Gogol in maassluis

OOIT KWAM ik thuis met Het roer kan nog zesmaal om, de ‘voorlopige herinneringen’ van Maarten ‘t Hart die in 1984 in de reeks Privédomein werden gepubliceerd, ging even zitten om het boek te bekijken en rechtte vervolgens pas weer mijn rug na een uur of drie. Boek uit. Vijftien jaar later blaas ik het stof van het omslag en blader het door, op zoek naar passages over zijn vader. Voor ik het weet lees ik het, staand dit keer, opnieuw bijna helemaal. Met moeite weet ik me los te rukken om me aan een bespreking van zijn nieuwste roman, De vlieger, te wijden.

Met een schrijver als Maarten ’t Hart is iets vergelijkbaars aan de hand als met een, verder niet te vergelijken schrijver als Gerard Reve. Liefhebbers krijgen er nooit genoeg van, critici vinden het allemaal een herhaling van zetten. Zelf betrapte ik me erop bij het lezen van de nieuwe ’t Hart meer dan eens vertederd te hebben gelachen. Vertederd ja. Moeder constateert tevreden: ‘Zo ken ik mijn Maarten weer’. Nu lijken vrouwen, moeder of niet, in het algemeen iets te hebben met de romans en verhalen van Maarten ’t Hart. Het is mij al een paar keer overkomen dat ik in de trein een nieuwe ’t Hart zat te lezen en omringd bleek door reizigsters met hetzelfde boek in handen. Dat waar Gerard Reve prat op gaat, gelezen te worden door de Nederlandse huisvrouw, is bij Maarten ’t Hart stilzwijgende praktijk. Omdat hij de papier geworden truttigheid is! roepen nu de ’t Hart-haters, want die heb je ook. Het grote verschil tussen een trut en Maarten ’t Hart is echter dat hij die trut graag wil zijn. De aantrekkingskracht van Maarten ’t Hart kun je verklaren uit zijn transparante drijfveren. Hij is een schaamteloze betweter, ijdeltuit en melancholicus. Hij heeft een jongensachtig verweer gevonden tegen de wetenschap door gekken omringd te zijn, namelijk de overdrijvingskunst. In zijn romans en verhalen verheerlijkt en verafschuwt hij zijn jeugd, de vrouw en de natuur op theatrale wijze. En daar lusten met name vrouwen blijkbaar wel pap van. DE VLIEGER is een voorbeeldig exponent van zijn kunnen. Goddank. De afgelopen periode waren er nogal wat dieptepunten, zoals Het woeden der gehele wereld (1993, nota bene bekroond met de Gouden Strop voor het beste spannende boek, terwijl het de belegen stijl van een driestuiverroman had) en Onder de korenmaat (een klagerig en sentimenteel liefdesverhaal, bol staand van zijn kennis van klassieke muziek), zodat ik het drie jaar geleden verschenen De nakomer heb laten liggen. De vlieger is echter een mooie roman, die voortborduurt op de thema’s van zijn vroegere werk, getoonzet op een manier waarop maar één woord van toepassing is: burlesk. Neem alleen al het materiaal waarvan de vader, grafdelver van beroep, de vlieger maakt: het pakpapier en latwerk waarmee een kruisbeeld is vervoerd dat hij tot zijn afkeer (katholieke kitsch!) op een van de graven moet plaatsen. Het lijkt hem goed voor zijn zoon eens wat vaker naar buiten te gaan, met die vlieger, in plaats van de godganse dag met zijn neus in de boeken te zitten. De eerste de beste keer dat de zoon zonder zijn vader gaat vliegeren, wordt het ding hem afhandig gemaakt door stoere jongens met een mes. Het Maarten ’t Hart-watje ten voeten uit: tegen beter weten in piepend dat zijn vader in de buurt is en vervolgens eerloos de aftocht blazend. Thuis wacht hem dan ook nog eens de toorn van de vader, die altijd wel een passage uit de bijbel paraat heeft om wie dan ook mee om de oren te slaan. HET DRAMA van de verloren vlieger, die wel teruggevonden gaat worden, is de verbindende verhaallijn in de roman die gaat over de onwrikbaarheid van het geloof, lees: de kerk. De vader, een katholiekenhater in hart en nieren, is een wonder van vrijzinnigheid vergeleken met zijn gereformeerde geloofsgenoten die de dienst uitmaken in de kerk. Hij wordt tot het uiterste getergd als zijn vriend, tevens collega, in de ban gedaan dreigt te worden door de geloofsgemeenschap. Die vriend houdt er nogal specifieke opvattingen op na over de reden waarom Jezus aan het kruis genageld is en vindt daarvoor in de bijbel tal van bewijzen. Bladzijdenlang krijgen we daarom dialogen te verwerken die alleen maar bestaan uit bijbelcitaten. Wervelende vaudeville levert dat op. Als dan ook nog eens de vader van hogerhand de opdracht krijgt het katholieke kerkhof te ontruimen, op zodanige wijze dat op een andere plek in het dorp de overledenen verder kunnen genieten van hun eeuwige rust onder hun eigen grafstenen, is het gogoliaanse drama compleet. De kracht van De vlieger is de eenvoud van het plot, hoe bizar het ook is. Voor het eerst sinds tijden is het de schrijver weer gelukt de vertelling strak te houden en zich niet te verliezen in zijpaden van weetjes en feitjes. Voor het grootste deel speelt de handeling zich af op het gereformeerde kerkhof, waar een doofstomme het leven van de grafdelver zuur maakt. Het perspectief van de zoon die alles ziet en hoort, geeft het verhaal net die licht-absurdistische toets die het verhaal nodig heeft. De vader, held en gek tegelijkertijd, is voor iedereen ongrijpbaar. In de epiloog geeft de schrijver nog een voorbeeld van die ongrijpbaarheid, waarmee het mysterie compleet is. IN DIEZELFDE epiloog zegt de schrijver tegen een vroegere dorpsgenoot: 'Ik kan niks verzinnen, ik heb geen fantasie.’ Inderdaad is ’t Hart met dit boek weer terug bij de kern, de onuitputtelijke bron van zijn schrijverschap: zijn jeugdjaren in Maassluis. Dankzij zijn schrijversbloed zijn de hoogst particuliere ervaringen van Maarten ’t Hart een bestaan op een hoger plan gaan leiden. Uitvergroot, zoals ook de ik-personages in de meeste van zijn boeken een uitvergroting zijn van de schrijver zelf. Hij mag dan geen fantasie hebben, zijn verbeeldingskracht is enorm. Misschien is dat wel het meest mysterieuze van zijn schrijverschap: dat hij eigenlijk nooit verveelt.