Welzijnswerkers als koopwaar

Goeie straathoekwerkers! Weg ermee!

Sinds eind jaren negentig zetten gemeenten om de zoveel jaar het werk in onder meer de daklozenopvang, het straathoekwerk, club- en buurthuiswerk en wijkteams in de etalage. Wat heeft deze vorm van aanbesteden, behalve een hoop ellende, opgeleverd?

Het was een merkwaardig schouwspel, op de laatste dag van juni in buurthuis Vogelvlucht aan de Rijnsburgersingel in het zuidwesten van Leiden. Het buurthuis, een jaar daarvoor door gebruikers nog gekozen tot beste wijkvoorziening van het land, was het decor van twee ploegen in- en uitlopende verhuizers. De ene ploeg tilde de meubels en computers naar buiten, ontkoppelde het netwerk, sleepte de vaatwasmachine uit het buurthuis en pakte alles in wat los zat. De andere ploeg deed precies het omgekeerde, ze installeerde nieuwe computers en richtte de keuken weer in.

Dit merkwaardige tafereel was te wijten aan het feit dat Libertas, sinds jaar en dag beheerder van club- en buurthuizen in de sleutelstad, een jaar eerder als verliezer uit de bus was gekomen bij een aanbesteding van het Leidse welzijnswerk. De gemeentelijke beslissers waren er gemakshalve van uitgegaan dat de inboedel van de club- en buurthuizen wel voor een zacht prijsje door de winnaar overgenomen zou worden. Niet dus. Na stekelige onderhandelingen was er tussen de oudgediende en de nieuwkomer in de verste verte geen overeenstemming bereikt over de overname van inboedel en installaties. Met de komst van twee verhuisploegen als gevolg.

Een jaar eerder had het Leidse gemeentebestuur aangekondigd het welzijnswerk te reorganiseren. De wethouder vond het aanbod te versnipperd en wilde nieuw elan. Achttien in Leiden werkzame organisaties reageerden daarop met een manifest waarin zij het stadsbestuur opriepen hun een jaar de tijd te gunnen om zelf een plan te maken en met samenwerkingsvoorstellen te komen. Zij vreesden dat bij een aanbesteding partijen van buiten met mooie gelikte verhalen binnen zouden komen. De wethouder wuifde die angst weg: ‘Bekende partijen staan met 10-0 voor op organisaties van buitenaf.’

In februari 2020 werd de procedure afgerond en gebeurde precies wat de Leidse welzijnsorganisaties hadden voorspeld. De aanbesteding werd gewonnen door twee organisaties buiten Leiden: het Rotterdamse sol en het landelijk opererende Incluzio. Een bescheiden deel werd gegund aan de nieuwe organisatie Buzz, waarin zich een aantal Leidse aanbieders had verenigd.

—————

Het is een van de voorbeelden van het ontwrichtende spoor dat het aanbesteden achterlaat in wat in beleidskringen tegenwoordig het sociaal domein wordt genoemd en wat ooit als (gesubsidieerd) welzijnswerk door het leven ging. Sociale professionals worden daarin als koopwaar in de gemeentelijke etalage gezet, soms mogen ze dan nog vier of vijf jaar blijven, vaak krijgen ze een nieuwe werkgever en regelmatig moeten ze naar ander werk omzien. Het spoor gaat terug tot de jaren negentig van de vorige eeuw toen de nieuwe zakelijkheid de publieke sector, ministeries en lokale overheden in haar greep nam. Dat leidde als vanzelf tot het gebruik van steeds meer bedrijfsmatige begrippen: outputfinanciering, inkooprelaties, producten. Er moest waar voor het geld geleverd worden en organisaties moesten daarop met elkaar kunnen concurreren. Het bestuurlijke instrument daarvoor werd het om de zoveel jaar aanbesteden.

Niet toevallig was het welzijnswerk een van de eerste publieke sectoren waarin gemeenten met aanbesteden proefdraaiden. Het welzijnswerk had een reputatie van onduidelijke resultaten en kon wel een nieuwe impuls gebruiken. In 1997 had het Amsterdamse stadsdeel Oud-West daarvan de primeur. Het schreef de eerste nieuwerwetse aanbesteding van breed welzijnswerk in Nederland uit met een voor 020 verrassende winnaar: de Rotterdamse welzijnsorganisatie dock.

