Goethe in palestina

HET ZIONISME is een succes geworden dankzij het feit dat honderdduizenden joden nergens anders heen konden dan naar Israel. De Duitse en Poolse joden die voor Hitler vluchtten wilden hun land helemaal niet verlaten, en de bijna één miljoen Russische joden die sinds de perestrojka naar Israel zijn geëmigreerd, gaven de voorkeur aan de Verenigde Staten.

De Israelische schrijver Yoram Kaniuk schetst in zijn roman Post Mortem een indringend beeld van de eerste generatie zionisten-tegen-wil-en-dank. De hoofdpersonen zijn z'n vader Moshe en zijn moeder Sara Kaniuk. Moshe Kaniuk was conservator van het eerste en belangrijkste museum van Tel Aviv. In dit museum las Ben Goerion in 1948 de onafhankelijkheidsverklaring voor. Moshe Kaniuk was tevens een begenadigd musicus en leraar. Bijna alle bekende hedendaagse Israelische componisten en solisten hebben les gehad van hem, of in ieder geval in zijn muziekschool.
Toch concentreert Yoram Kaniuk zich in zijn roman minder op de daden dan op de gemoedstoestanden van zijn ouders. Juist omdat ze geen pioniers waren maar ontheemden, bevonden ze zich hun hele leven in een soort emotioneel niemandsland. Uitgerekend zij die een nieuw leven opbouwden, wisten niet hoe ze van dit leven moesten genieten. Terwijl Moshe tientallen jaren bleef terugverlangen naar Duitsland en hij zijn leven liet dicteren door rituelen, voelde Sara zich altijd tekortgedaan en veranderde ze in een klagende, verbitterde vrouw. Twee joden die teleurgesteld ontdekten dat het Beloofde Land altijd elders ligt en het verleden meer illusies biedt dan de toekomst.
Post mortem begint en eindigt met een begrafenis. Op het moment dat Yoram Kaniuk hoort dat zijn 86-jarige moeder in Tel Aviv is overleden, bevindt hij zich in Stockholm. Hij weigert voor de begrafenis naar huis te komen en blijft de zeven dagen durende rouwperiode in de Zweedse hoofdstad. In gedachten is hij echter voortdurend bij zijn moeder en nadien ook bij zijn reeds jaren overleden vader. Post mortem heeft daardoor iets van het joodse gebruik van het kaddisj zeggen voor een overledene. Toch is deze roman vooral een psychologisch-historisch onderzoek.
KANIUK: ‘Ik heb het boek een roman genoemd en geen biografie, omdat ik tijdens het schrijven het gevoel had dat ik mijn ouders opnieuw moest verzinnen. Ik heb hen tijdens hun leven nooit geïnterviewd en kon niet veel mensen spreken die hen hadden gekend. Dat had echter als voordeel dat ik niet wetenschappelijk, als een echte biograaf te werk hoefde te gaan. Post mortem is daardoor evenzeer een boek geworden over mijzelf en mijn generatie als over mijn ouders. Een zeer persoonlijk boek ook. Als mijn zus het had geschreven, zou het waarschijnlijk totaal anders geworden zijn. En ook de lezers zullen er ieder voor zich andere conclusies uit trekken.’
Heeft u het zichzelf daardoor niet erg makkelijk gemaakt?
'Juist als biograaf had ik me er gemakkelijk van af kunnen maken door te verwijzen naar het gebrek aan feitelijke informatie. Nu ben ik gedwongen geweest me in te leven in mijn ouders en hun generatiegenoten. Dat vergt veel inspanning, al ziet de lezer dat niet altijd eraan af.’
Voor de leek begon het geweld in Palestina pas in de jaren dertig, maar u maakt duidelijk dat de periode van de Eerste Wereldoorlog in feite veel gewelddadiger was.
'Ik durf zelfs te stellen dat de Eerste Wereldoorlog veel wreder en rampzaliger was dan de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948, de Suezcrisis van 1956 en alle oorlogen daarna. De Turken, die in 1915 de zijde van de Duitsers hadden gekozen, hadden weinig succes op het slagveld. De zionisten werden door hen gezien als indringers en potentiële handlangers van de vijand, ook omdat velen van hen - zoals mijn grootvader van moederszijde - na de mislukte revolutie van 1905 uit Rusland waren gevlucht en dus niet alleen als Russen, maar ook nog eens als socialistische revolutionairen golden. Bovendien keken de Turken neer op niet-islamieten. Naarmate de militaire vooruitzichten verslechterden, reageerden de Turken zich steeds meer af op de joden. In 1916 werden ze voor de keus gesteld: moslim worden of emigreren naar Egypte. Mijn grootvader opteerde eerst voor Egypte, maar bedacht zich halverwege de reis en werd alsnog moslim. Omdat hij echter weigerde voor de Turken te vechten, moest hij onderduiken.
