Onno te Rijdt

Goeie pikken en rotte peren

Pottenkijkers zijn nooit welkom geweest bij het studentencorps. De ongeschreven wet binnen corpora is dan ook dat er geen geheimen worden prijsgegeven. In zijn roman ‹Mores› biedt Onno te Rijdt toch een kijkje achter de schermen van de sociëteit. «Het is en blijft allemaal een spel, laveren langs de grens tussen wat net wél kan en wat niet kan.»

In Diesel T-shirt, spijkerjack, wijde afritsbroek en met een kort geschoren stekelkapsel, vriendelijke ogen en een milde stem oogt de 41-jarige schrijver/parttime jurist Onno te Rijdt niet als iemand die de buitenwereld zou betitelen als een oud-corpsbal. Volgens de prototypering zou hij dan op z’n minst «jasje-dasje» gekleed gaan, of inmiddels gelet op de leeftijd vanuit een gevestigde positie in een peperduur, maar onopvallend maatpak lopen of juist in een nonchalant wat shabby Harris tweedjasje met daaronder een ribbroek met knieën. 23 Jaar geleden was hij waarschijnlijk wél van kilometers afstand herkenbaar geweest als lid van een van de negen Nederlandse officieel erkende studentencorpora (zeven gemengde en, in Utrecht, twee ongemengde). Toen hij in 1978 zijn ouderlijke woning in Hengelo verliet om rechten te gaan studeren in Leiden meldde hij zich — gezien zijn afkomst — als vanzelfsprekend aan bij Minerva.

Over zijn tijd als geslaagd corpsstudent heeft Te Rijdt ruim twintig jaar na dato het boek Mores geschreven. Het vertelt het verhaal van Ward van Rigteren, die zich als eerstejaars meldt bij sociëteit Pallas, die onmiskenbaar is gemodelleerd naar Minerva. Van Rigteren (les één: voornamen bestaan niet meer) weet zich na de nodige inwijdingsrituelen van de KMT (kennismakingstijd, zoals de groentijd in Leiden wordt genoemd) meteen goed te positioneren door in de populairste jaarclub te komen en te worden gekozen in een van de meest beruchte jongenshuizen (geïnspireerd op het bekende jongenshuis Het Wallon).

Naast onbeperkt bier drinken, feesten met de mannen en zich manifesteren in de zaal — zoals het goed getimed opendraaien van de brandspuit richting een suffe knor — weet hij ook nog zijn tentamens rechten binnen te slepen. Kortom, Van Rigteren is naar de maatstaven van Pallas «absoluut een goeie pik». De enige smet op de glansrijke corpscarrière die nog voor hem ligt, lijkt te worden gevormd door twee mensen: zijn vader, die als succesvol rechter en Pallas-reünist op zich oké is, maar na bestudering van een oude corpsfoto een «rotte peer» (oftewel een schimmig lid) blijkt te zijn geweest. Het zweet breekt Van Rigteren uit bij de gedachte dat zijn nieuwe vrienden zijn vaders lullige status zouden ontdekken.

Het andere struikelblok vormt zijn eigen huisoudste, nestor Grodder, die op volstrekt irrationele gronden de pik op hem heeft en zijn antipathie bij elke mogelijke gelegenheid laat merken door hem in het openbaar af te pissen en de goorste streken te leveren. Achter zijn onaantastbare status — «want hij is als rugby-speler oersterk en tapt mooie, gevatte studentikoze grappen» — gaat eigenlijk een halve psychopaat schuil, die er een openbare hobby van maakt om «knorren» lens te slaan, «wijven» in het kruis te grijpen en «sukkels en homo’s» tot de grond af te pissen. Grodder is bij uitstek een figuur die binnen de consensuscultuur van het studentencorps meer gevreesd dan geliefd is. Iemand die zich bij voorkeur in groepsverband profileert als een beest ten koste van anderen en zijn omgeving tot zwijgen dwingt uit angst de aandacht te verleggen naar de kritische enkeling. Het zijn van die raadselachtige figuren waarvan iedereen weet hoe fout ze zijn, maar van wie altijd wordt beweerd dat ze privé eigenlijk zo aardig zijn.

Te Rijdt zou Grodder niet een uniek product van het corps willen noemen. Volgens hem staan er binnen homogene groepen altijd figuren op die zich naar de geldende maatstaven dominant gedragen. Of het nu voetbalsupporters, krakers of soldaten zijn, ze zijn inherent aan groepsprocessen. Te Rijdt: «Alleen krijgen ze binnen de corpswereld wel veel ruimte. Ze kunnen veel schade aanrichten bij individuen. Toen ik het boek begon te schrijven, had ik een positiever beeld in mijn hoofd dan het al schrijvend uiteindelijk is geworden. Ik heb de sfeer beschreven zoals die bij mij jaren later is komen bovendrijven. Het is absoluut geen karikatuur geworden, in mijn ogen althans, maar een reëel beeld van een wereld waarin een kleine groep actieve leden op basis van tradities de norm bepaalt. Zij hebben de baantjes, en dat gaat gepaard met een — op het oog — weinig verheffend gebral. Zij zetten zich sterk af tegen alles wat cultuur vertegenwoordigt. Boeken lezen en klassieke muziek is iets voor sukkels. Maar in werkelijkheid is dat juist een stoere pose. Want tegelijk is kennis en cultuur juist iets waar je je op kunt beroepen als het ertoe doet. Het gaat erom dat je nonchalant weet om te gaan met je achtergrond en intellectualisme. Mensen die het corps niet van binnenuit kennen, zoals mijn vrouw, die geen lid is geweest, vinden dit boek tamelijk ontluisterend.»