Inmiddels zijn we een kwart eeuw verder en is in het publieke domein aanbesteden schering en inslag geworden. Er is een aanbestedingswet, een website tendernet.nl, een heus expertisecentrum PIANOo, gesubsidieerd door het ministerie van Economische Zaken en met een specialist ‘aanbesteden sociaal domein’, en er zijn – het kon niet uitblijven – vele tientallen bureaus die organisaties kunnen helpen om zo goed mogelijk door de procedure te komen. Zo vergroeide een instrument uit de materiële economie met de wereld van het immateriële welzijn.

In die verandering spelen juristen een belangrijke rol. Zij waken over de aanbestedingsregels, waarvan er vele in Brussel hun geboortegrond kennen. Ze zijn niet van de inhoud, al helemaal niet van het verleden en tradities, nee, ze waken over de juiste procedure. Het juridische ‘het mag niet’ overrulet elke inhoudelijke overweging. Daardoor komt het dat aanbieders die jarenlang naar volle tevredenheid hun werk doen in een aanbestedingsprocedure ineens de competitie moeten aangaan met onbekende concurrenten. Dat brengt in nogal wat professionele organisaties niet alleen een om de zoveel jaar terugkerende periode van onzekerheid met zich mee, het levert, zo weten we inmiddels, nogal eens onverwachte uitkomsten op.

Want het Leidse voorbeeld staat niet op zich. Deze zomer gunde de gemeente Utrecht de basiszorg voor dak- en thuislozen zeer verrassend aan – alweer! – Incluzio. Sinds decennia werd deze zorg in de Domstad uitgevoerd door BackUp die zwerfjongeren en dakloze jongvolwassenen begeleidt om hun leven weer op de rit te krijgen, en Stadsteam Herstel dat vergelijkbare begeleiding en opvang realiseert voor volwassen daklozen. Beide teams hebben dat naar volle tevredenheid gedaan, zoals de gemeente ook ruiterlijk erkent. Jaarlijks gaan professionals met zo’n 750 daklozen aan de slag om hun levens weer op de rails te krijgen. Dat is bepaald geen eenvoudig werk, het vereist kennis van de leefwereld van lastige mensen. Je moet er stevig voor in de schoenen staan. En dat er zo nu en dan een ruit sneuvelt, moet je vooral geen slapeloze nachten bezorgen.

In 2018 bedacht de gemeente dat het wenselijk zou zijn dat deze twee teams zouden worden samengevoegd. Daar viel zeker het nodige voor te zeggen, vonden ook de professionals van BackUp en Stadsteam Herstel. Maar daardoor ontstond er wel iets nieuws en voelde de gemeente zich verplicht om een nieuwe ‘uitvraag’ uit te schrijven. Niet getreurd, de twee bestaande teams staken de koppen bij elkaar en maakten een ambitieus plan, waarin ze vasthielden aan wat goed ging en wilden vernieuwen waar dat nodig was. Een gelopen race, zo leek het, want nagenoeg iedereen wilde dat deze jarenlang opgebouwde expertise voor de regio Utrecht behouden bleef.

Het liep anders. De gemeente zette een onafhankelijke commissie met experts van buiten, een van de straat geplukte ervaringsdeskundige en een cliëntenvertegenwoordiger aan het werk om tot een objectief oordeel te komen. De commissieleden ontleedden de ingediende plannen op basis van criteria waar zij vervolgens punten aan toekenden. Daarbij troffen de professionals van BackUp en Stadsteam Herstel in Incluzio een ijzersterke, geslepen mededinger, die als geen ander bedreven is in de newspeak van het hedendaagse sociaal werk. Grootse vergezichten over ‘normaliseren en herstel’ en ‘zorg dichtbij met als uitgangspunt de leefwereld van daklozen’ wisten de specialisten van Incluzio zo pakkend op te schrijven dat je bijna zou vergeten dat het bedrijf nul komma nul expertise heeft met dit lastige werk. Uiteindelijk delfde zo bijna veertig jaar ervaring met Utrechts straathoekwerk het onderspit tegen de blufpokercharme van een nieuwkomer. Het verschil was een soort fotofinish – de optelsom liet uiteindelijk een marge van 0,2 punt zien.