Deze discriminerende maatregelen weerhielden de Turken er overigens niet van veel joodse mannen op te hangen en vrouwen te verkrachten of weg te voeren in slavernij. Hele dorpen zijn zo moord, terwijl de zionisten tevens geteisterd werden door armoede en hongersnood en als gevolg daarvan door ziekten. Bovendien waren de joden voortdurend bang dat de Turken met hen hetzelfde zouden doen als ze in 1915 met de Armeniërs hadden gedaan, namelijk hen massaal uitroeien.’
Waarom laste u in zo'n wreed verhaal plots een humoristische scène in over besnorde Turken die Franse onderhandelaars op de mond zoenen, waarop deze, beschaamd en boos, bij wijze van wraak vijf granaten op de stad afvuren?
'Ik vond dat het boek hier en daar behoefte had aan wat bittere, absurdistische humor. Dat neemt overigens niet weg dat die scène tussen de Turken en de Fransen op waarheid berust. De wat fatterige Fransen zouden die granaten nooit hebben durven afvuren als ze niet zeker wisten dat de Turken geen kanonnen hadden om terug te schieten. Of die Turken de volgende keer dat ze met westerlingen onderhandelden nog zo zoenerig waren, valt natuurlijk te betwijfelen.’
Tijdens de Eerste Wereldoorlog bracht uw vader het tot officier in het Habsburgse leger. Op een bepaald moment staat hij aan het front tegenover zijn vader, die door het tsaristische leger is ingelijfd. Waarom laat u het in het midden of hij heeft geschoten of niet?
'In mijn familie doen tegenstrijdige verhalen de ronde over die ontmoeting. Sommigen beweren dat hij niet geschoten heeft, anderen dat hij wel degelijk een schot heeft afgevuurd, maar toevallig heeft gemist. Weer anderen zeggen dat hij raak geschoten heeft, maar dat de wond niet ernstig was. Hij is hoe dan ook als gevolg hiervan voor de krijgsraad gedaagd, maar vrijgesproken. Naar wat er op dat moment precies door het hoofd van mijn vader is gegaan, kan ik slechts gissen. Ik weet wel dat hij apetrots was op het feit dat hij het tot officier in een Duits leger had gebracht, ondanks zijn joodse afkomst, net zoals hij buitengewoon trots was op het feit dat hij als jood het Duitse gymnasium had mogen volgen. Dat werd inderdaad maar zelden aan joden toegestaan. Die Duitse opleiding heeft zijn persoonlijkheid enorm beïnvloed. Mijn vader sprak vloeiend Hebreeuws en Jiddisch, maar hij drukte zich het liefst uit in het Duits. Zijn glorietijd was in de jaren twintig, toen hij overdag studeerde en ’s avonds in Berlijnse nachtclubs viool speelde om zijn studie te bekostigen. Nog vóór Hitler aan de macht kwam moest hij het land verlaten vanwege een affaire met de dochter van een professor in Heidelberg, maar ik ben ervan overtuigd dat hij anders was gebleven, nazi’s of niet. Aan het eind van zijn leven vergat hij langzaam maar zeker alles, hij kon zich niet meer in het Hebreeuws uitdrukken en wist zelfs mijn naam niet meer, maar hij kon nog altijd hele gedichten van Goethe en Schiller opzeggen in het Duits.’
UW VADER was nogal extreem in zijn 'Deutschtum’, maar was hij wel een uitzondering? U beweert op een bepaald moment over de schrijver Arnold Zweig dat hij Palestina een vreselijk land vond en slechts wachtte tot hij kon terugkeren naar Duitsland, ja, zelfs bereid was de Duitsers zijn excuses aan te bieden voor het feit dat hij in 1933 was vertrokken.