Voor de buitenwereld zijn studentencorpora al zolang ze bestaan een soort vestingen. Wat er achter de muren van de Nederlandse sociëteiten gebeurt, gaat niet-leden niks aan. Vooral de nadrukkelijke beslotenheid, vergelijkbaar met de Vrijmetselaarsloge, wekt grote nieuwsgierigheid bij buitenstaanders. Het boek Zoveel lol van oud-corpslid Boudewijn van Houten baarde toen het verscheen, in de jaren zeventig, veel opzien. Van Houten lichtte een tip van de sluier op en beschreef hoe de gevestigde orde in spe zich in zijn jonge studentenjaren naast de studie vermaakte. Daarna zijn er oneindig veel pogingen geweest van journalisten of studenten culturele antropologie of sociologie om onder valse voorwendselen binnen te dringen in de bolwerkjes. Het heeft ertoe geleid dat sinds dit jaar aankomende leden vóór ze de groentijd ingaan een verklaring moeten ondertekenen dat ze op integere gronden lid willen worden. Eenzelfde protectionisme geldt zodra zich binnen de gelederen excessen voordoen; iemand die lekt naar de pers maakt zich voor eeuwig onpopulair en kan maar beter zijn lidmaatschap inleveren.

Ondanks het taboe op openbaarheid hebben de afgelopen jaren heel wat «incidenten» de landelijke pers gehaald. Het ging daarbij altijd om spelletjes, inwijdingsrituelen of omgangsvormen die zodanig uit de hand liepen dat ze wel in de openbaarheid moesten komen. Soms zelfs zeer tegen de zin van de betrokken slachtoffers en hun familieleden, zoals in de jaren zestig bleek bij de beruchte «roetkapaffaire», toen tijdens een inwijdingsritueel van een (adellijk) subgezelschap van het Utrechts Studentencorps PHRM iemand overleed door het inhaleren van roet. Met veel moeite en tegenzin werd het geval voor de rechter van de «echte maatschappij» gebracht. Of enkele jaren geleden in Groningen, toen een eerstejaars zoveel had gedronken dat hij de zinloze dood vond door op zijn bed in zijn eigen braaksel te stikken. De vader van de overleden jongen had het er als oud-corpslid maar knap lastig mee dat zijn zoon op een dergelijke manier in de pers kwam. En recent nog in Te Rijdts eigen oude huis, waar tijdens een uitdrinkingsborrel iemand zijn polsen brak tussen een tafel en een muur. Ook daarbij kwam de openbaarheid niet erg gelegen. Geweldsincidenten worden het liefst afgedaan als bedrijfsongevallen.

Toch heeft het corps als een van de weinige instituten zich weten te onttrekken aan de openbaarheidscultuur van Nederland. Vrijwel elke muur die voorheen bestond voor de buitenwacht is inmiddels omvergeworpen voor de camera van een of andere reportage of talk show. Zelfs alle geheime rituelen van de Vrijmetselarij staan tegenwoordig op het internet.

Te Rijdt heeft zich als oud-lid met nog steeds veel goede vrienden uit die tijd weten te houden aan de ongeschreven wet (mos) geen werkelijke geheimen prijs te geven in zijn boek. «Maar ach, wat zijn nou geheimen», zegt hij relativerend. «Dat lijkt altijd meer dan het is.» Wel laat hij in zijn boek goed zien hoe de sociale omgangsvormen functioneren langs verticale verhoudingen. Wie aankomt als sjaars (eerstejaars in corps jargon) dient zijn plaats te kennen onder aan de ladder. Binnen de sociëteit behoort iedereen de ongeschreven regels (mores) te kennen, en ze vooral in de praktijk te snappen, want anders heb je het «weer eens niet begrepen».

Gevat zijn levert een bepaald soort corps jargon op dat wordt gekenmerkt door ongenuanceerde «geestige» oneliners. Wie in de groep de meeste lachers op de hand heeft, kan op de ladder van de hiërarchie omhoogklimmen. Lachen is bijvoorbeeld als Grodder roept: «Ik hou niet van nullen met een grote bek. Nullen, eikels, knorren en burgers moeten hun smoel houden.» Of als iemand anders roept: «Sjaars! Sofort ja. Rap rap rap», waarop de eerstejaars zegt: «Wat?» en dan: «Maakt niet uit. Doe wat!»

Te Rijdt: «Het is en blijft allemaal een spel, laveren langs de grens tussen wat net wél kan en wat niet kan. Wat ik altijd het mooie heb gevonden van het corps is dat binnen de muren van het gebouw eigenlijk vrijwel alles kan, veel meer dan in de maatschappij. Mensen kunnen zich er optimaal uitleven en op het scherpst sociale verhoudingen uitproberen. Het corps is een harde wereld met een genadeloos selectie- en correctiemechanisme. Wie het niet doorheeft, wordt gecorrigeerd. In Leiden is dat meer verbaal en minder fysiek dan bij andere corpora het geval is. ‹Leidse bek› en ‹Leienaar, softenaar› zijn de karakteristieken van Minerva. In het algemeen vind ik typerend voor de corpswereld dat je constant verbaal op je hoede moet zijn. Het gaat er altijd om wie het scherpst uit de hoek kan komen. Maar uiteindelijk staan vriendschappen als een huis. Mensen laten elkaar niet zomaar vallen. Inderdaad doe je er vriendschappen voor het leven op.»