‘Bekende partijen staan met 10-0 voor op organisaties van buitenaf’, zei de wethouder

De gevolgen zijn er niet minder om. Utrechtse daklozen begrijpen niet waarom hun vertrouwde organisaties ineens niet goed genoeg blijken. Er heerst verbijstering over het feit dat de gemeente het winnend bod van Incluzio niet aan de openbaarheid wil prijsgeven. De professionals zelf hebben grote moeite om over te gaan naar een nieuwe organisatie met leidinggevenden die over dit specifieke werk van toeten noch blazen weten. Er heerst complete onduidelijkheid over de vraag of er nu sprake is van ‘overname van onderneming’. Er volgt eindeloos gesteggel over arbeids- en huurcontracten. Dat levert een vloed van frictiekosten op die ten koste gaan van andere vormen van zorg in Utrecht. Onrust die nu al weer bijna een half jaar het opvangwerk van daklozen in zijn greep heeft.

Maar in de Utrechtse beauty contest speelden al deze financiële en professionele gevolgen geen rol van betekenis, een fenomeen dat zich ook na verrassende aanbestedingsuitkomsten in andere gemeenten voordoet. Met het voorkomen van langdurige onrust en onnodige kosten zijn geen punten te verdienen. Helemaal zuur wordt het als BackUp in oktober door verantwoordelijk wethouder Maarten van Ooijen in de bloemetjes wordt gezet als een van de drie Utrechtse instellingen die het best toegankelijk zijn voor de doelgroep. Geslaagd voor het verleden, gezakt voor de toekomst – leg dat maar eens uit.

—————

Het gaat hier niet om makkelijk inwisselbare vormen van professionaliteit, nee, het gaat bij dit soort aanbestedingen om gevoelige zaken als leefbaarheid, preventie, opvoedingsondersteuning, schuldhulpverlening, activering, achterstandsbestrijding, jongerenoverlast, allemaal kwesties die de laatste jaren aan lokaal politiek belang hebben gewonnen en waar nogal wat bestuurlijk ongeduld op de loer ligt. Sinds de decentralisatie van delen van de zorg, de jeugdzorg en de arbeidsparticipatie staat het sociaal domein in het teken van woorden als ‘transitie’ en ‘transformatie’, wat zo’n beetje wil zeggen dat alles anders, goedkoper en effectiever moet.

Incluzio heeft die behoefte heel goed begrepen. Sterker, het heeft er een opmerkelijke opmars in het sociaal domein aan te danken. Het bedrijf is een telg uit de Facilicom-familie, oorspronkelijk een schoonmaakfamiliebedrijf dat enorm is geëxpandeerd in de facilitaire dienstverlening (schoonmaak, beveiliging, onderhoud, personeelsdienstverlening, bouw, catering, huishoudelijke hulp). In 2012 was de omzet ruim één miljard euro en telde de onderneming 32.000 werknemers. Je kunt rustig zeggen: een gigant met een kapitaalkracht die in het land van zorg en welzijn niet eerder vertoond is.

In 2012 – met een enorme leegstand op de kantorenmarkt en een stevige dip in het schoonmaakwerk – besloot Facilicom te gaan investeren in de sector zorg en welzijn. Niet schrikken, liet president-directeur Hans Gennissen weten, zinspelend op de aversie in welzijnsland tegen op winst gerichte ondernemingen: ‘De rendementseis die Facilicom intern hanteert (3-4%) past goed bij de zorg- en welzijnssector. Wij gaan onze competenties in de bedrijfsvoering inbrengen zonder de autonomie van de professionals in het veld aan te tasten. Ons model is gericht op het boeken van duurzaam maatschappelijk resultaat in gezamenlijkheid met gemeenten en bestaande dienstverleners.’

Toen in 2015 de decentralisatie van het sociaal domein een feit was en gemeenten overal nieuwe contractrelaties moesten aangaan, greep de Facilicom-dochter haar kans. Zelfverzekerd presenteerde zij zich in een dynamische combinatie van ondernemerschap en het inspelen op de behoefte aan integrale buurtgerichte aanpak. Incluzio-directeur Peter de Visser: ‘Incluzio heeft de ambitie om preventie, zorg, ondersteuning en dienstverlening te integreren in één lokale organisatie. Door de integrale benadering worden niet alleen individuele (zorg)vragen opgelost, maar kunnen meteen andere collectieve problemen in de wijk worden aangepakt en voorkomen. Door zorg, dienstverlening en het sociale domein te integreren willen we de stap zetten van de huidige, productiegerichte werkwijze naar resultaatgericht werken. In dat systeem worden partijen, anders dan nu, juist beloond voor preventie en effectief werken en staat het behaalde maatschappelijke rendement voorop.’