'In de jaren dertig verdubbelde de joodse bevolking van Palestina door de toestroom van zo'n honderdvijftigduizend vluchtelingen, vooral uit Duitsland en Polen. Die mensen waren over het algemeen geen zionisten. Ze kwamen naar Palestina omdat ze nergens anders heen konden. Velen van hen hebben nooit aan Palestina kunnen wennen. Ze creëerden hun eigen “klein Berlijn” in Tel Aviv, ze spraken Duits met elkaar en vergingen van het heimwee. Mijn vader haalde zijn ouders uit Polen naar Palestina, omdat ze anders de aanstaande oorlog met de nazi’s niet zouden overleven. Het heeft geen verschil gemaakt. Mijn grootmoeder vond Palestina een droog, leeg en vijandig land. Ze sloot zich op in een donkere kamer en droeg, ondanks de hitte, de hele dag een dikke pelsmantel. Ze stierf nog geen jaar na haar aankomst. Ook mijn vader is heel zijn leven emigrant gebleven. Dat straalde hij zozeer uit dat ik hem zelfs een beroepsemigrant heb genoemd.’
Uw vader onderdrukte de Israelische kant van zijn karakter, u uw Duitse kant. U weigert bijvoorbeeld Duits te spreken. Bent u niet het spiegelbeeld van uw vader?
'Zo zou je het kunnen stellen. Het heeft niet veel gescheeld of Duits was mijn moedertaal geweest. Als driejarige was dat proces eigenlijk al goed op gang, tot ik een hekel begon te krijgen aan al die vreemde mannen en vrouwen die vanaf 1933 bij mijn ouders over de vloer kwamen. Bovendien dwong mijn vader me al toen ik zes jaar oud was Heine en Goethe te lezen. Uit protest besloot ik de taal van die vervelende schrijvers en die vervelende gasten uit Duitsland niet meer te spreken. In plaats daarvan werd het Hebreeuws mijn moedertaal. Eigenlijk is daarin tot op heden niets veranderd. Ik kan heel vlot Duits lezen en verstaan, maar ik krijg er geen woord van over mijn lippen. Toch kom ik graag in Duitsland. Het liefst logeer ik dan in Hotel Berlin in Berlijn. Niet vanwege eventuele luxe of een mooi uitzicht, maar om de geuren. Onder meer door het brood dat ze daar bakken ruikt het er net zo als in het Tel Aviv van de jaren dertig en veertig. Ik voel me er werkelijk thuis. Bovendien ondervind ik veel waardering in Duitsland. Niet alleen mijn boeken worden er vertaald, maar ook veel van mijn artikelen, die dan worden gepubliceerd in weekbladen als Die Zeit en Der Spiegel, en vervolgens veel weerklank vinden bij de lezers.
De verhouding tussen Duitsers en joden is altijd zeer hecht geweest, ondanks de pogroms, de discriminatie en de holocaust. Keulen was tweeduizend jaar geleden meer een joodse dan een Duitse stad. De Romeinen brachten er joden naartoe om het nog grotendeels maagdelijke land in cultuur te laten brengen. In de middeleeuwen waren steden als Mainz en Worms joodse metropolen. De binding van de joden met Duitsland was zo sterk dat ze nog meer dan drie eeuwen na hun verdrijving uit Duitsland Duits bleven spreken. De joden in Polen en Rusland hebben zich nooit Polen of Russen gevoeld en noemden zich “Askenaziem”, wat “Duitser” betekent. Ik geloof dat de hedendaagse Duitsers de joden niet missen, maar ze zijn zich er sterk van bewust dat de wetenschap en de cultuur van de twintigste eeuw ondenkbaar zijn zonder de bijdragen van Duitse joden als Freud, Marx, Einstein, Kafka, Schönberg of Mahler. Zelfs Proust, de grootste Franse auteur, was in wezen een Duitse jood, omdat hij uit de Elzas afkomstig was.
Omgekeerd vormt voor veel oudere Duitse joden in Israel de oorspronkelijke Heimat nog altijd het referentiepunt. Laatst werd ik opgebeld door een oude kennis van mijn vader. De man is 95, woont reeds meer dan zestig jaar in Israel en kent mij al ongeveer net zo lang. Hij weet dat ik schrijver ben, maar ondanks het feit dat ik al jaren bekend ben in Israel en mijn boeken in de hele wereld vertaald zijn, erkende hij pas nu mijn schrijverschap. Er had namelijk een artikel over mij in zijn lijfblad Die Zeit gestaan. “Nu tel je eindelijk mee”, zei hij - in het Duits natuurlijk.’
