, met respectievelijk twee en drie sterren) weet dat hij een particuliere literatuuropvatting heeft: aan een plot maakt hij bij voorkeur nog geen tien woorden vuil, bij een enkele zin kan hij meerdere alinea’s stilstaan, om tot de heldere conclusie te komen: dit is literatuur en dit niet. De stijl van Storm is dan ook het eerste wat opvalt. Die is praterig, informeel – veel vragen, opmerkingen en zinnen worden keer op keer herhaald waardoor de taal bij sommige scènes een bijna bezwerend effect heeft. Het is een stijl waarin je duidelijk de hand van John Banville terugziet (Storm vertaalde hem), maar dan zonder de poëtische lyriek, de romantische vaagheid, de originele metaforen – een zin als ‘een vrouw die met haar stem het geluid voortbracht van een gierende sirene’ zou Banville niet overkomen. Omdat een (vrouwen)stem vergelijken met een sirene sinds Mien Dobbelsteen niet meer origineel is, omdat het adjectief ‘gierende’ niet heel sterk is aangezien sirenes niet heel veel meer kunnen dan gieren, gillen of loeien – het groene gras: de gierende sirene.

Storm laat zien dat het leven bestaat uit dat wat je niet begrijpt, maar toch niet kunt vergeten

Dat is geen goede literatuur.

Wat is dan wel goede literatuur? De rest van het boek, gelukkigerwijs. Zinnen als die van de sirene zijn uitschieters, de rest is gecontroleerd, zoekend maar precies. Storm toont zijn belezenheid zonder ermee te koketteren. Het portret van August en Alice is warm en intiem, twee mensen alleen in de wereld. Die liefde blijft net zo voelbaar wanneer Storm August ontmaskert en als zichzelf (met vrouw en dochter) via een soort wormgat terug in de tijd valt en als een spook door zijn ouderlijk huis in de Haagse Schilderswijk loopt: ze zien Storms zus staan huilen in de tuin, ze zien Storms moeder een buurman omarmen, ze zien die buurman later Storms vader honderd gulden geven. Hier zijn dan wel de dromerige beelden van banvilleske kwaliteit.

Er lijkt een geheime symboliek in die beelden te zitten, maar Storm (het personage) ziet niet wat. Hij weet niet waarom zijn zus huilt, of waar de honderd gulden voor is. De beelden zitten in zijn hoofd, ‘zonder einde, zonder begin. Als een spiraalnevel van melk die zich ontvouwt in een koffiekop en er niet uit weg kan komen.’ Door de betekenis van die beelden juist niet te geven, laat Storm zien dat het leven juist bestaat uit dat wat je niet begrijpt, maar toch niet kunt vergeten. Hij geeft het alledaagse zo een bijna mystieke lading. Als je deze lezing op Luisteren hoe huizen ademen loslaat krijgt ook ineens de eerder genoemde gratuite cultuurkritiek extra lading: in de dertien-in-een-dozijn-romans wordt alles wel uitgelegd, krijgt alles betekenis. Maar ze staan met hun realisme in feite alleen maar verder weg van de bouwstenen van ons binnenste leven. Dan liever de wormgaten en spookverschijningen van Luisteren hoe huizen ademen, een van de ongewoonste romans die dit jaar in Nederland verschenen.


Arie Storm
Luisteren hoe huizen ademen
Prometheus, 160 blz., € 17,95

Beeld: Amaury Miller/HH