Dat was koren op de molen van veel ambitieuze lokale bestuurders die met de decentralisaties een forse opgave op hun bord kregen. Incluzio begon in Rotterdam, maar haalde in Utrecht met de Buurtteams Sociaal vanaf 2015 een grote buit binnen. De Utrechtse Buurtteam-aanpak, waarbij de leidinggevenden van de wijkteams worden aangeduid als buurtondernemers, veegde zo ongeveer het hele welzijnswerk in de Domstad van de kaart, maar zorgde samen met een strakke aansturing door de gemeente Utrecht voor een werkwijze die langzaam maar zeker indruk begon te maken. Dat maakte andere gemeenten nieuwsgierig en Incluzio een kansrijke partij in nieuwe aanbestedingsrondes. Inmiddels is Incluzio neergestreken in Zaanstad, Leiderdorp, Leiden, Hollandse Kroon en Venlo en wint het in Noord-Holland terrein in de jeugdzorg door een alliantie met Horizon, de grootste jeugdzorgaanbieder van het land.

Toch is het juist die alliantie in Noord-Holland geweest die het dogma aanbesteden ook politiek aan het wankelen heeft gebracht. In deze provincie besloten achttien samenwerkende gemeenten in 2018 om na een aanbesteding de gesloten jeugdzorg weg te halen bij Transferium/Parlan en te gunnen aan het Zuid-Hollandse Horizon. Door de aanbesteding dreigden zo’n zeventig kinderen die in de gesloten instelling in Heerhugowaard verbleven uit hun omgeving gehaald te worden. Velen van hen waren vaak jarenlang blootgesteld aan trauma’s, zoals mishandeling, verslaving, loverboyproblematiek en seksueel misbruik. De woede die daarover bij ouders en begeleiders ontstak was groot.

Vrank Post, directeur van Transferium, reageerde furieus: ‘Het kan niet zo zijn dat een papieren aanbesteding de in tien jaar opgebouwde kennis en expertise in één klap vernietigt. De rust, het veiligheidsgevoel en het vertrouwen dat jongeren in de gesloten jeugdzorg zo hard nodig hebben, wordt hiermee weggehaald. Daarnaast dreigt sluiting van onze locatie Transferium, de enige gesloten jeugdzorginstelling in Noord-Holland. Het kost een ander van buiten de regio jaren voordat deze een hecht en goed functionerende samenwerking rond de jongeren in de gesloten jeugdzorg heeft opgebouwd. Die tijd hebben de jongeren niet. De consequenties zijn enorm en onomkeerbaar.’

Transferium/Parlan probeerde verhaal te halen bij de rechtbank, maar dat mocht niet baten – op de procedure was niks aan te merken. Vrijwel alle aangevochten aanbestedingsuitkomsten die voor de rechter werden gebracht (en dat zijn er nogal wat) trof dit lot. Rechters willen hun vingers niet branden aan inhoudelijke afwegingen en oordelen alleen of de procedure zorgvuldig is geweest. En daar zorgen de juristen wel voor.

Alles moet anders, goedkoper en effectiever. Incluzio heeft die behoefte heel goed begrepen

Door de afwijzing kwam Parlan in de financiële problemen, maar dat mocht allemaal geen rol spelen. Zo schrijft B en W van de gemeente Koggenland op 6 november 2019 aan de gemeenteraad: ‘Bij een aanbesteding dienen wij ons te houden aan de stringente regelgeving. De partij die het best voldoet aan het programma van eisen wint de aanbesteding. Pas nadat bleek dat Parlan de aanbesteding niet had gewonnen kwam nadere informatie (over de financiële gevolgen voor Parlan – jvdl) naar buiten. Op grond van de aanbestedingsregels zou het overigens niet mogelijk zijn geweest daar vooraf rekening mee te houden.’ Zo geformuleerd lijkt het aanbestedingsrecht zelfs een argument te leveren om publiek kapitaal te vernietigen.