UITEINDELIJK zijn de Duitse vluchtelingen opgegaan in de Israelische samenleving en is niet het Duits, maar het Hebreeuws de landstaal geworden. Enkele maanden terug stelde u echter in een ophefmakend artikel in Die Zeit dat twee andere groepen joden, de ultraorthodoxen en ultranationalisten, allerminst integreren en dat ze zelfs een bedreiging voor het voortbestaan van Israel vormen.
'Dat geldt vooral voor de ultraorthodoxen. Na de oorlog hebben we er, uit schuldgevoel over wat er tijdens de oorlog met hen was gebeurd, steeds meer van binnengelaten. Bovendien planten ze zich in een razend tempo voort - zes kinderen is een bescheiden begin, twaalf is geen uitzondering -, zodat ze in de volgende eeuw de meerderheid van de bevolking gaan vormen. Ultraorthodoxen weigeren dienstplicht en dragen ook in andere opzichten weinig bij aan de samenleving. Velen van hen worden bijvoorbeeld schriftgeleerde. Ze doen dus een steeds groter beroep op de financiële middelen van Israel. Hoe meer schriftgeleerden we moeten opleiden, hoe minder geld er overblijft voor nieuwe technici en wetenschappers. Bovendien zijn de ultraorthodoxen, als alle godsdienstigen, fanatici die menen de waarheid in pacht te hebben en die aan anderen te moeten opleggen. Het zionisme was in eerste instantie evenzeer een rebellie tegen de godsdienst als tegen het antisemitisme. De zionisten zetten zich af tegen de gelovigen die in kledij rondliepen die de antisemieten hen den opgedrongen. Het zionisme wilde een open, seculier Israel en nu zien we dat de staat hoe langer hoe meer wordt overgenomen door mensen die vijandig staan tegenover dat idee. Wij hebben onze eigen Hamas. Zij vormen ook het grootste obstakel voor de vrede. Ze willen bijvoorbeeld de westelijke Jordaanoever niet opgeven omdat in steden als Hebron wat stenen liggen die zij als heilig beschouwen. Ze vinden daarin de ultranationalisten aan hun zijde.’
U stelt in uw artikel voor Israel op te delen in een seculier en een religieus deel. Dat heeft u toch vooral polemisch bedoeld?
'Natuurlijk. Israel is al zo klein. Als we het nu nog moeten opdelen in een Palestijns, een joods-seculier en een joods-religieus deel, blijft er helemaal niets over. Mijn boodschap was echter duidelijk: ik wil als ongelovige jood niet dat mijn leven door fanatieke religieuzen wordt bepaald. Ze mogen doen en laten wat ze willen, maar dan moeten ze er ook zelf voor gaan werken en anderen met rust laten.’
Ontlenen ze hun politieke macht niet vooral aan het feit dat ze 'op de wip’ zitten en hun steun voor elke regering onontbeerlijk is?
'Ja, en momenteel hebben ze de regering van Netanyahu in de houdgreep. Natuurlijk moet hij wel iets doen om het vredesproces op gang te houden of althans de Israeliërs een succes te kunnen voorspiegelen met het oog op de verkiezingen. Naar mijn mening zal hij daarom het komende jaar proberen tot een vergelijk met Syrië te komen. De Golanhoogte heeft voor de religieuzen niet zo'n emotionele waarde als de westelijke Jordaanoever, en vrede met Syrië zou de Palestijnen verder isoleren.’
Wordt een nieuwe oorlog niet steeds waarschijnlijker als de komende jaren zowel de politieke spanningen als de macht van de religieuzen verder toenemen?
'Ik vrees van wel. Het enige wat me hoopvol stemt, is het feit dat alle partijen beseffen dat een nieuwe oorlog geen simpele tankslag in de woestijn meer wordt. Er zijn te veel raketten en zelfs atoomwapens in de regio aanwezig. Bij een nieuwe oorlog zullen er meer burgerslachtoffers vallen dan tijdens alle voorgaande gewapende conflicten samen. Als ik hieraan denk, ben ik wel eens jaloers op mijn vader. Hij trok zich op den duur weliswaar terug in zijn wereldvreemde rituelen, maar hij maakte zich ook geen gen meer over de buitenwereld. In 1948 vocht ik tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in het kersverse Israelische leger, terwijl mijn vader Bach speelde in zijn museum. Het gebrom van vijandelijke vliegtuigen in de lucht kon de klanken van zijn viool niet overstemmen. Ik ben dat gebrom echter mijn leven lang niet meer kwijtgeraakt.’