Gojse nijd

Aart Brouwer noemt in zijn bespreking van Evelien Gans’ Gojse nijd en joods narcisme (De Groene van 16 november) de motieven van de Februaristaking niet ‘koosjer’. Ik ben een van de weinige overlevende joden die bij de Februaristaking waren betrokken. Ik heb als lid van de communistische partij het manifest gestencild en verspreid en mij is het ‘antisemitische karakter van het manifest’ nimmer opgevallen. Het manifest wijt de Duitse razzia’s ‘vooral’ aan de Joodse Raad, ‘die kruiperig de schuld der Joden aanvaardt. Deze grootkapitalisten zijn bang voor een zoengeld en hun duiten zijn hun liever dan het joodse werkende volk’. Dit benadrukt het stereotype van de rijke jood, zegt Brouwer.

Met dat ‘vooral’ was ik het natuurlijk niet eens, maar men moet in aanmerking nemen dat dit pamflet onder moeilijke omstandigheden in grote haast werd opgesteld. Wel was het zo dat wij razend waren op de Joodse Raad, die wij destijds als de joodse kapitalisten zagen die inderdaad het Amsterdamse joodse proletariaat aan de bezetting wilde uitleveren. En inderdaad had ik zo mijn grieven; zij adviseerden mijn moeder en andere familieleden die een onderduikadres hadden, zich opgewekt naar Polen te begeven - waar zij nimmer van terugkeerden.
Het hele manifest echter, waarvan Brouwer slechts een klein stukje citeert, ademt woede uit over de gebeurtenissen in de jodenhoek. Daarom kwamen de havenarbeiders en de dokwerkers de joden te hulp en daarom werd een beroep gedaan op de Nederlanders om de joodse kinderen in huis te nemen 'om hen van de ondergang te redden’. Van die ondergang waren wij politiek bewuste joden toen al overtuigd, in tegenstelling tot de Joodse Raad.
Volgens Anne de Vries, geciteerd door Brouwer, ging men niet de straat op voor de joden, 'maar alleen om even een opgeheven vuist te maken tegen de Duitse bezetting’. Ik heb er Sijes, De Jong en Presser op nageslagen, maar heb dergelijke beschuldigingen bij hen niet kunnen vinden.
Aart Brouwer is wel zo vriendelijk vast te stellen dat hij 'de stakers wel de laatste vindt die hij voor hun antisemitisme ter verantwoording wil roepen; dan zijn er ook nog wel andere Nederlandse groeperingen die eerder in aanmerking komen’ - dus antisemitisch waren de stakers wel. Ik vraag mij af of ik zo blij moet zijn met die generatie van na de Tweede Wereldoorlog die het zo nodig vindt de Nederlanders en nu zelfs de stakers een trap na te geven. Wij hebben nooit het gevoel gehad dat de staking andere motieven had dan een vuist te maken tegen het begin van de jodenvervolging.
Ten slotte, ik als jodin kon met mijn schrijfmachine, waarop ik De Waarheid tikte, bogen op veertien adressen van niet-joden waar ik kon slapen, eten en drinken. Ook dit mag wel eens worden vermeld.
Amsterdam, ROOS SIJBRANDS