In het onlangs verschenen boek Kinderen van de staat: Jeugdzorg in ademnood ontrafelt onderzoeksjournalist Hélène van Beek welke bijzondere machinaties er in dit proces achter de schermen hebben plaatsgevonden. Dat is tamelijk onthullend. Zij moest een beroep doen op de Wet openbaarheid van bestuur, kreeg met veel moeite met een zwarte stift bewerkte stukken, werd op het matje geroepen, zo niet bedreigd, door bestuurders en toezichthouders van Horizon en stuitte op bestuurlijke connecties tussen wethouders, Incluzio en Horizon die toch op z’n minst de uitkomst in een wel heel bijzonder daglicht stellen. Haar conclusie: marktwerking haalt het slechtste gedrag boven bij verantwoordelijke beslissers, terwijl de kinderen die van de jeugdzorg afhankelijk zijn naar adem happen en professionals hun werk niet goed kunnen doen.

—————

Maar van dat alles had de Tweede Kamer in de herfst van 2018 nog geen weet toen zij zich tijdens de begrotingsbehandelingen van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over deze kwestie boog. Waar zijn we in godsnaam mee bezig? vroegen vrijwel alle Kamerleden zich af. Aanbestedingswaanzin noemde het pvda-Tweede-Kamerlid Attje Kuiken het. Ze was furieus: ‘De minister wil het niet, wij willen het niet, zo ongeveer alle lokale raadsleden zijn daarmee ongelukkig, de ouders willen het niet, de kinderen willen het niet en de jeugdmedewerkers willen het niet. Ik vergeet vast nog een aantal mensen, maar bijna niemand wil het. Ergens heeft iemand bedacht: het is verstandig om het in een concurrentiemodel te douwen.’

Die iemand was, zo wees minister Hugo de Jonge er in zijn repliek fijntjes op, overigens de Kamer zelf: ‘Ik vind het hard om het zo te zeggen, maar met uitzondering van de fractie van mevrouw Agema (woordvoerder namens de PVV – jvdl) hebben alle Kamerfracties – alle Kamerfracties! – destijds voor de implementatie van de Europese richtlijn gestemd die leidde tot een aanbestedingsplicht, ook in het sociale domein.’ Kortom, nagenoeg iedereen is ervoor verantwoordelijk dat, aldus De Jonge, ‘onder de streep het aanbestedingsrecht as such zich moeilijk laat matchen met dingen die je juist vanuit de zorg belangrijk moet vinden. Denk daarbij aan de continuïteit van ondersteuning en partnerschap in het doorontwikkelen van nieuw aanbod.’

De minister hield de Kamer voor dat hij er wat aan ging doen. Hij beloofde in Brussel te gaan pleiten om jeugdzorg niet langer als een markt en al zeker niet als een Europese markt te zien, en beloofde alles in het werk te stellen om meer ruimte voor het sociaal domein te creëren voor wat betreft de aanbestedingsregels.

—————

Heel succesvol is De Jonge’s gang naar Brussel nog niet geweest. De Europese Commissie heeft al bij zijn eerste bezoek laten weten vooralsnog niet aan de aanbestedingsregels te willen tornen. Maar sinds De Jonge’s openlijke bekomst van de marktwerking in de zorg lijkt het tij toch te keren, hoewel ze daar dus in Utrecht en Leiden nog maar weinig van hebben gemerkt.

In steeds meer gemeentehuizen, en al zeker onder gemeenteraadsleden die in het aanbestedingscircus vrijwel altijd vanaf de kant moeten toekijken, groeit de behoefte om op een meer duurzame wijze het sociaal domein aan te sturen. Want wat het aanbesteden heeft bewerkstelligd is wat de Utrechtse hoogleraar sociaal werk Hans van Ewijk tien jaar geleden al typeerde als ‘georganiseerde discontinuïteit’. Bij elke wisseling van de professionele wacht gaat er kennis verloren. Kennis die vaak persoonlijk is, in de vorm van telefoonnummers, van ontmoetingsplekken, van vertrouwde gezichten. Dat is kleine, maar cruciale kennis, waar in de aanbestedingsprocedures doorgaans geen rubriek voor bestaat, maar die dus uiterst relevant is en die dus opnieuw moet worden opgebouwd. Daar gaat geruime tijd overheen.

Het gevolg is wel dat op de werkvloer van de samenleving, in buurten en wijken, in club- en buurthuizen, in de locaties waar sociale wijkteams hun werk moeten doen en in grote delen van de jeugdzorg een cultuur is gegroeid waarin het steeds lastiger is om op eigen kracht een herkenbare vorm van professioneel vakmanschap te ontwikkelen. Professionals worden heen en weer geslingerd tussen de wensen van het stadhuis, de productie-targets van hun moederorganisatie, de verantwoordingsverplichtingen van de gemeente, de tijdelijkheid van hun banen en de noden van burgers. Ze zijn nauwelijks geëquipeerd om daar een vaste koers in te ontwikkelen, om zich duurzaam te settelen in hun werkgebied.

Dat is ook te merken. Als het over gezondheid gaat, dan erkennen we het gezag van artsen, de coronacrisis heeft dat nog eens nadrukkelijk laten zien. Als het over het geestelijk welbevinden gaat, dan is er altijd wel een psychiater die bereid gevonden is om er zijn licht over te laten schijnen. Maar als het over probleembuurten gaat, over samenlevingsperikelen, dan wordt het hoogste woord gevoerd door bestuurders, ambtenaren en wethouders. Sociale professionals zijn in het publieke debat geen partij die van zich doet spreken, althans niet in beleidsmatige en opiniërende vorm. Ze krijgen niet de kans zich die status te verwerven.

Een kwart eeuw aanbesteden heeft daar zeker het nodige aan bijgedragen. Deze grillige vorm van aansturen heeft het vak ontdaan van de rust en de infrastructuur die nodig is om professionaliteit te ontwikkelen. Zo zijn we in een situatie beland dat we steeds hogere eisen stellen aan wat er op de werkvloeren van de samenleving, in problematische buurten en wijken moet worden gedaan, terwijl de omstandigheden om dat voor elkaar te krijgen steeds onzekerder zijn geworden.

Daar moeten we dus niet mee doorgaan. De aanbestedingsregelgeving hoeft daarvoor geen blokkade te vormen, aldus jurist en bestuurskundige Tim Robbe. Hij ziet zichzelf, in tegenstelling tot nogal wat van zijn beroepsgenoten, als een ‘kan wel’-jurist en merkt dat zijn visie op de rekkelijkheid van de regelgeving en de ruimte die daarin zit steeds meer gehoor vindt. In een informatiebijeenkomst van de Utrechtse gemeenteraad hield hij de lokale politici eind september nog voor dat de aanbestedingswet maar liefst 52 uitzonderingen bevat. Waarom zou je die niet gebruiken? En waarom zou je subsidierelaties afschrijven? Er is geen wet die dat voorschrijft. Toon lef en laat je niet ringeloren door de ‘kan niet’-juristen, er kan veel meer.

Dat is een sympathieke hartenkreet waarvan je mag hopen dat deze in de gemeentehuizen in het land gehoor zal vinden. De gemeente Utrecht heeft mede naar aanleiding van het BackUp-debacle in november besloten om te onderzoeken hoe het anders zou kunnen. Wat we hier aan de oppervlakte zien treden gaat veel verder dan het herinterpreteren of oprekken van de regelgeving. Want de kritiek op het aanbesteden is niet een kritiek omdat het een wat onhandig, tijdrovend, kosten slurpend, juridisch dichtgespijkerd instrument is, het ongenoegen is veel fundamenteler. De vraagtekens over de zich herhalende cycli van het aanbesteden staan symbool voor een groeiende onvrede over de marktwerking in het publieke domein, over het aanjagen van concurrentie van overheidswege tussen publiek gefinancierde instellingen. Of nauwkeuriger: het heeft alles te maken met de groeiende overtuiging dat wat het neoliberale denken in een kwart eeuw in de taal van het sturen en ordenen van onze samenleving heeft geleverd aan het einde van zijn Latijn is.

Tot die overtuiging is inmiddels dus ook cda-minister De Jonge gekomen, hij besteedde er in september nog een belangrijk deel van zijn Abel Herzberglezing aan. Zelfs bij de vvd is, blijkens haar verkiezingsprogramma, het geloof in de marktwerking in de publieke sector gaan wankelen. Alleen: over wat daarvoor in de plaats treedt, welke taal we dan wel gaan spreken, hoe we wel met professionele organisaties en sociale professionals in buurten en wijken omgaan, daar wordt nog maar weinig debat over gevoerd. En zolang daar geen helderheid in komt, moeten we niet verbaasd opkijken als Incluzio de komende jaren nog menige lokale beauty contest winnend afsluit. Met alle verhuisploegen die daarvoor nodig zijn.

Jos van der Lans is cultuurpsycholoog en publicist. Hij publiceerde in opdracht van het Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners het boekessay Het dogma aanbesteden – en waarom we het in het sociaal domein achter ons moeten laten. Gratis te downloaden via lsabewoners.nl